basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Ezechiël 34:1-16

1 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 2  ‘Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Wee jullie, herders van Israël, want jullie hebben alleen jezelf geweid! Horen herders niet hun schapen te weiden? 3  Jullie eten wel van hun kaas, jullie gebruiken hun wol voor je kleren en jullie slachten de vette dieren, maar de schapen weiden, dat doen jullie niet. 4  Zwakke dieren hebben jullie niet laten aansterken, zieke dieren niet genezen, gewonde dieren niet verbonden, verjaagde dieren niet teruggehaald, verdwaalde dieren niet gezocht-jullie hebben de dieren hard en wreed behandeld. 5  Zonder herder raakten ze verstrooid, en werden ze door wilde dieren verslonden. Mijn schapen zijn verstrooid, 6  ze dwalen rond in de bergen en hoog in de heuvels; over heel het aardoppervlak raken ze verstrooid, en er is niemand die naar ze omziet, niemand die naar ze op zoek gaat. 7 ¶  Daarom, herders, luister naar de woorden van de HEER: 8  Zo waar ik leef-spreekt God, de HEER -,mijn schapen hadden geen herder, ze werden weggeroofd en door de wilde dieren verslonden; en jullie, herders, keken niet naar mijn schapen om, jullie hebben alleen jezelf geweid maar niet mijn schapen! 9  Daarom, herders, luister naar de woorden van de HEER: 10  Dit zegt God, de HEER: Ik zal de herders straffen en mijn schapen opeisen; zij zullen ze niet meer mogen weiden. Ook zullen ze niet langer zichzelf weiden: ik zal mijn schapen uit hun mond redden, ze zullen ze niet meer eten!  11  Dit zegt God, de HEER: Ik zal zelf naar mijn schapen omzien en zelf voor ze zorgen. 12  Zoals een herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo zal ik naar mijn schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle plaatsen waarheen ze zijn verdreven op een dag van dreigende, donkere wolken. 13  Ik zal ze uit alle volken terughalen en uit alle landen bijeenbrengen, ik zal ze naar hun eigen land laten terugkeren. Op de bergen van Israël en bij de waterstromen zal ik ze weiden, overal in het land waar mensen wonen. 14  Ik zal ze laten grazen op een goede weide, ook hoog in de bergen van Israël zullen ze gras vinden; op Israëls bergen zullen ze rusten op groen grasland en in een grazige weide. 15  Ikzelf zal mijn schapen weiden en ze laten rusten-spreekt God, de HEER. 16  Ik zal naar verdwaalde dieren op zoek gaan, verjaagde dieren terughalen, gewonde dieren verbinden, zieke dieren gezond maken-maar de vette en sterke dieren zal ik doden. Ik zal ze weiden zoals het moet. (NBV)

Leiders van godsdienstige gemeenschappen hebben het altijd moeilijk gehad. Ze moeten tegelijk boven de volgelingen staan en hen richting geven, soms dus voor de menigte uit lopen, maar ook dienstbaar aan de volgelingen zijn. In termen van het Nieuwe Testament heet dat herder en leraar zijn. Twee verschillende beroepen in zichzelf verenigingen. De herder geeft leiding, de leraar sluit zich aan bij zijn leerlingen en gaat nooit verder dan zijn leerlingen kunnen komen. De profeet Ezechiël richt zich in het gedeelte dat we vandaag lezen tot de herders. Hij doet dat in een tijd die niet de gemakkelijkste was voor de godsdienstige leiders van Israël. Het volk was in ballingschap en woonde voor het grootste deel in Babel, daar sprak Ezechiël ook de meeste van zijn profetieën. Volgens de profeet zijn de godsdienstige leiders er op uit een luilekker leventje te leiden op kosten van hun volgelingen. Die lopen op allerlei manieren gevaar, die lijden soms honger en gebrek, maar de leiders letten daar verder niet op, als ze zelf maar aan hun trekken komen.

We moeten die kritiek niet te gemakkelijk overplanten op onze eigen tijd. Het zijn natuurlijk waarschuwingen die ook aan de leiders in onze tijd gedaan kunnen worden. Bankdirecteuren die meer op hun bonussen letten dan op de veiligheid van de hen toevertrouwde spaarcenten zouden zomaar door Ezechiël kunnen worden aangesproken. Voorgangers die zich verrijken ten koste van de gemeenteleden hebben we in de gevestigde kerkgenootschappen in ons land niet meer. Die vindt je soms in nieuwe groepen van bevlogen leiders die mooi kunnen praten maar die na een tijd er op uit blijken te zijn in de eerste plaats zichzelf te verheerlijken. Maar heeft de profeet het hier alleen over de leiders? Dat is natuurlijk de vraag. Ooit gaf Jezus van Nazareth de visser Simon Petrus de opdracht zijn schapen te weiden louter omdat die Simon Petrus van Jezus van Nazareth hield. En ook gelovigen uit onze tijd zeggen graag dat ze van Jezus van Nazareth houden, ook zij hebben dus de opdracht zijn schapen te weiden. En als je schapen weidt dan zorg je dat ze te eten hebben. Nu daaraan ontbreekt het nog veel te vaak. Veel te vaak hebben mensen honger, worden ze van huis en haard verdreven, gaan ze dood aan geweld en onderdrukking. Willen we niet dezelfde verwijten krijgen die Ezechiël aan de leiders uit zijn tijd richt dan moeten we hard aan het werk, er valt nog veel te doen.

Wie zich eens wat verdiept in de onrechtvaardige handelsverhoudingen zal snel iets herkennen van het slot van het Bijbelgedeelte van vandaag. De vette schapen die de magere schapen verdringen en daardoor het leven eigenlijk onmogelijk maken. Je komt dan de Europese boeren tegen. Die worden gedwongen tot een overproductie door een eenzijdige subsidie op landbouwproducten. Of die producten nu nodig zijn binnen de Europese Unie of niet doet er kennelijk niet toe. Evenmin overigens als het welzijn van de dieren, het aanzien van het landschap of de aanwezigheid van voeding voor dieren en planten. De overschotten worden gedumpt op de wereldmarkt, soms zelfs met exportsubsidie. De boeren in arme landen, waar geen productiesubsidie bestaat, kunnen tegen dit aanbod van goedkope producten niet op. Ze gaan dus failliet. Maar die Europese overschotten zijn nooit voldoende om iedereen in Afrika en Azië te eten te geven. Zeker niet nu door bijzondere klimaatomstandigheden het opgehouden is met regenen waardoor gewassen verdrogen, en vee verhongerd. Daarom ontstaan er voortdurend hongersnoden. Een uiterst oneerlijke zaak ook veroorzaakt door de manier waarop wij in Europa de zaak georganiseerd hebben. Het is een onderwerp dat bij Europese verkiezingen nauwelijks een rol speelt. Ezechiël wijst er op dat God het op neemt voor de armen. Wij worden dus opgeroepen onze handen uit te steken en het Rode Kruis te helpen.

Reacties

Ezechiël 33:21-33

21 ¶  Op de vijfde dag van de tiende maand van het twaalfde jaar van onze ballingschap kwam er een vluchteling uit Jeruzalem bij me die zei: ‘De stad is gevallen!’ 22  De avond voor de komst van de vluchteling werd ik gegrepen door de hand van de HEER, en hij opende mijn mond toen de vluchteling ‘s morgens bij mij kwam. Toen mijn mond geopend werd, was ik niet langer stom. 23  De HEER richtte zich tot mij: 24  ‘Mensenkind, de bewoners van de ruïnes in het land van Israël zeggen: “Abraham was maar alleen en toch kreeg hij heel het land in bezit; wij zijn met velen, dus is het land zeker aan ons gegeven en is het ons eigendom.” 25  Antwoord hun: “Dit zegt God, de HEER: Jullie eten vlees waar het bloed nog in zit, jullie vereren je afgoden, jullie vergieten bloed-en jullie willen het land bezitten? 26  Jullie vertrouwen op je zwaard, jullie begaan gruweldaden en onteren elkaars vrouwen-en jullie willen het land bezitten?” 27  Dit moet je tegen hen zeggen: “Dit zegt God, de HEER: Zo waar ik leef, wie nog in de ruïnes woont zal vallen door het zwaard, wie daarbuiten leeft geef ik als prooi aan de wilde dieren, en wie zich in holen en grotten verschuilt zal sterven aan de pest. 28  Van jullie land maak ik een verlaten woestenij, er komt een einde aan zijn trotse kracht, en ook de bergen van Israël zullen een wildernis zijn waar niemand meer doorheen trekt. 29  Wanneer ik vanwege al hun gruweldaden van het land een huiveringwekkende woestenij heb gemaakt, zullen ze beseffen dat ik de HEER ben.” 30 ¶  Wat jou aangaat, mensenkind: je volksgenoten praten allemaal over jou, bij de stadsmuur en bij de deuren van hun huizen zeggen ze tegen elkaar: “Kom, laten we gaan luisteren naar wat de HEER ons te zeggen heeft!” 31  Ze komen in grote groepen naar je toe en nemen tegenover je plaats, ze luisteren naar je woorden maar handelen er niet naar. Ze hebben hun mond vol van de liefde, maar ze denken alleen aan hun eigen voordeel. 32  En jij bent voor hen niet meer dan een zanger van liefdesliedjes, iemand met een mooie stem, iemand die goed kan spelen: ze horen wel wat je zegt, maar ze handelen er niet naar. 33  Maar als het onheil komt-en het komt! zullen ze beseffen dat er in hun midden een profeet was.’ (NBV)

Met stomheid geslagen door het slechte van zijn medeballingen, verlamd als met touwen gebonden temidden van zijn volksgenoten. Zo ontwaakt Ezechiël als hij merkt dat hij weer kan spreken. Hij weet dat hij de woorden zal moeten spreken die geïnspireerd zijn op zijn God, de God van Israël, die hij ook in de donkerste duisternis van de ballingschap heeft leren kennen als een God die het werk van zijn hand niet in de steek laat, een God die er ook wil zijn voor de ballingen. Maar waar zouden de ballingen naar terug moeten keren. Een vluchteling uit Jeruzalem komt Ezechiël vertellen over de ramp die de stad heeft getroffen. Nu is de stad echt verwoest, zelfs van de Tempel staat geen steen meer overeind. Hoe zou het nu verder moeten met het volk van Israël? Dat unieke volk dat geen beeld van zijn God had, maar die een God had die met het volk mee zou trekken.

De ballingen in Babel weten het wel. Nu de bevolking van Israël is verdreven of gedood zullen zij het zijn die het land zullen erven. Aan Abraham was dat land beloofd en die was maar alleen geweest. Aan Abraham was de belofte in vervulling gegaan en als die God echt het werk van zijn hand niet in de steek laat dan zal die woestenij nu aan de ballingen toevallen. Maar Ezechiël heeft een andere boodschap. Opnieuw klinken de leefregels voor het beloofde land, respect voor het leven, geen vlees eten dus waar de drager van het leven, het bloed, nog in zit. Geen andere goden dienen, geen overspel plegen, geen geweld plegen waar mensen aan dood gaan. Als je zo leeft zul je er niet dood aan gaan. En natuurlijk komen mensen in grote getale naar die boodschap luisteren. Een volk dat zich aan fatsoensregels houdt klinkt zo mooi, dromen van dat beloofde land is toch een heerlijk gevoel. Samen in de warme voorjaarszon zitten luisteren naar die boeiende verhalen, wat is er beter.

Maar het is leeg en dient tot niets, wordt aan Ezechiël gezegd. En ook wij mogen daar wel eens naar luisteren als wij het lijden  van de mensen willen vangen in popliedjes door zoetgevooisde populaire artiesten vertolkt. Als wij de jongeren van ons volk willen uitdagen een groot plastic kruis door de stad te sjouwen omdat het lijden van de zoon van God ons zoveel genot verschaft. Zo lang wij zwijgen over het lijden dat ons volk veroorzaakt bij de zwaksten, de kinderen die extra steun bij onderwijs nodig hebben, bij de mensen die aangewezen zijn op beschermde arbeidsplaatsen, bij de gehandicapten die hun PGB zo nodig hebben, bij de jonge vrouwen die gedwongen in de seksindustrie werken , zo lang wij de deur gesloten houden voor mensen die vluchten voor oorlog, geweld en armoede , zo lang wij willen bezuinigen op de ontwikkelingssamenwerking, zo lang dringt het lijden van de mensen nog zo weinig tot ons door dat de roep om anders te doen blijft klinken, maar blijft klinken in de woestijn van welvaart die we meer liefhebben dan de God van Israël. Pas als het onheil over ons allen komt zullen we beseffen dat we te laat hebben gedeeld. Nu is het nog niet te laat, elke dag kunnen we beginnen te laten zien wat lijden is in onze dagen en hoe we eerlijk onze welvaart kunnen delen, ook vandaag kan dat weer.

 

Reacties

Ezechiël 33:10-20

10 ¶  Mensenkind, zeg tegen het volk van Israël: “Jullie zeggen: ‘Onze misdaden en onze zonden worden ons aangerekend en wij gaan eraan te gronde-hoe kunnen we dan nog blijven leven?’ ” 11  Zeg tegen hen: “Zo waar ik leef-spreekt God, de HEER -,de dood van een slecht mens geeft me geen vreugde, ik wil dat hij een andere weg inslaat en in leven blijft. Kom toch terug van de heilloze weg die jullie zijn ingeslagen, keer om, want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël?” 12  Mensenkind, zeg tegen je volksgenoten: “De rechtvaardigheid van een goed mens zal hem niet redden als hij een misdaad begaat, en de slechte daden van een slecht mens zullen hem niet ten val brengen als hij zich ervan afkeert. Een goed mens zal niet door zijn goede daden in leven blijven als hij een zonde begaat. 13  Als ik tegen hem zeg dat hij in leven zal blijven en hij, vertrouwend op zijn rechtvaardigheid, begaat onrecht, dan zullen al zijn goede daden niet meer tellen, maar zal hij sterven door het onrecht dat hij begaan heeft. 14  En als ik tegen een slecht mens zeg dat hij zal sterven, en hij verlaat de weg van de zonde, hij is mij trouw en doet het goede 15  hij geeft terug wat hij als onderpand heeft gekregen, hij vergoedt wat hij heeft gestolen, hij houdt zich aan de wetten die naar het leven leiden door geen onrecht meer te begaan-, dan zal hij leven en niet sterven. 16  De zonden die hij begaan heeft zullen hem niet meer worden aangerekend; als hij mij trouw is en het goede doet, zal hij leven!” 17  Je volksgenoten mogen dan zeggen: “De weg van de Heer is onrechtvaardig, ”maar het is hún weg die onrechtvaardig is! 18  Als een goed mens zijn rechtvaardige weg verlaat en kwaad doet, zal hij daardoor sterven; 19  als een slecht mens zijn slechte weg verlaat, mij trouw is en het goede doet, dan zal hij daardoor leven. 20  Jullie zeggen: “De weg van de Heer is onrechtvaardig!” Volk van Israël, ik zal ieder van jullie oordelen naar de weg die hij gaat!’ (NBV)

Er was ooit een profeet die kwaad werd op de God van Israël omdat de woorden die hij sprak nooit uitkwamen. Hij vluchtte zelfs de andere kant op toen hij er op uitgestuurd werd om de mensen te waarschuwen voor het onheil dat hen te wachten stond. En hij kreeg gelijk, het onheil dat hij had voorspeld kwam niet uit. Die profeet was Jona. Hij waarschuwde de inwoners van Nineve voor de vernietiging van de stad vanwege het onrecht dat de mensen daar begingen. Maar de inwoners van Nineve luisterden naar de waarschuwing van de profeet en bekeerden zich. Ze scheurden hun kleren als tegen van rouw en gaven de armen waar die recht op hadden, ze veranderden hun samenleving van hebben en houwen in een samenleving van recht en gerechtigheid. De God van Israël rekende daarop hun onrecht aan hen niet langer aan en spaarde de stad.

De uitleg van het boek Jona kunnen we vandaag teruglezen in het gedeelte dat ons voorgeschoteld wordt uit het boek Ezechiël. Het gejammer en geklaag van het volk in ballingschap heeft geen enkele zin en grond. De God van Israël is niet uit op de dood van mensen, zelfs niet op de dood van zijn eniggeboren zoon. Het is het kwaad van de mensen zelf dat de dood van mensen veroorzaakt. Als wij niet willen delen van onze overvloed, als wij weigeren rechtvaardige handelsverhoudingen te scheppen, als wij weigeren vluchtelingen te hulp te komen, dan sterven mensen van de honger, dan overleven de armen zelfs in ons rijke land niet, dan verdrinken er kinderen in de Middellandse Zee. De God van Israël roept op om het goede te doen en niet dan het goede. Dat brengt leven, ook voor hen die eerste het slechte deden, maar zeker voor de mensen die door het slechte werden bedreigd.

Er zijn mensen voor wie het gedeelte dat we vandaag uit het boek van de profeet Ezechiël lezen aanleiding is om te letten op wat we verkeerd doen, vooral op wat anderen verkeerd doen overigens. Want ook een rechtvaardige die zondigt wacht immers de dood als straf voor de zonde zou je hier kunnen lezen? Daar wordt wel voor gewaarschuwd maar dan wel gevolgd door de opmerking dat iedereen die het kwade vervangt door het goede en rechtvaardig gaat leven volgens de gedragsregels die ons door de God van Israël zijn gegeven, zich houdt aan de wetten die naar het leven leiden, zal leven en niet zal sterven. Waar we dus op moeten letten is op het goede, niet op het kwade, het goede doen en niet dan het goede is waar het op aan komt. De vreemdelingen opnemen als een van onszelf, de arme tot zijn recht laten komen, delen van onze overvloed met hen die niets hebben, de naakte kleden, de hongerige voeden en de dorstige te drinken geven. Dat is het soort samenleving dat ons allemaal het leven geeft. Ook Ezechiël leert ons dat we er elke dag opnieuw mee kunnen beginnen, ook vandaag weer.

Reacties

Ezechiël 33:1-9

1 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 2  ‘Spreek, mensenkind, zeg tegen je volksgenoten: “Als ik het zwaard op een land afstuur, en het volk dat daar woont heeft iemand als wachter aangesteld, 3  en die wachter ziet het zwaard op het land afkomen en blaast op de ramshoorn om het volk te waarschuwen, 4  en als dan iemand het geluid van de ramshoorn hoort maar er zich niets van aantrekt, en het zwaard komt en doodt hem, dan heeft hij zijn dood aan zichzelf te wijten. 5  Hij heeft het geluid van de ramshoorn wel gehoord maar zich er niet door laten waarschuwen, en dus heeft hij zelf de dood over zich afgeroepen. Had hij zich laten waarschuwen, dan had hij zijn leven gered. 6  Wat de wachter betreft: als hij het zwaard ziet komen maar niet op de ramshoorn blaast om het volk te waarschuwen, en als het zwaard dan komt en iemand doodt, dan sterft die mens doordat hij zelf schuld heeft, maar de wachter zal ik voor zijn dood ter verantwoording roepen.” 7  Jou, mensenkind, heb ik als wachter aangesteld voor het volk van Israël. Als je mijn woorden hoort moet je hen namens mij waarschuwen. 8  Als ik tegen een slecht mens zeg dat hij zal sterven, en jij zegt hem niet dat hij een andere weg moet inslaan, dan zal hij sterven door zijn eigen schuld, maar jou zal ik voor zijn dood ter verantwoording roepen. 9  Maar als je hem gewaarschuwd hebt dat hij een andere weg moet inslaan en hij doet dat niet, dan sterft hij door zijn eigen schuld, maar jij zult het er levend afbrengen. (NBV)

Het is gemakkelijk om dat wat profeten zeggen naar de toekomst te verleggen. We hebben er zelfs een spreekwoord voor: “Na ons de zondvloed”. We hoeven dan immers niet te reageren op wat profeten zeggen? We kunnen het dan zelfs mooi vinden en waardevol. Je kunt er zelfs hele religies op bouwen. De Religie van de eindtijd. Deze wereld zal vergaan en er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Op zich is dat wel waar, maar het is geen reden om het daarbij te laten. Die verhalen over de eindtijd zijn een waarschuwing voor ons. Als die eindtijd aanbreekt, waar staan wij dan, waar zijn wij dan te vinden? Zitten we stil te wachten op alles wat nieuw wordt? Of waren we alvast begonnen met die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, waren we de hongerenden aan het voeden, de naakten aan het kleden, de blinden laten zien en de lammen laten lopen?

Het gedeelte dat we vandaag uit het boek van Ezechiël lezen laat ons zien waar het om draait als het gaat om de uitspraken van profeten. Maar dat gedeelte laat ons ook zien dat we zelf profeten moeten worden. Ezechiël is de profeet van het zien, van levende beelden. En zelfs in onze dagen kunnen we de stadsmuur herkennen met de wachter er op. In de verte zie je een geweldig leger aankomen dat de stad zal willen bedreigen. Wat staat je als wachter te doen? Je moet waarschuwen. Natuurlijk kun je bedenken dat het leger dat je ziet aankomen om de stad zal heentrekken, dat het naar een andere vijand op weg is, dat je stadsmuren zo sterk zijn dan het zich daardoor wel zal laten afschrikken. Er zijn altijd vele redenen die te bedenken zijn om maar even niks te doen, om niet te hoeven waarschuwen voor naderend onheil. Maar, zegt Ezechiël hier, je bent dan ook zelf mee verantwoordelijk voor de gevolgen.

Wat is dan het onheil waarvoor wij gewaarschuwd moeten worden? We hebben geen vijand meer aan de oostgrens, we hebben geen vijand meer verder weg in het oosten. Ook de Islam is niet onze vijand en haar gelovigen zijn niet uit op onze ondergang. Uit de Bijbel weten we dat de grootste vijand van de God van Israël het onrecht is aan mensen aangedaan, het lijden en het onrecht, het uitbuiten van de zwakken, het verwaarlozen van de zorg voor de minsten. En voor die vijand mag ook in onze dagen wel gewaarschuwd worden. Het afpakken van de extra steun voor de zwakste kinderen, het afpakken van de PGB waardoor gehandicapten zelfstandig kunnen blijven wonen en kunnen gaan werken, het afschaffen van de beschermde werkplaatsen, het wegbezuinigen van de ontwikkelingssamenwerking, het korten op de steun voor oudere werklozen om weer aan het werk te kunnen, het weren van vluchtelingen voor armoede, onderdrukking en geweld. Dat alles om de bonussen en de hoge inkomens van de rijken te beschermen. Het zijn voornamelijk mensen uit de kerken die gevoelig zijn voor de roep van de armen om hulp, het zou goed zijn als zo veel mensen zich er bij aansluiten dat het in onze samenleving vanzelfsprekend wordt de armen te helpen,

 

Reacties

Handelingen 15:22-35

22 ¶  Daarop besloten de apostelen en de oudsten in overleg met de hele gemeente enkele afgevaardigden met Paulus en Barnabas mee te zenden naar Antiochië. De keuze viel op twee leiders uit de gemeente: Judas, wiens bijnaam Barsabbas luidde, en Silas. 23  Men gaf hun een brief mee met de volgende inhoud:  ‘Van de apostelen en de oudsten. Aan hun broeders en zusters in Antiochië, Syrië en Cilicië die uit de heidense volken afkomstig zijn: gegroet! 24  Wij hebben vernomen dat enkelen van ons u een bezoek hebben gebracht-zonder dat wij hun dat hadden opgedragen-en dat hun uitspraken aanleiding zijn geweest tot verwarring en verontrusting. 25  Daarom hebben we eensgezind besloten enkele broeders naar u toe te zenden in het gezelschap van onze geliefde Barnabas en Paulus, 26  mensen die hun leven op het spel hebben gezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. 27  We hebben Judas en Silas afgevaardigd, en zij zullen de inhoud van deze brief mondeling toelichten. 28  In overeenstemming met de heilige Geest hebben wij namelijk besloten u geen andere verplichtingen op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is: 29  onthoud u van offervlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit, en van ontucht. Als u zich hier aan houdt, doet u wat juist is. Het ga u goed.’ 30  Ze namen afscheid en vertrokken naar Antiochië, en nadat ze daar de gemeente hadden bijeengeroepen, overhandigden ze de brief. 31  Toen de brief was voorgelezen, verheugde de gemeente zich over de bemoedigende inhoud. 32  Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, hielden een lange toespraak waarin ze de gelovigen bemoedigden en sterkten. 33  Ze brachten enige tijd in Antiochië door en werden toen met een vredeswens door de gelovigen teruggezonden naar degenen die hen hadden afgevaardigd. 34  35  Paulus en Barnabas bleven in Antiochië, waar ze met nog vele anderen de boodschap van de Heer onderwezen en verkondigden. (NBV)

We kennen de brieven van Paulus, van onbekende schrijvers en een aantal brieven die aan andere apostelen worden toegeschreven. Die staan als aparte Bijbelboeken in het Nieuwe Testament. Maar er is nog een brief in het Nieuwe Testament, waar veel minder aandacht voor is. Die brief lezen we vandaag. Volgens het verhaal van Lucas in Handelingen is het de eerste brief die door Apostelen en Oudsten, door de vergadering in Jeruzalem, aan de kerken buiten Israël werd gestuurd. De brief werd het eerst voorgelezen in Antiochië maar is voor alle Christelijke kerken van belang. Daarin staan de regels die opgelegd zijn aan Christenen. En die regels zijn zeer eenvoudig. Geen offervlees eten en geen vlees waar het bloed nog uitdruipt. Het zijn de regels die volgens het verhaal van Genesis ooit aan Noach waren gegeven toen Noach, zijn vrouw en kinderen opnieuw begon de aarde te bevolken.

Dat offervlees was in de dagen van Paulus niet onbelangrijk. Door het eten van het offervlees kreeg je immers deel aan de macht van de god aan wie het vlees geofferd was. De zorg dat alle bloed uit het vlees was verwijderd kwam voort uit een oude Joodse gedachte. Volgens de Joodse leer was bloed de zetel van het leven. En levende dieren behoorde je niet te eten. Je moest er voor zorgen dat dieren die je at pijnloos en zorgvuldig werden gedood. Ze waren pas echt dood als al het leven, als al het bloed uit het dier was verdwenen. Wie de regels uit het Oude Testament over het ritueel slachten nog eens naleest en op zich in laat werken zal onder de indruk komen van de zorgvuldigheid waarmee de dieren die men consumeerde werden benaderd. Voor dat leven bestond zeer veel respect en dat respect werd van alle gelovigen gevraagd. Dat respect wordt nu ook van Christenen gevraagd. Hier staat ook nog dat ontucht moet worden nagelaten maar bedoeld wordt eigenlijk dat men moet afzien van het gebruik van Tempelprostitutie. Alleen de God van Israël zorgt immers voor ons en ons voedsel.

En hoe zit het dan met het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf? Is dat geen gebod? Nee dat is het hart van het geloof. Je behoort niet tot een Christelijke gemeente als je dat niet dag in dag uit doet. Dat is geen last, maar een voorrecht, een teken dat je er bij mag horen, dat je deel mag uitmaken van het Koninkrijk van God. Die regels die de Apostelen en de Oudsten in hun brief vragen behoeden je juist van verwijdering van de arbeid in dat Koninkrijk. Offervlees dat voor jou is deel je niet, maar voedsel dat je hebt kun je als Christen altijd delen, het is zelfs jammer als je geen hongerige meer kunt vinden om het te delen. Dat je van je geloof van alles zou moeten en van alles niet zou mogen is dus klinkklare onzin. Er zijn maar een paar regels. Die staan in een brief gebracht door voorname leiders van de gemeente in Jeruzalem naar de gelovigen buiten Palestina. Regels die Joden en Christenen verenigen en beiden niet verlegenheid brengen maar hen samen tot gemeenschappen smeed die tot op de dag van vandaag de voorhoede laten vormen van het Koninkrijk van God, waar hongerigen worden gevoed, bedroefden getroost en de armen worden bevrijd. Daar mogen we vandaag ook weer aan meedoen.

 

Reacties

Handelingen 15:1-21

1 ¶  Er kwamen enkele leerlingen uit Judea, die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. 2  Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd. Besloten werd dat Paulus en Barnabas, samen met enkele andere leerlingen, naar Jeruzalem zouden gaan om deze kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten. 3  Nadat de gemeente hun uitgeleide had gedaan, gingen ze op weg en trokken ze door Fenicië en Samaria. Daar verhaalden ze uitvoerig over de bekering van de heidenen, iets dat bij alle gelovigen grote vreugde wekte. 4  Bij hun aankomst in Jeruzalem werden ze verwelkomd door de apostelen en de oudsten en door de rest van de gemeente. Ze brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht. 5  Enkele gelovigen die tot de partij van de Farizeeën behoorden, gaven echter te verstaan dat ook de niet-Joodse gelovigen dienden te worden besneden en opdracht moesten krijgen zich aan de wet van Mozes te houden. 6 ¶  De apostelen en de oudsten kwamen bijeen om nader op deze zaak in te gaan. 7  Toen het tot een hevige woordenstrijd kwam, stond Petrus op en zei: ‘Broeders, u weet dat God mij al in het begin uit uw midden heeft gekozen om de boodschap van het evangelie onder de heidenen te verspreiden en hen tot geloof te brengen. 8  God, die weet wat er in de mensen omgaat, heeft blijk gegeven van zijn vertrouwen in de heidenen door hun de heilige Geest te schenken, zoals hij die ook aan ons geschonken heeft. 9  Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, want hij heeft hen door het geloof innerlijk gereinigd. 10  Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen een juk te leggen dat onze voorouders noch wijzelf konden dragen? 11  Nee, we geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden, op dezelfde wijze als zij.’ 12  Daarop zwegen alle aanwezigen, en men luisterde naar Barnabas en Paulus, die vertelden welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen had verricht. 13  Toen ze waren uitgesproken, nam Jakobus het woord. Hij zei: ‘Broeders, luister. 14  Simeon heeft uiteengezet hoe God zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat zijn naam vereert. 15  Dat stemt overeen met de woorden van de profeten; er staat immers geschreven: 16  “Dan keer ik terug op mijn schreden. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, uit het puin zal ik het weer opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen, 17-18 zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle heidenen over wie mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt de Heer, die dit van oudsher heeft aangekondigd.” 19  Daarom ben ik van mening dat we de heidenen die zich tot God bekeren geen al te zware lasten moeten opleggen, 20  maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf. 21  In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.’ (NBV)

Er wordt aan Christenen wel eens verweten dat ze zo vreselijk verdeeld zijn. Dat is al vanouds zo. In het gedeelte dat we vandaag lezen wordt ons verteld dat Paulus en Barnabas nog maar net terug zijn van hun eerste reis of er komt ruzie. Vanaf de eerste Pinksterdag af zijn er al niet-Joden bekeerd tot de nieuwe beweging van de Weg zoals ze toen nog heetten. Maar dat waren over het algemeen Jodengenoten, Heidenen die zich wilden bekeren tot het Jodendom. Dat zij zich na hun bekering tot de beweging van de Weg ook lieten besnijden en de voedselvoorschriften van het Jodendom gingen houden lag voor de hand. Maar Paulus en Barnabas hadden op hun reis heel andere omstandigheden meegemaakt. De leiding van de verschillende synagogen had hen de voet danig dwars gezet en ze hadden buiten de synagoge om gemeenten gesticht van Joden en Heidenen. Als daar de Heidenen verplicht zouden moeten worden om zich te laten besnijden, dus Jood te worden, dan zouden zij zich ook moeten onderwerpen aan de leiding van de synagogen en dan zou er eigenlijk van de bekering tot de leer van Jezus van Nazareth weinig overgebleven zijn.

Voor een oordeel door een rechter zijn er volgens de wetten van Mozes tenminste twee betrouwbare getuigen nodig. In het verhaal, dat Lucas in zijn Handelingen vertelt over het geschil over de vraag of Heidenen nu wel of niet besneden moesten worden en de spijswetten moeten naleven, lijkt het wel of Lukas opnieuw het proces van Jezus van Nazareth voor het Sanhedrin, de Hoge Raad van het Joodse Volk, beschrijft. Er is een twistgesprek en er treden twee getuigen op. Maar deze getuigen vertellen geen leugens zoals in het proces tegen Jezus van Nazareth maar controleerbare feiten, zoals voorgeschreven is. De eerste getuige is Petrus. Er is in de geschiedenis van de kerk nog wel eens geprobeerd een tegenstelling te vinden tussen Paulus, die onder de Heidenen het geloof verspreidde, en Petrus die dat onder de Joden zou doen. Nu in dit verhaal zijn Petrus en Paulus gelijk. Petrus vertelt nog eens hoe hij zelf de eerste was die een vertegenwoordiger van de Heidenen, de Romeinse centurio Cornelius, mocht dopen met de Heilige Geest. Hij had dat gedaan nadat hij een visioen had gehad waarin God juist de oude spijswetten van Mozes had opgeheven voor het omgaan met Heidenen. Die Cornelius die hield al het gebod om zijn naaste lief te hebben als zichzelf, de man was een zegen voor de Joodse gemeenschap waarin hij diende. En aan een man als Cornelius kunnen nog veel andere mensen een voorbeeld nemen.

Dat is bij uitstek de genade die door Jezus van Nazareth is verkregen. Het gaat er niet meer om of je zelf al die 163 geboden kunt houden en naleven. God vergeeft je alle overtredingen als je hem maar lief hebt boven alles en dat is dat je je naaste lief hebt als jezelf.  De tweede getuige in dit proces is Jacobus de broer van Jezus. Deze was het hoofd geworden van de gemeente in Jeruzalem. Jacobus beroept zich op de Hebreeuwse Bijbel. Jezus van Nazareth had immers bij herhaling gezegd dat hetgeen hij aan zijn volgelingen leerde ook te vinden was in de Tora en de Profeten. Welnu, de profeet Amos had gezegd dat de bevrijder van Israël, de Messias, er voor zou zorgen dat ook de Heidenen zouden gaan geloven in de God van Israël en dat daardoor uiteindelijk alle volken zich zouden keren naar Jeruzalem. Er staat niet dat ze Joden zouden worden. Er staat ook niet, en dat is later wel beweerd, dat ze de plaats in zouden nemen van Israël.  De boodschap van dit verhaal is dat we geen onderscheid tussen mensen van verschillende manieren van geloven moeten maken. Als men zijn naaste liefheeft als zichzelf, als men werkt aan het brengen van de hemel op aarde, als hongerigen worden gevoed, gevangenen bevrijd en bedroefden getroost, dan mag je op zoek naar het gemeenschappelijke, naar de aanbidding van de God van Israël. Wij hebben dat aan Jezus van Nazareth te danken, maar we moeten er ook zelf mee aan het werk.

Reacties

Handelingen 14:21-28

21  In Derbe verkondigden Paulus en Barnabas het evangelie en ze maakten er veel leerlingen. Daarna keerden ze terug naar Lystra en vervolgens naar Ikonium en Antiochië. 22  Ze bemoedigden de leerlingen en spoorden hen aan te volharden in het geloof, maar wezen hun erop ‘dat wij pas na veel beproevingen het koninkrijk van God binnen kunnen gaan’. 23  In elke gemeente stelden ze oudsten aan, en na gevast en gebeden te hebben bevalen ze hen aan bij de Heer, in wie ze hun vertrouwen hadden gesteld. 24  Na hun reis door Pisidië kwamen ze in Pamfylië, 25  waar ze in Perge de heilsboodschap verkondigden. Vervolgens reisden ze verder naar Attalia. 26  Van daar gingen ze per schip naar Antiochië, de stad waar ze aan Gods genade waren toevertrouwd toen hun de taak was opgelegd die ze nu hadden volbracht. 27  Daar aangekomen riepen ze de gemeente bijeen en brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht. Ze vertelden hoe hij voor de heidenen de deur naar het geloof had geopend. 28  Ze bleven nog geruime tijd bij de leerlingen. (NBV)

Vandaag lezen we het laatste gedeelte van de eerste zendingsreis van Paulus. Samen met Barnabas, aanvankelijk ook met Johannes Marcus, was hij vertrokken uit Antiochië in Syrië om via Cyprus naar Turkije te reizen. Ze hadden nogal wat meegemaakt, ze waren ziek geworden, weggejaagd, bespot, vereerd als goden, gestenigd en belasterd. Je zou zo denken dat Paulus en Barnabas er nu wel genoeg van zouden hebben en via de kortste weg terug zouden reizen naar huis. Niets is minder waar. We lezen het stuk van vandaag vaak als een soort routinestuk. Er moet immers een mooi eind aan een verhaal gebreid worden. Maar de verhalen in de Bijbel zijn geen sprookjes en die eindigen dus niet met ze leefden nog lang en gelukkig. Paulus en Barnabas, zo lezen we gaan eerst terug naar al die steden waar ze geweest waren en waar ze niet alleen niet altijd even vriendelijk waren ontvangen maar waar vandaan ook hun tegenstanders hen achterna gereisd waren om mogelijke aanhangers in andere steden tegen hen op te zetten.

Ze gingen terug naar Lystra waar ze bijna aanbeden waren als Zeus en Hermes, naar Ikonium en naar het Pisidische Antiochië. Daar waren dus echte christelijke gemeenten ontstaan. Tegenwoordig moeten we de kerken sluiten maar in die dagen vormden zich gemeenschappen van Joden en Heidenen die alles samen deelden, die bijeen kwamen om de Schriften te lezen, het brood te breken en de wijn te drinken. Gemeenschappen die er om bekend stonden dat zij voor de armen en de zieken zorgden, dat slaven daar als vrijen werden behandeld, dat broeders en zusters als in één huis tezamen woonden. De Oudsten hadden de leiding over zulke gemeenten en zorgden voor een goed verloop. Onze kerken kennen die saamhorigheid soms niet meer.  Veel van wat er gedaan wordt op grond van het evangelie wordt gedaan buiten de kerken, in schrijfgroepen van Amnesty, bezoekgroepen voor gevangenissen, aanloopcentra voor daklozen, eenzamen en verslaafden, vrijwilligersgroepen in ziekenhuizen en verpleegtehuizen, in Fair Tradewinkels, in de noodopvang en asielzoekerscentra voor vluchtelingen, in vakbonden en op tal van plaatsen waar mensen bezig zijn om aan een betere wereld  te werken. We vinden de verhalen in kerken vaak zo vanzelfsprekend dat we denken die niet meer nodig te hebben.

Maar de verhalen uit de Bijbel werpen een nieuw licht op onze samenleving, ze laten zien waarom dat werken aan die nieuwe wereld zo hard nodig is, ze maken daardoor dat we het werk vol kunnen houden en niet trappen in de valkuilen waarin vanouds de mens geneigd is te stappen. Dat geld ook voor dit verhaal. Want wie gaat er nu terug naar de plaats waar goed is gedaan maar het goede is afgewezen. Wie durft er nog te gaan naar de plaats waar je bedreigd werd vanwege de gemeenschap van mensen die het goede willen toch te ondersteunen. Dat voorbeeld van Barnabas en Paulus verdient ook in onze dagen op veel plaatsen navolging. Pas dan kunnen we ook thuis komen in onze eigen gemeenschap. Want één element van die gemeenten hadden we nog niet benoemd. Over het goede dat gebeurt mag je ook vertellen, dat mag je ook delen en een gemeenschap is nodig om dat te kunnen delen. Vandaag dus er aan werken en zorgen voor een gemeenschap van mensen die het goede doen en daarover met elkaar delen. Kerken genoeg om die gemeenschappen onder te brengen.

Reacties

Psalm 118:15-29

15  Hoor, gejubel om de overwinning in de tenten van de rechtvaardigen: de rechterhand van de HEER doet machtige daden, 16  de rechterhand van de HEER verheft mij, de rechterhand van de HEER doet machtige daden. 17  Ik zal niet sterven, maar leven  en de daden van de HEER verhalen:  18  de HEER heeft mij gestraft,  maar mij niet prijsgegeven aan de dood. 19 ¶  Open voor mij de poorten van de gerechtigheid, ik wil binnengaan om de HEER te loven. 20  Dit is de poort die leidt naar de HEER, hier gaan de rechtvaardigen binnen. 21  Ik wil u loven omdat u antwoordde  en mij de overwinning gaf. 22  De steen die de bouwers afkeurden is een hoeksteen geworden. 23  Dit is het werk van de HEER, een wonder in onze ogen. 24  Dit is de dag die de HEER heeft gemaakt, laten wij juichen en ons verheugen. 25  HEER, geef ons de overwinning, HEER, geef ons voorspoed. 26  Gezegend wie komt met de naam van de HEER. Wij zegenen u vanuit het huis van de HEER. 27  De HEER is God, hij heeft ons licht gebracht. Vier feest en ga met groene twijgen  tot aan de horens van het altaar. 28  U bent mijn God, u zal ik loven, hoog zal ik u prijzen, mijn God. 29  Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. (NBV)

Het gejubel van de Paasdagen klinkt ons vandaag bij het lezen van de tweede helft van deze Psalm nog in de oren. Niet zo vreemd want als de pelgrims na het Pesachfeest naar huis gingen dan zongen ze nog een keer de lofpsalmen die ze op de heenreis hadden gezongen en die ook bij de maaltijd van de ongezuurde broden hadden geklonken. In het verhaal van het nieuwe testament kennen we nog wel de opgang naar Jeruzalem als Jezus van Nazareth op ezel binnen rijdt en de mensen takken van de bomen rukken en op de grond uitspreiden alsof er een loper voor de koning wordt uitgelegd. Na de Pasen moet er eerst geloofd worden in dat ongelofelijke van de opstanding. Dan gaan er twee van Jeruzalem naar Emaüs en zien pas de werkelijkheid van de opstanding bij het breken van het brood met een vreemdeling die met hen opliep en ook de schriften bleek te kennen. Bij dat soort verhalen past ook dit tweede deel van deze psalm.

Die opstanding is immers een meer dan machtige daad. Dat je niet meer bang hoeft te zijn voor de dood maar mag leven of je eeuwig leeft en vorm mag geven aan de samenleving waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar recht en rechtvaardigheid zullen heersten dat is pas machtig. Over recht en rechtvaardigheid wordt hier dan ook gezongen. Het beeld van God als oude man met lange baard op een wolk is ons tegen gaan staan. De God van Israël gaat alle verstand te boven en die is wie hij verkiest te zullen zijn. Daar past geen plaatje op en geen plaatje bij. Toch wordt hier in menselijke termen over die God gezongen. Dan gaat het over zijn rechterhand die machtige daden doet. De rechterhand waarin de scepter van de koning ligt. Waar de duim van de Romeinse Keizer omhoog of omlaag wijst en aangeeft wie leeft en wie sterft. Als aardse koningen in hun rechterhand zulke macht hebben dan moeten ze zich wel beseffen dat de God van Israël daar een grotere macht heeft. Dat het onderdrukken van volken, dat geweld tegen hun eigen volk, uiteindelijk op de dood zal uitlopen en dat ook in hun landen recht en gerechtigheid zullen heersen. Het is ook de actualiteit van onze dagen.

De opstandelingen in het Midden Oosten zullen het met de psalm eens zijn als er gezongen wordt over wonderen. Dat een samenleving die tientallen jaren onder onderdrukking en onrecht heeft geleden toch kan opbloeien in recht en gerechtigheid is een wonder. Dat onze machtigen en rijken bang zijn voor het verlies van gemakkelijke inkomstenbronnen en het verdwijnen van wingewesten is ook duidelijk. Wij worden bang gemaakt met chaos en radicalisme. En chaos wordt het als het samen bouwen verdwijnt. Maar als zelfs de dood ons geen angst meer aanjaagt waarom chaos en radicalisme dan wel? Wij weten dat democratie samenleven en samen werken betekent. Wij weten dat ook in ons eigen land daar nog veel voor moet gebeuren. Wij weten dat ook bij ons het ontbreken van recht en gerechtigheid nog tot ongelukken en leed voert. Wij weten dat haat van vreemdelingen, dat het haten van een ander soort geloven onvruchtbaar is en bestreden moet worden. Wij kunnen dus samen optrekken met ieder die vecht voor recht en gerechtigheid. Dan klinken ook hier de lofliederen, nu zingen wij nog liederen van de toekomst, maar die komt elke dag dichterbij, ook vandaag weer.

Reacties

Psalm 118:1-14

1 ¶  Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. 2  Laat Israël zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw’ - 3  het huis van Aäron zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw’ - 4  wie de HEER vreest, zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw.’ 5  In mijn nood heb ik geroepen: ‘HEER !’   En de HEER antwoordde, hij gaf mij ruimte.  6  Met de HEER aan mijn zijde heb ik niets te vrezen, wat kunnen mensen mij doen? 7  Met de HEER, mijn helper, aan mijn zijde, kijk ik op mijn haters neer. 8  Beter te schuilen bij de HEER dan te vertrouwen op mensen. 9  Beter te schuilen bij de HEER dan te vertrouwen op mannen met macht. 10  Alle volken hadden mij ingesloten-  ik weerstond ze met de naam van de HEER - 11  ze sloten mij van alle kanten in-  ik weerstond ze met de naam van de HEER - 12  ze sloten mij in als een zwerm bijen  maar doofden snel als een vuur van dorens-  ik weerstond ze met de naam van de HEER. 13  Jullie sloegen mij en ik viel, maar de HEER heeft geholpen. 14  De HEER is mijn sterkte, mijn lied, hij gaf mij de overwinning. (NBV)

We zingen vandaag één van de zogenaamde Hallel psalmen, Loof de Heer liederen. Psalm 118 hoort ook bij de maaltijd die het Joodse Volk houdt sinds de uittocht uit Egypte om de uittocht te herdenken en opnieuw te beleven. Die maaltijd is in de Christelijke traditie overgegaan op het Avondmaal als herdenking en het opnieuw beleven van de uittocht uit de dood waarin Jezus van Nazareth ons is voorgegaan. Een Psalm dus die het meer dan waard is om met Pasen te lezen maar ook samen te zingen. Het is een Psalm van stem en tegenstem, hier zingen verschillende groepen deelnemers aan de maaltijd elkaar toe. Je kunt hierbij denken aan de maaltijden die in of nabij de Tempel moesten worden gehouden rond de grote feesten van Israël. Zo’n maaltijd moest je houden met je familie, de dienaren van de Tempel, de mensen die bij je werkten, de armen uit je omgeving en de vreemdelingen die bij je waren. En dan zing je het eerste vers samen, het tweede vers door iedereen uit Israël, het derde vers door de dienaren van de Tempel en het vierde vers door iedereen die daar wil bij horen. Het vijfde en zesde vers zijn dan voor de armen.

Zo kun je verder lezen. Zingen zou je kunnen doen uit het boek van de Psalmen zoals dat in het Liedboek voor de Kerken is opgenomen. Ook daar is het stem en tegenstem. Samen zing je steeds het refrein “Zijn liefde duurt in eeuwigheid” en om de beurt, solo of in groepen zing je de overige regels van het eerste couplet. Nu is het mooi om over voorspoed en vreugde te zingen maar het leven brengt ook tegenslag en ellende met zich mee. Ook daar zingt de Psalm over al lijkt het er op dat de zangers aan de Paasmaaltijd al die keren zijn vergeten dat ze tegenslag hadden, dat ze geen water hadden, bijna werden verslagen door vijanden, economische crises moesten overwinnen of te maken hadden met ziekten en ongevallen. Al die zaken staan in de Psalm wel genoemd, zeker in dit eerste gedeelte dat we vandaag lezen en wie verder zingt uit het Liedboek dan het eerste couplet zingt dan ook van de tegenslag die mensen overkomt.

Alleen vijanden kunnen worden weerstaan en bij tegenslag zet God je in de ruimte. Dat komt omdat gelovigen altijd blijven geloven dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komt. Een hemel en aarde waar de dood voorbij zal zijn. Dat is niet iets van een verre onbekende toekomst. De bevrijding begon met de uittocht uit de slavernij, de bevrijding voor Christenen begon met de opstanding uit de doden. In die geschiedenis mogen wij meedoen, dat geeft ruimte, ruimte om afstand te nemen van alle ongeluk en ellende die je overkomt. Je wordt bevrijdt van de gevolgen daarvan omdat je je handelen mag afstemmen op die nieuwe hemel en die nieuwe aarde. Daar zorgen mensen voor elkaar, daar offeren ze zich voor elkaar op. Dat mogen wij ook doen. Dan merken we dat we het leven als een geschenk hebben gekregen en dat we dat geschenk mogen vieren , elke dag weer. Dan is het elke dag Pasen, ook vandaag weer.

 

Reacties

Exodus 19:16-25

16 ¶  Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde. 17  Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. 18  De Sinai was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. 19  Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid. 20  De HEER was op de top van de Sinai neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven. 21  De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet te dichtbij komen in de hoop de HEER te zien, want dan zullen velen van hen het leven verliezen. 22  Ook de priesters, die gewoonlijk wel in de nabijheid van de HEER mogen komen, moeten op eerbiedige afstand blijven, anders zal de toorn van de HEER tegen hen losbarsten.’ 23  Mozes antwoordde de HEER: ‘Het volk kan de Sinai niet op gaan. U hebt ons immers zelf bevolen de berg af te grenzen en als heilig te beschouwen.’ 24  De HEER zei: ‘Ga naar beneden, en kom samen met Aäron weer terug. Maar de priesters en het volk mogen niet dichterbij komen, zij mogen de berg niet op gaan, anders zal mijn toorn tegen hen losbarsten.’ 25  Mozes ging terug naar het volk en bracht hun dit over. (NBV)

Het bliksemt en het dondert, de berg is in rook gehuld en vuur speelt rond de top. Na drie maanden naar deze berg te zijn getrokken en drie dagen na de aankomst, goddelijke tijden dus, mag Mozes de berg op om God te ontmoeten. Het volk niet, zelfs de priesters niet, alleen Aäron mag mee. De inwijding van een zootje slaven die op de vlucht zijn tot een volk dat een eigen bestaansrecht heeft zal diepe indruk maken. De beschrijving die de schrijver van het boek Exodus gekozen heeft lijkt op de beschrijvingen van grote en zware vulkaanuitbarstingen en wie de beelden heeft gezien van de stof en rook uitbarsting en het vuur van de vulkaan op IJsland die het hele Europeese vliegverkeer lamlegde kan zich iets voorstellen van wat het volk Israël daar diep in de woestijn Sinaï moest meemaken. Geen volk had zoiets meegemaakt maar uit alle verhalen over goden kon  je opmaken dat het moest het zoiets zijn als wanneer je jouw God zou ontmoeten. 

Nog altijd wordt op het Joodse Nieuwjaar, de Rosj ha’Sjana, de Ramshoorn geblazen, ooit ook een teken voor het volk om soldaten te sturen naar het bedreigde land. Een laag en doordringend geluid waar niemand omheen kan en niemand van kan zeggen dat het niet gehoord is. Het klinken opent de dag en weerkaatst tegen de berg, het moet op zich al ontzagwekkend geweest zijn. Dat is de omgeving waarin God tot zijn volk zal gaan spreken. Het volk weet het al, dit zal hun God zijn en zij zullen zijn volk zijn. Dit is de God die hen uit de slavernij van Egypte heeft bevrijd. Niet door een toevallige gebeurtenis, de slavernij was er zelfs door verergerd, maar een reeks rampen had het volk van Egypte getroffen, tot de dood van de eerstgeborene  toe. Dat had de macht van die God al duidelijk gemaakt. En nu stonden ze onderaan de berg te wachten op wat komen gaat. De berg zelf mogen ze niet op, ze moeten achter de omheining blijven, zelf de priesters van die God van Israël mogen die berg niet op. Ook de rechters en de oudsten niet die ze hadden aangesteld. Het volk is weer gelijk, er is niemand meer of beter dan de ander.

Alleen Mozes, die van begin af aan de schakel is geweest tussen het volk en de God van Israël mag tot die God naderen en zijn broer die van begin af aan de woordvoerder van Mozes is geweest en die de eerste priester was van de God van Israël. Zo wilde die God kennelijk zijn volk zien. Als een volk waarbij niemand meer was dan een ander. Geen koninklijk hof, geen priesterstand met een aparte status, geen edelieden die boven het volk uitstaken, een volk van gelijken, een volk dat alleen kon overleven als het samen optrok en samen deelde van wat het had. Een volk waar ieder voor de ander had te zorgen omdat er anders niemand de tocht door de woestijn zou overleven. Ze hadden vlees in de avond en brood in de morgen. Het dagelijks brood was hen genoeg. Ze hadden zes dagen om te verzamelen en voor hun bezit te zorgen, maar ze hadden één dag om aan het volk en zijn God te besteden, één dag om te rusten. Het is een volk dat met recht apart gezet genoemd kan worden. Zo’n volk kennen we niet meer. In alle volken komen sterken en zwakken, machtigen en onmachtigen voor, in alle volken zijn er belangrijke mensen en onbelangrijke mensen, behalve in het volk van God. Wij zullen daar, ook in de kerken, nog eens hard aan moeten werken, zouden we vandaag mee kunnen beginnen.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl