basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Spreuken 16:16-33

16 ¶  Hoeveel beter is het wijsheid te verwerven dan goud, hoezeer is inzicht te verkiezen boven zilver. 17 ¶  Wie oprecht is, mijdt de weg van het kwaad, wie zijn weg in het oog houdt, beschermt zijn leven. 18 ¶  Hooghartigheid gaat vooraf aan ellende, hoogmoed komt voor de val. 19 ¶  Beter in eenvoud leven met de armen dan de buit verdelen met hoogmoedigen. 20 ¶  Wie goed luistert, zal het goed vergaan, wie op de HEER vertrouwt, is gelukkig. 21 ¶  Wie wijs is van hart, wordt verstandig genoemd, wie op milde toon spreekt, heeft meer overtuigingskracht. 22 ¶  Inzicht is een bron van leven, dwazen worden met dwaasheid gestraft. 23 ¶  Wie een wijs hart heeft, spreekt verstandige woorden, en geeft kracht aan het betoog van zijn lippen. 24 ¶  Een vriendelijke uitspraak is een korf vol honing, zoet voor de ziel en gezond voor het lichaam. 25 ¶  Een mens denkt de juiste weg te gaan, terwijl hij eindigt bij de dood. 26 ¶  Een mens zwoegt omdat hij moet eten, het is de honger die hem dwingt. 27 ¶  Een nietsnut roept het kwaad op, wat hij zegt is een verzengend vuur. 28  Een vals karakter zaait voortdurend tweedracht, een lasteraar drijft vrienden uit elkaar. 29 ¶  Een boosdoener bedriegt zelfs zijn vriend, hij lokt hem op het slechte pad. 30  Wie heimelijk zijn oog dichtknijpt, heeft kwaad in de zin, wie zijn lippen samenperst, heeft het kwaad al gedaan. 31 ¶  De ouderdom is een prachtige kroon, je vindt hem op de weg van de rechtvaardigheid. 32 ¶  Beter een geduldig mens dan een vechtjas, beter zelfbeheersing dan een stad veroveren. 33 ¶  Men werpt het lot in een mantel, de HEER bepaalt hoe het valt. (NBV)

Ook een Koning heeft een wijze nodig die hem toespreekt, raad geeft, corrigeert als het verkeerd dreigt te gaan. In het verhaal van de Bijbel zijn het vaak de profeten die de Koning aanspreken op het onrecht dat in het land plaatsvindt, of zelfs dat de Koning zelf bedrijft omdat het hem goed uitkomt. Maar de schrijver van de Spreuken verbreedt het. De wijze is iemand die inzicht heeft in wat God wil, iemand die ziet dat je ook in het Openbaar Bestuur de minsten, de zwaksten voorop moet zetten. Daar gaat dit gedeelte uit het boek Spreuken ook over. De bereidheid om in het land te delen met elkaar, er voor te zorgen dat iedereen tot zijn of haar recht komt, dat iedereen kan meedoen en iedereen genoeg heeft om van te leven maken dat het land tot bloei zal kunnen komen, dat het Openbaar Bestuur zo handelt als de God van Israël van alle mensen vraagt. We moeten ons realiseren dat we steeds maar kleine stukjes uit de Bijbel lezen en daardoor de kans lopen de grote lijn uit het oog te verliezen. We lezen vandaag opnieuw een stukje "wijsheidsliteratuur" en het begin van alle wijsheid is het ontzag voor de God van Israël die de mens heeft opgedragen de naaste lief te hebben als zichzelf. Iemand die dat doet is een wijze, die heeft een wijs hart en spreekt dus verstandige woorden. Alle mooipraters dienen daaraan te worden gemeten.

Het gaat er dus niet om of er mooie taal wordt gesproken, of het logisch klinkt wat er gezegd wordt, nee de maat is of datgene wat er gezegd wordt iets gaat uitmaken voor de armsten onder ons, de minsten van het volk. Daarover iets te zeggen is vriendelijk in meest letterlijke betekenis van het woord. Zoals de God van Israël zich openbaart als een vriend van de armen zo zal elke spreker zich moeten bekennen tot die God. De wijze staat tegenover de dwaas. De mens die zelf wel weet waar het op uit loopt met zijn leven. En die mens heeft gelijk, we gaan allemaal dood en dan houdt het op. Zo lang we leven zullen we moeten zwoegen om te eten anders hebben we honger. Maar als je nergens en niets tot nut wil zijn en dus niet wil delen met wie niets heeft en dus hongert dan roep je het kwaad op, dan dwing je de hongerenden tot diefstal en misschien wel tot geweld, tot opstand waarbij de bezitter en de bezitloze alles verliezen wat er te verliezen valt. De egoïst zaait op die manier voortdurend verdeeldheid, drijft vrienden uit elkaar en bedriegt zelfs zijn vrienden.

Gedogen van deze zelfzucht, heimelijk een oog dichtknijpen, is zelf al meedoen aan het kwaad. Verlaat daarom de weg van het kwaad voordat het te laat is. Oude mensen worden vaak wijs genoemd omdat zij geleerd hebben dat je alleen van delen rijk kunt worden, dat vrede bewaren veel meer vreugde geeft dan onmin en onenigheid te zaaien. En heel af en toe staat er een grapje verscholen in de Bijbel. Probeer maar eens een paar dobbelstenen in een mantel te gooien die ze tegelijkertijd bedekt. Wat dan de worp is zal altijd in het duister blijven. Het openen van de mantel zal ook het opnieuw rollen van de stenen veroorzaken. Daarom is het onnut om uit het werpen van het lot de toekomst te voorspellen, alleen God weet de toekomst en als je dat gelooft dan weet je dat in de toekomst altijd de liefde verborgen is die op je wacht en eigenlijk nooit het onheil. Met angst hoeven we de toekomst dan ook niet tegemoet te treden. Wij mogen het bij vandaag houden, vandaag wachten de armen weer op onze zorg, wachten zwakken en zieken tot wij onze hand uitsteken. Dat mogen we van God elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

Reacties

Spreuken 16:1-15

1 Een mens stelt zich veel vragen, de HEER geeft het antwoord. 2  Een mens kiest in zijn eigen ogen altijd de juiste weg, de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt. 3 Vertrouw bij je werk op de HEER,  en je plannen zullen slagen. 4  De HEER heeft alles wat hij heeft gemaakt zijn doel gegeven, de goddelozen heeft hij voor de ondergang bestemd. 5 De HEER verafschuwt hooghartige mensen, ze worden hoe dan ook gestraft. 6  Zonden worden toegedekt door liefde en trouw, wie ontzag heeft voor de HEER mijdt het kwaad. 7   Als de weg die iemand gaat de HEER behaagt, doet hij zelfs zijn vijand vrede met hem sluiten. 8 Beter een schamel bezit, rechtvaardig verworven, dan een grote rijkdom, verkregen door onrecht. 9 Een mens stippelt zijn weg uit, de HEER bepaalt de richting die hij gaat. 10 De koning spreekt Gods oordeel uit, wanneer hij rechtspreekt, faalt hij niet. 11 De HEER bepaalt de maatstaf van het recht, hij stelt de gewichten en balans vast. 12  Koningen verfoeien goddeloosheid, rechtvaardigheid schraagt hun troon. 13 Een koning schept behagen in oprechte woorden, wie de waarheid spreekt, is hem dierbaar. 14  De woede van de koning is een bode van de dood, een wijze brengt hem tot bedaren. 15  Het stralende gezicht van de koning brengt leven, als een voorjaarsregen is zijn gunstbewijs. (NBV)

Vandaag lezen we uit het boek Spreuken. Op het eerste gezicht lijkt het een losse verzameling uitspraken te zijn, een soort spreekwoorden. Een deel van de teksten uit het boek Spreuken heeft haar weg dan ook gevonden naar onze taal als een spreekwoord. Het gebruik van die meeste spreekwoorden is zo versleten dat we ze nauwelijks meer herkennen en nauwelijks de betekenis als een Bijbelse boodschap in kunnen zien. Toch is het boek Spreuken geen spreekwoordenboek, zelfs geen verzameling. Het zijn stellingen met een grote samenhang die belangrijke thema's van elke samenleving behandelen. In de wandeling noemt men het boek Spreuken "wijsheidsliteratuur". Een filosofisch traktaat zouden we misschien tegenwoordig zeggen, geschikt voor de maand van de spiritualiteit. Er is over nagedacht en de resultaten van het overdenken van de samenleving vindt je terug in dit boek. Een boek dat ook zelf aanleiding geeft om te overdenken dus. Uitgangspunt is dat het begin van echte wijsheid het ontzag voor de God van Israël is. De God die de mensen uitdaagt hun naaste lief te hebben als zichzelf.

Die uitdaging bepaald ook deze inleiding op de rest van het boek. Hier begint iets nieuws. Het zal vervolgens gaan over de Koning. Nu had men in Israël een koning die de wetten maakte voor het land maar tevens de hoogste rechter was in het land en moest toezien op de handhaving van de godsdienst. In de geschiedenis van Israël, zoals beschreven in de boeken Koningen en Kronieken, kunnen we lezen hoe vaak koningen in Israël in de fout gingen, zowel met de wetgeving als de rechtspraak en zeker met de handhaving van de godsdienst. De verzen die we vandaag lezen voeren ons van de verhouding tussen God en mens naar de verhouding tussen Koning en zijn onderdanen. Voor Koning mogen wij tegenwoordig ook rustig regering en parlement lezen. Zij maken immers de wetten en moeten zorgen dat er rechtvaardig recht gesproken wordt en dat elke burger in het land tot zijn of haar recht kan komen.

Het zal niet verbazen dat ook het boek Spreuken de nadruk legt op het gaan van de Weg van de God van Israël. Je kunt als mens nog zoveel plannen maken of ze uitkomen moet je maar afwachten. Beter is je te richten op recht en gerechtigheid, op de zorg voor de armen, voor de minsten. Als je plannen maakt in de Geest van de God van Israël, plannen om de armoede uit je omgeving te bannen, plannen om te zorgen voor de minsten, dan zul je merken dat die plannen eigenlijk altijd slagen. Plannen om zelf rijk te worden willen nog wel eens mislukken, plannen om gelukkig te worden falen eigenlijk altijd, geluk komt altijd buiten jezelf om, meestal ondanks jezelf. Maar als je mensen, alle mensen, met liefde benaderd, dat willen vijanden zelfs wel instemmen met vrede. Daarom geldt voor de Koning wat voor ieder mens moet gelden, dat God de maatstaf geeft voor het recht, elke maatregel en elke wet zal in zich moeten hebben dat er sprake is van eerlijk delen en zorg voor de zwakste en de minste. Om te kijken of het waar is kan het boek Spreuken een handig hulpmiddel zijn. We mogen er gelukkig ook elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

 

Reacties

Psalm 66

1 Voor de koorleider. Een lied, een psalm. Heel de aarde, juich voor God, 2  bezing de eer van zijn naam, breng hem eer en lof. 3  Zeg tot God: ‘Hoe ontzagwekkend zijn uw daden, uw vijanden kruipen voor u, zo groot is uw macht. 4  Laat heel de aarde voor u buigen en zingen, uw naam bezingen.’ sela 5  Kom en zie de werken van God, zijn daden vervullen de mens met ontzag: 6  hij heeft de zee veranderd in droog land, zijn volk trok te voet door de rivier. Laten wij ons dan in hem verheugen: 7  machtig heerst hij voor eeuwig, zijn ogen waken over de volken. Laat niemand zich tegen hem verzetten. sela 8 Prijs, o volken, onze God, laat luid uw lof weerklinken, 9  hij heeft ons het leven gegeven en onze voeten voor struikelen behoed. 10  U hebt ons beproefd, o God, ons gezuiverd, gezuiverd als zilver, 11  ons in een vangnet gedreven, ons een zware last op de schouders gelegd. 12  Mensen zijn over ons heen gereden, wij zijn door vuur en door water gegaan, maar u bracht ons naar een land van overvloed. 13 Ik zal met offers uw huis binnengaan en doen wat ik u beloofd heb, 14  wat mijn lippen hebben toegezegd, mijn mond in nood heeft gesproken: 15  ‘Vetgemeste schapen zal ik u aanbieden, een geurig offer van rammen, ik zal stieren en bokken slachten.’ sela 16  Kom en hoor wat ik wil vertellen, ieder die ontzag heeft voor God, hoor wat hij voor mij heeft gedaan. 17  Toen mijn mond hem aanriep, lag een lofzang op mijn tong. 18  Had ik kwaad in mijn hart gevonden, de Heer had mij niet gehoord. 19  Maar God heeft mij gehoord, hij heeft geluisterd naar mijn gebed. 20  Geprezen zij God, hij heeft mijn gebed niet afgewezen, mij zijn trouw niet geweigerd. (NBV)

Zo, met deze psalm kunnen we er even tegenaan. De werken van God zijn groots. Nou niet denken dat het om individuen gaat, om een individuele redding, of vrede in je hart of zo, nee het gaat om de volken die de weg van God zouden moeten volgen. In deze dagen is dat wel extra belangrijk. We komen net uit de financiële crisis en als elk volk voor zich een oplossing probeert te vinden dan zijn er alleen oplossingen voor de sterksten, voor de rijksten en dat bedoelt deze Psalm dus echt niet. Alle volken op aarde zullen moeten opkomen voor de armen, voor de zwakken. De rijken moeten bereid zijn om werkelijk te delen, want pas als de hulp voor de armen op gang komt durven mensen in zee te gaan met plannen voor vrede. Die voorwaarden, die door dat slavenvolk in de woestijn werden ontdekt en die ze voortaan toeschreven aan hun bijzondere God, een God die met ze meetrok, die er voor iedereen was, en waarvan je je geen beeld kon vormen, die werken juist voor de armen en kunnen hen bevrijden van de ellende die ze is overkomen.

Het komt er op aan vol te houden. De volken van de aarde zullen werkelijk schouder aan schouder moeten gaan staan en bereid zijn ook internationaal de regels die ze samen opstellen te controleren en af te dwingen. Oude vijandschappen mogen daarbij niet tellen Je vijanden liefhebben zou Jezus dat ooit eens noemen en we weten hoe moeilijk dat is. Na meer dan 70 jaar is elk jaar de aanwezigheid van Duitsers bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog nog steeds een gevoelige zaak. We zullen dus naast de armen moeten blijven staan, niet bij elke oprisping van geweld roepen dat het bewijst dat het toch niet gaat, zo van "zie je wel". Zoals over de piraten en de chaos in Somalië zo gemakkelijk gezegd wordt.

De zwaarste straffen zijn aan piraten in Somalieland gegeven, maar dat land wordt door de westerse naties niet erkend en niemand weet waarom niet. Ondertussen zullen we nog steeds een proces van vrede en veiligheid in Afghanistan op gang moeten brengen. Daar gaat het nog steeds om een land dat klem zit in een oorlog tussen vijanden op basis van ideologie, de ene overtuiging tegen de andere. Gesprekken over en weer, respect voor opvattingen en zorg voor eerlijk delen zijn daar nog altijd niet aan de orde. Het kan wel, dat wat met God werd bereikt in de woestijn, dat wat de dichter van deze psalm tot zingen bracht, belooft dat ook in Afghanistan en al die landen waar oorlog woedt een begin van vrede kan worden gemaakt. Maar alle volken zullen mee moeten willen doen.

Reacties

Romeinen 4:13-25

Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen, maar door de gerechtigheid die het geloof schenkt. 14  Als men op grond van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15  De wet maakt namelijk alleen dat God straft, want zonder wet is er ook geen overtreding. 16  Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. 17 ¶  Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van vele volken gemaakt.’ En hij is dit ten overstaan van God, op wie hij vertrouwde, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. 18  Hoewel het eigenlijk niet kon, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’ 19  En zijn geloof verzwakte niet toen hij, ongeveer honderd jaar oud, besefte dat zijn krachten hem hadden verlaten en Sara niet langer vruchtbaar was. 20  Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God. 21  Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat hij had beloofd, 22  en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend. 23 ¶  En dit is niet alleen voor hem geschreven, 24  maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we geloven in hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt: 25  hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt omwille van onze rechtvaardiging. (NBV)

De brief van Paulus aan de Romeinen bracht de Duitse monnik Maarten Luther er in 1517 toe zijn stellingen te formuleren en aan de slotkapel van Wittenberg te spijkeren om een academische discussie uit te lokken. Het was het begin van het Protestantisme en een kerkhervorming die tot op vandaag de dag bestaat. Maar waar ging die discussie over en is die ook vandaag nog relevant? Bron van de discussie was de passage uit de brief die we vandaag lezen. "Rechtvaardiging door het geloof alleen" heet het in oude termen. Alleen als we vasthouden aan de droom van de rechtvaardige wereld dan zullen we die wereld ook in bezit krijgen schrijft Paulus. Het is de droom van Martin Luther King die blanke en zwarte kinderen hand in hand ziet lopen in een vruchtbaar land waar iedereen bij mag horen en alle kinderen gelijke kansen hebben om zich te ontwikkelen.

Het is de droom waar Barack Obama op hamerde in zijn eerste race naar de presidentsverkiezingen in Amerika. Het was de droom waaraan Abraham vast hield toen hij de belofte had een vader van vele volkeren te worden. Die droom van Abraham begon met één zoon. In de dagen van Maarten Luther was er de zogenaamde Roomse Kerk die beweerde dat zij alleen de rechtvaardiging kon verschaffen. Niet het geloof, het vertrouwen, op het uitkomen van die droom maar de beslissing van de Kerk. Daarvoor kon zelfs de kerk worden omgekocht. Als je genoeg betaalde kreeg je zelfs meer rechtvaardiging. Die kerk had verzonnen dat er een vagevuur zou zijn waar elke zonde uitgebrand zou moeten worden. Hoe meer je betaalde hoe korter je in dat vagevuur zou hoeven te blijven. Maarten Luther ontdekte dat het allemaal leugen en bedrog was. Paulus had immers geschreven dat alleen het geloof tot rechtvaardiging leidt en dat alleen God die rechtvaardiging kon geven. Daar komt geen kerk aan te pas.

Juist als je gelooft in de komst van de rechtvaardige samenleving, waar honger en dorst zijn gestild, waar tranen zijn gedroogd, waar blinden zien en lammen lopen kun je niet wachten om er mee te beginnen. Dat je soms moe wordt van al die mensen die het goede in kwaad veranderen door het goede in eigen winst en profijt om te zetten wordt je vergeven als je blijft vasthouden aan die droom. Elk moment mag je er weer opnieuw mee beginnen, niet omdat rechtvaardiging van jezelf het doel zou kunnen of moeten zijn maar omdat je het niet kan hebben dat ergens op de wereld nog een mens lijdt onder onrechtvaardigheid. Omdat we het niet kunnen hebben dat we onze samenleving zo inrichten dat niet iedereen mee kan doen en mee in onze rijkdom kan delen. Daarom slaan we ook vandaag weer de hand aan de ploeg, daar is nog rechtvaardiging genoeg voor.

Reacties

Romeinen 4:1-12

1 ¶  Wat moeten wij nu zeggen over onze stamvader Abraham? 2  Indien hij als een rechtvaardige zou zijn aangenomen op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God, 3  want wat zegt de Schrift? ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’ 4  Iemand die zijn loon verdient, krijgt het niet als een gunst maar als een recht. 5  Maar iemand zonder verdienste, die echter vertrouwt op hem die de schuldige vrijspreekt, wordt vanwege zijn vertrouwen rechtvaardig verklaard. 6  Zo prijst ook David de mens gelukkig die door God rechtvaardig wordt verklaard zonder dat hij enige verdienste heeft: 7  ‘Gelukkig is de mens wiens onrecht is vergeven, wiens zonden zijn bedekt; 8  gelukkig is de mens wiens zonden de Heer niet telt.’ 9 ¶  Prijzen deze woorden een besneden of een onbesneden mens gelukkig? We zagen al dat Abrahams vertrouwen hem werd toegerekend als een daad van gerechtigheid. 10  Maar wanneer gebeurde dat? Toen hij al besneden was of daarvoor? Het laatste, toen hij nog niet besneden was. 11  De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde. Zo werd hij de vader van alle onbesnedenen die geloven, zodat ook zij als rechtvaardigen konden worden aangenomen. 12  En hij werd eveneens de vader van hen die besneden zijn, althans van hen die zich niet alleen hebben laten besnijden maar ook onze vader Abraham volgen in het geloof dat hij als onbesnedene bezat. (NBV)

Joden en Moslims beschouwen zich als kinderen van Abraham. Ze zijn immers besneden. De mannenmacht is overgegaan op de ene Heer en als teken daarvan is hun mannelijkheid ingekort. In een oorlog was het ooit de gewoonte de voorhuid van de verslagen soldaten af te snijden als teken van buit en de grote van de overwinning. De besnedenen werden door hun besnijdenis onoverwinnelijk. Maar hoe moet het dan met de Heidenen die zich bij de Weg van Jezus van Nazareth aansluiten? Die besnijdenis was in de dagen van Paulus een belangrijk onderwerp. De discussie was in Rome opgelaaid na de terugkeer van Judeeërs die eerst verbannen waren geweest. Die werden geconfronteerd met een groot aantal Heidenen die zich ineens aan de Wet van de Liefde, van heb je naaste lief als jezelf, gingen houden. Moesten die Heidenen dan niet ook besneden worden? Volgens Paulus, daarin gesteund door de andere Apostelen, hoefde dat niet.

We spreken over Judeeërs omdat pas enkele eeuwen later de gelovigen uit Israël die Jezus van Nazareth niet erkenden gedwongen werden een eigen religie te vormen. Zij schreven de Talmoed en sindsdien kennen we naast het Christendom met veel stromingen ook het Jodendom met veel stromingen. Paulus probeert te onderbouwen dat de Heidenen uit de beweging van de Weg, de beweging van Christenen, zich niet hoeven te laten besnijden met het verhaal van Abraham. Die liet zich uiteindelijk besnijden toen hij in Kanaän een plaats had gevonden. Maar die was al op weg gegaan gedreven door een ervaring dat er een andere manier van leven mogelijk moest zijn als hij in Ur en later in Haran had ervaren. Een andere God had hem geroepen. Niet een God die bij een plaats of een land hoorde, maar een God die met hem meetrok en hem medemenselijkheid en erbarmen voorhield. Een God ook die niet vroeg om je zoon te offeren maar genoegen nam met een schaap, dat je vervolgens zelf mocht opeten. Het besef dat je het met die nieuwe manier van geloven moet wagen werd Abraham tot gerechtigheid aangerekend.

Abraham had geen beeld van die nieuwe God, had geen tempel, en aanbidden was er ook niet bij. Toch had die God onverwacht voor vruchtbaarheid gezorgd. Toen alle hoop op vruchtbaarheid verloren scheen was de zorg voor de vreemdelingen die langskwamen uitgelopen op nieuw leven, op een eigen zoon voor Abraham en Sara als begin van een groot volk. Zo zijn in de ogen van Paulus, Judeeërs, Joden. Moslims en gelovige Heidenen allemaal kinderen van Abraham. Die besnijdenis doet daarbij niet terzake. Het gaat om mensen die hun naaste lief hebben als zichzelf. Om mensen die bereid zijn te delen met de hongerigen, de naakten te kleden, de zieken te verzorgen, de armen te bevrijden. In dat Rome met zijn vele slaven viel het onderscheid tussen Jood en Heiden weg, maar ook het onderscheid tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, tussen arme en rijke. In die nieuwe gemeenschap van mensen van de Weg van Jezus van Nazareth waren geen vreemdelingen meer, alleen nog broeders en zusters. Gaan wij nog steeds diezelfde weg als kinderen van Abraham, samen met onze broeders en zusters?

Reacties

Romeinen 3:21-31

 21  Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar: 22  God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. En er is geen onderscheid. 23  Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God; 24  en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat hij ons door Christus Jezus heeft verlost. 25-26 Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Hiermee bewijst God dat hij rechtvaardig is, want in zijn verdraagzaamheid gaat hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan. Hij wil ons nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid bewijzen: hij laat ons zien dat hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft. 27  Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. En door welke wet komt dat? Door de wet die eist dat u hem naleeft? Nee, door de wet die eist dat u gelooft. 28  Ik heb u er immers op gewezen dat een mens wordt vrijgesproken door te geloven, en niet door de wet na te leven. 29  Is God soms alleen de God van de Joden en niet die van de heidenen? Zeker ook die van de heidenen, 30  want er is maar één God, en hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof als rechtvaardigen aannemen. 31  Stellen wij door het geloof de wet buiten werking? Integendeel, wij bevestigen de wet juist. (NBV)

Zo af en toe kom je in de brieven van Paulus van die ingewikkelde theologische teksten tegen. Je snapt er bijna niks van. Dat komt omdat Paulus vaak in zijn brieven in discussie ging met verschillende opvattingen. Je had de opvattingen van Romeinse en Griekse filosofen en je had de opvattingen van de verschillende Joodse stromingen. De meesten van ons hebben daarvoor niet doorgeleerd en dan blijven die stukken van Paulus eigenlijk gesloten. Toch zijn ze niet minder belangrijk. Ook in onze tijd zijn er van die stromingen die mensen geluk beloven als ze hun methode maar volgen. Zo is er een filosofie, een geheim zeggen ze zelf, dat mensen wijs maakt dat als ze sterk ergens aan denken het zal gebeuren ook. Als je nu je denken maar sterk genoeg maakt dan zal je alles lukken. Het is bijna zoals Paulus zegt, als je maar genoeg gelooft dan krijg je het vanzelf voor elkaar. Maar Paulus zegt nu juist dat je niet in jezelf hoeft te geloven. Je hoeft de kracht niet in jezelf te zoeken.

Geloof nu maar dat het aan Jezus van Nazareth is gelukt om het zelfs door de dood heen vol te houden dan krijg je vanzelf de moed om er weer opnieuw mee te beginnen. Juist omdat het Jezus van Nazareth is gelukt hoeven wij het niet op ons eentje te doen maar mogen we het samen opnieuw en opnieuw proberen. Die gedachten fantasie van die nieuwe stroming zal je daarom op de duur alleen maar teleurstellen. De Weg van Jezus van Nazareth gaat inmiddels al eeuwen en eeuwen door en heel langzaam dringt over de hele aarde tot alle mensen door dat ze samen voor elkaar in moeten staan en alles voor elkaar over moeten hebben. Telkens weer gaat dat mis en telkens weer worden er talrijke mensen het slachtoffer van dat mislukken en telkens weer mogen we er weer opnieuw mee beginnen om te ontdekken dat elkaar helpen, dat houden van je naaste als van jezelf, echt helpt om de grootste problemen te overwinnen.

Alleen maar gericht zijn op het krijgen wat je hebben wilt is dan eigenlijk maar een armzalig bezig zijn. Je bent toch immers veel rijker als iedereen het leven krijgt. Het najagen van bezit en geluk is najagen van lucht en leegte staat ergens anders geschreven. Als je zo de stukken van Paulus leest worden ze ineens een stuk helderder. We hoeven zelfs niet eens zo goed als Jezus van Nazareth te worden. Hem navolgen in het zien van de minsten onder ons is al genoeg. We hoeven er zelfs niet voor op onze borst te kloppen. Het kost niks om een ander mens recht te doen, daar hoeven we niet trots op te zijn of ons op te laten voorstaan. We hoeven er niets voor terug, zeker geen redding of zo, door het leven van anderen draaglijk te maken zijn we al gered van een leven in leegte en dood. We hoeven alleen maar blij te zijn dat het lukt om anderen lief te hebben en dat maakt ons rijk genoeg, oneindig rijk aan geluk namelijk.

 

Reacties

Romeinen 3:9-20

9  Wat betekent dit alles? Zijn we als Joden nu bevoordeeld? Niet in alle opzichten, want ik heb immers al heel duidelijk gemaakt dat allen, zowel de Joden als de andere volken, in de macht van de zonde zijn. 10  Zo staat er ook geschreven: ‘Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één, 11  er is geen mens verstandig, er is geen mens die God zoekt. 12  Allen hebben ze zich afgewend, heel de mensheid is verdorven. Er is geen mens die nog het goede doet, er is er zelfs niet één. 13  Hun keel is een open graf, hun tong is bedrieglijk, achter hun lippen schuilt het gif van een adder, 14  hun mond is vol vervloeking en venijn. 15  Ze haasten zich om bloed te vergieten, 16  brengen ellende en vernietiging. 17  De weg van de vrede kennen ze niet, 18  angst voor God kennen ze niet.’ 19 Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt alleen tot degenen spreekt die aan de wet zijn onderworpen. Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20  Daarom is voor hem geen sterveling onschuldig omdat hij de wet naleeft, want juist de wet leert ons de zonde kennen. (NBV)

Paulus lijkt aardig te kunnen doordraven. Er is geen mens die nog het goede doet beweert hij, helemaal niemand. Hij noemt de keel van de mensen een open graf, ze hebben een bedrieglijke tong en achter hun lippen schuilt het gif van een adder. Het is maar goed dat hij ook zichzelf daarin betrekt want zo zout hadden we het nog niet gegeten. Schrijft Paulus nu onzin? Dat ook weer niet, hij pepert de betweters in wat we eigenlijk al lang weten. Dat wat Paulus hier schrijft moeten we allereerst plaatsen in de strijd tussen de Judeeërs uit de gemeente en de Heidenen uit de gemeente. Veel Judeeërs beweerden dat je alleen behouden kon worden als je ook Judeeër werd, als je je dus liet besnijden en de strenge spijswetten ging houden. Paulus bestrijdt die opvatting. Juist als je Judeeër bent en opgevoed bent in de opvatting dat je de Thora van Mozes naar de letter moet houden loop je de kans in strijd te komen met de Thora. Volgens de Thora is het overtreden van de kleinste leefregel al overtreden van de hele Thora, dus het risico is groot.

Bovendien, wie weet wat overtreden is. De Rabbijnen hadden vastgesteld dat er voor elke wet wel 70 manieren waren om de Thora uit te leggen en al die manieren waren waar. Dus het nakomen van de Thora werd wel een heel moeilijke zaak en zo bezien was er niemand onschuldig. Aan de andere kant konden ook de Heidenen die de Weg van Jezus van Nazareth wilden gaan zich er niet mee af maken dat ze door van hun naaste te houden als van henzelf behouden zouden worden. Ze maakten zich van tijd tot tijd evengoed kwaad, ze zagen best wel eens iemand over het hoofd, ze deden echt niet aan iedereen recht, ze moesten toch ook vele malen per dag opnieuw beginnen met het houden van de naaste. Daarom stelt Paulus hier dat noch Judeeërs noch Heidenen zich er op kunnen beroepen God aan hun zijde te hebben. Maar als de hele wereld schuldig voor God staat moeten we er dan maar mee op houden? Moeten we erkennen dat ook de weg van de liefde doodloopt? Moeten we aannemen dat dat meetrekken van God met mensen die de armen willen bevrijden geen zin heeft, eigenlijk ook niet waar is?

In dit stuk van Paulus staat maar de ene kant. We lezen steeds maar van die kleine stukjes om ons bewust te maken van het hele verhaal. Dit stuk van het verhaal heeft twee boodschappen. Ten eerste de boodschap dat je je niet kunt beroepen op je kennis van de Bijbel. Hoeveel teksten je ook kunt citeren, het maakt je geen beter mens, hoeveel psalmen je ook kunt zingen, het maakt je er niet minder schuldig om in de ogen van God. Ten tweede dat je je ook niet kunt beroepen op je ijveren voor de armen en ontrechten in de wereld. Hoe hard je ook werkt voor Amnesty International of in de Fair Trade winkel, er zijn altijd mensen die je over het hoofd ziet. Er zijn altijd verkeerde politieke opvattingen waar je maar niet tegen in gaat. Iedereen moet elke dag weer vele malen opnieuw beginnen. Het mooie is dat het mag, dat je steeds opnieuw op weg mag gaan, en steeds weer meer mensen mag meenemen, ook vandaag weer. En het allermooiste is dat ondanks ons struikelen en stamelen die nieuwe wereld er zal komen, dat er een tijd komt dat er geen honger is, geen onderdrukking en oorlog, dat het overal vrede is. Ondanks ons mensen komt het, wij mogen er aan meewerken, nu al.

Reacties

Romeinen 3:1-8

1 ¶  Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men besneden is? 2  Zeer zeker, en in ieder opzicht. In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd. 3  Maar wat is daarvan de zin? Wanneer sommigen van hen God ontrouw zijn geworden, zal dat dan geen einde maken aan Gods trouw?  4  Natuurlijk niet. Ieder mens is onbetrouwbaar, maar God is betrouwbaar, zoals ook geschreven staat: ‘U blijkt rechtvaardig wanneer u rechtspreekt, u overwint wanneer u vonnist.’  5  Maar wanneer het onrecht dat wij doen bewijst dat God rechtvaardig is, is het dan niet zo-ik redeneer nu zoals anderen zouden doen-dat God onrechtvaardig is wanneer hij ons toch nog veroordeelt?6  Dat in geen geval. Hoe kan God anders rechter van de wereld zijn? 7  Maar wanneer door mijn onbetrouwbaarheid Gods trouw alleen maar toeneemt en daardoor ook zijn eer, waarom word ik dan toch nog als een zondaar veroordeeld? 8  Kunnen we niet beter het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Er wordt gezegd dat wij dat beweren, maar wie ons zo belastert zal zijn gerechte straf niet ontlopen. (NBV)

En als je dan steeds opnieuw mag beginnen, zoals we hier vrijwel elke dag schrijven, kun je er dan niet beter mee ophouden? Waarom je er vandaag druk om maken, om je naaste, als je dat morgen ook nog kan doen? Waarom het zorgen voor de naaste niet aan God overlaten, God is de zijnen toch trouw? Wij gaan toch steeds de fout in? Waarom dan je nog inspannen? Het zijn ook de vragen die Paulus naar zijn hoofd geslingerd krijgt. Hij krijgt ze van twee kanten. De Joden verwijten hem te weinig aan de Wet van Mozes vast te houden en de Heidenen verwijten hem steeds maar met die Joodse Wet aan te komen. Maar het antwoord is duidelijk. We hebben het over de Thora die ooit in de woestijn aan de Joden is gegeven met als hart van de Thora het heb je naaste lief als jezelf. Wie aan de vervulling van de Thora mee gaat doen hoort er bij en wie die als wet voorschrijft of naast zich neerlegt hoort er niet bij. De genade van God is dat je er bij mag horen en je steeds weer opnieuw kunt aansluiten.

Maar dat betekent niet dat je met dat aansluiten kunt wachten tot het jou uitkomt? Niemand weet wat er morgen komt, ja niemand weet dag of uur van sterven. En sterven is het uiterste. Op tal van plaatsen in de Bijbel wordt er op gewezen dat je naaste liefhebben ook kan betekenen dat je een naaste hebt die jou liefheeft op het moment dat je het het meeste nodig hebt. Als het in het leven tegenzit, als je ziek bent. Dan kunnen mensen die jij tot hun recht hebt laten komen er ineens onverwacht voor jou zijn. Je hoeft het niet te verwachten, je kunt er niet op rekenen maar soms heel onverwacht ervaar je hulp en steun waar je nu net niet op gerekend had. Daarom kun je ook niet meer zonder. Als je eenmaal de onbaatzuchtige liefde voor je naaste in jezelf hebt ontdekt, als je eenmaal de honger en dorst naar gerechtigheid hebt gevoeld dan weet je dat je zonder die liefde niet meer kunt.

Dan weet je ook dat je die honger niet meer kunt stillen en die dorst niet meer kan lessen door er maar op los te eten en te drinken. Zoals het meest losbandige carnaval in het teken staat van de vastentijd en daar onlosmakelijk mee verbonden is, is het leven van een gelovige in de Weg van Jezus van Nazareth onlosmakelijk verbonden met het delen van alles in het leven met de mensen die dat nu juist nodig hebben. Als je gericht bent op het goede en niets dan het goede dan komt het kwade niet eens meer bij je op. Pas als je terugkijkt op je handelingen dat merk je dat je weer mensen over het hoofd hebt gezien, dat je ondoordacht iemand gekwetst hebt misschien. Dan kun je niet rusten voordat je het goed hebt gemaakt, dan valt er niet te slapen voordat je het onrecht hebt hersteld. Het kwade doen in plaats van het goede is dan helemaal niet aan de orde, maar zelf weten we dat we evengoed te vaak onbetrouwbaar zijn. Juist omdat het ons om het goede gaat.

Reacties

Romeinen 2:17-29

17 En u die uzelf een Jood noemt, op de wet vertrouwt en u op God laat voorstaan; 18  u die zijn wil kent en zo uitstekend weet waar het op aankomt, omdat u wordt onderwezen door de wet; 19  u die ervan overtuigd bent dat u zelf een leidsman van blinden bent, een licht voor hen die in het duister zijn, 20  een opvoeder van onverstandigen, een leraar van onwetenden, omdat u in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid hebt 21  u die anderen onderwijst, onderwijst u uzelf eigenlijk wel? U zegt dat men niet stelen mag, maar steelt u niet zelf? 22  U zegt dat men geen overspel mag plegen, maar pleegt u zelf geen overspel? U verafschuwt afgodsbeelden, maar pleegt u zelf geen heiligschennis? 23  U laat u voorstaan op de wet, maar onteert God door de wet te overtreden, 24  want er staat geschreven: ‘Door uw toedoen wordt de naam van God onder de volken gelasterd.’ 25  Dat u besneden bent strekt u weliswaar tot voordeel wanneer u de wet naleeft, maar wanneer u de wet overtreedt bent u toch in wezen onbesneden. 26  En wanneer iemand die niet besneden is de voorschriften van de wet in acht neemt, zal hij dan door God niet als besneden worden beschouwd? 27  Wie onbesneden is gebleven maar zich aan de wet houdt, zal zijn oordeel vellen over u die, ook al hebt u de wet op schrift en bent u besneden, de wet overtreedt. 28  Jood is men niet door zijn uiterlijk, en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis. 29  Jood is men door zijn innerlijk, en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God. (NBV)

Je hebt ze ook tegenwoordig nog wel. De fatsoensrakkers die van alles over anderen te vertellen hebben en dat dan zogenaamd op grond van hun Christelijk geloof doen. Maar ondertussen werken ze er aan mee dat kinderen worden opgesloten in gevangenissen, alleen omdat hun ouders het land moeten verlaten. Accepteren ze de onrechtvaardige tolmuren, praten ze bombardementen op dorpen in Syrië en Irak goed en blijven ze bevriend met de regeringen die de doodstraf toepassen en daarmee hun eigen burgers vermoorden. In de dagen van Paulus was er een dergelijke strijd tussen Joden en Heidenen die allebei de weg van Jezus van Nazareth wilden gaan. Die Joden waren van huis uit opgevoed om de Wetten van Mozes tot op de letter vast te houden alsof het geen richtlijnen waren maar Romeinse Wetten. De Heidenen konden niet uit de voeten met die wetten van Mozes. Paulus had al vanaf het begin van zijn bekering door gehad dat het niet ging om die dorre regeltjes maar om het houden van je naaste als van jezelf.

Die regel konden Joden en Heidenen samen houden, daarin konden ze samen sterk zijn en in het houden van die regel konden ze samen iets van het Koninkrijk van God laten zien. Al het gebazel van mensen die het allemaal zo goed meenden te weten voor een ander werd door Paulus krachtig verworpen. Want ook al doe je je voor als uiterst fatsoenlijk, je kunt het nooit helemaal honderd procent goed doen. En dat hoeft ook niet. Paulus heeft het wel eens over groeien in geloof, iedere keer als je je weer bewust wordt hoe je iemand te kort doet, of hoe je iemand echt zou kunnen helpen, doe je een stap vooruit. Iedere keer als je je bewust wordt dat je weer gefaald hebt mag je opnieuw beginnen en ook dat besef van falen helpt je om te groeien in geloof. Daardoor groeit het vertrouwen dat het goed komt met de mensen. Niet door ze te veroordelen en te hoop te lopen tegen van alles dat je verkeerd vindt. Niet beginnen met het vragen van een verbod op het gedrag van de ander maar beginnen bij je eigen gedrag.

Steek je hand uit naar de ander en probeer het goede te doen en niet dan het goede.  Laten we onszelf onderwijzen en daarmee laten zien wat de Weg van Jezus van Nazareth is. Groeien gaat niet vanzelf, groeien gaat gepaard met groeipijn, soms met groeistuipen. Je moet er de juiste zaken voor weten te eten, elke dag weer, voor groei in geloof is het lezen van de verhalen uit de Bijbel en het samen er over praten zeer belangrijk, maar vooral het doen, het houden van je naaste als van jezelf, de hongerigen voeden, de naakte kleden. De tegenstelling tussen Wet en richtlijn wordt door Paulus verduidelijkt aan de hand van de besnijdenis. Je kunt besneden zijn en dan hoor je bij het volk van Israël. Maar als je vervolgens gaan roven en moorden en andere mensen leed aan doet dan is er geen verschil met een onbesnedene. Als je niet besneden bent dan ben je een Heiden, maar als je vervolgens de hongerigen te eten geeft en de dorstigen te drinken, als je mensen tot hun recht laat komen, dan verschil je niet van een volgeling van de Leer van Mozes, dan doe je wat Christus heeft onderwezen.  Dat doen kan elke morgen weer opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

Reacties

Romeinen 2:1-16

1 ¶  Natuurlijk, u veroordeelt dit alles. Maar u bent evenmin te verontschuldigen. Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf, want de dingen die u veroordeelt doet u zelf ook. 2  Wij weten dat God hen die dergelijke dingen doen terecht veroordeelt. 3  Of denkt u soms dat u, die zelf doet wat u in anderen veroordeelt, de straf van God kunt ontlopen? 4  Veracht u dan zijn onbegrensde goedheid, geduld en verdraagzaamheid, en weet u niet dat zijn goedheid u tot inkeer wil brengen? 5  Doordat u zo hardleers bent en niet tot inkeer wilt komen, maakt u dat de straf waartoe God u veroordeelt op de dag dat hij zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar zwaarder wordt. 6  God beloont ieder mens naar zijn daden. 7  Aan wie het goede doet en daarin volhardt, aan wie glorie, eer en onsterfelijkheid zoekt, schenkt hij het eeuwige leven. 8  Maar wie handelt uit geldingsdrang, de waarheid niet eerbiedigt en zich laat leiden door onrecht, straft hij met zijn toorn en woede. 9  Iedereen die het slechte doet wacht leed en ellende, de Joden in de eerste plaats, maar ook de andere volken. 10  Iedereen die het goede doet wacht glorie, eer en vrede, de  Joden in de eerste plaats, maar ook de andere volken. 11  God maakt geen onderscheid. 12  Allen die gezondigd hebben zonder de wet te kennen, zullen ook zonder de wet verloren gaan; en allen die gezondigd hebben terwijl ze de wet wel kennen, zullen door de wet worden veroordeeld. 13  Niet wie de wet slechts aanhoort zal voor God rechtvaardig zijn, maar wie de wet naleeft. 14  Wanneer namelijk heidenen, die de wet niet hebben, de wet van nature naleven, dan zijn ze zichzelf tot wet, ook al hebben ze hem niet. 15  Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist in hun hart geschreven staat; en hun geweten bevestigt dit, omdat ze zichzelf met hun gedachten beschuldigen of vrijpleiten. 16  Dit alles zal blijken op de dag waarop, volgens het evangelie dat ik verkondig, God door Christus Jezus oordeelt over wat er in de mens verborgen is. (NBV)

Je kunt stoer doen en alle foute zaken voortdurend veroordelen maar daar kom je niet verder mee. Natuurlijk veroordeel je het gebruik van geweld en het najagen van winst en profijt. Ook het gebruik van jezelf of een ander als object om lust te bevredigen kun je veroordelen en al helemaal het doen of nalaten van seksuele handelingen op grond van een zogenaamd religieus voorschrift. Maar al dat veroordelen brengt je niet verder. Paulus zegt hier zelfs dat dat veroordelen je op het zelfde niveau plaatst als die mensen die dat kwaad hebben gedaan dat je veroordeelt. Dat je die dingen veroordeelt is natuurlijk niet slecht, je moet ze zelf dus niet doen, maar slecht is dat je de mensen veroordeelt. De onbegrensde goedheid, het geduld en de verdraagzaamheid die de Liefde voor de mensen, dus die God, met zich meebrengt is in dat veroordelen van mensen niet aanwezig. Waar het om gaat is niet om het veroordelen van mensen maar het tot inkeer brengen van mensen. God roept mensen een andere weg in het leven te kiezen. God roept dus ook ons een andere weg te kiezen.

Als we blijven doorgaan met veroordelen van hen die het verkeerd doen dan worden we hooghartig en arrogant, dan zien we wel de splinter in het oog van de ander maar missen de balk in ons eigen oog. Wie immers onder ons is zonder zonde? Het gaat ons nog steeds om het goede te doen en niets dan het goede. Maar dat we onszelf niet beter moeten vinden dan een ander hoort er ook bij. Laat andere mensen tot hun recht komen, zoek uit wat hen op de verkeerde weg bracht en probeer ze op de goede weg te brengen. De verkeerde weg voert tot leed en ellende. Paulus wijst er op dat zijn eigen volk, de Joden, de Wet van de Liefde met de paplepel ingeschonken kregen, maar dat doet niet af aan het feit dat iedereen die verkeerd handelt uiteindelijk leed en ellende te wachten staat. Oorlog, leed, pijn in de buik van aandelenverlies, maagzweren van zorgen om het kapitaal en de veiligheid. Mensen die werkelijk willen delen met een ander hebben daar geen last van. Vrede en gerechtigheid wordt gebracht door het goede te doen. Er zijn tegenwoordig steeds meer mensen die zeggen dat je ook wel van je naaste kan houden als van jezelf zonder dat geloof en de daar bijhorende God nodig te hebben. Dat is natuurlijk ook zo, dat staat zelfs in de Bijbel in de passage die we vandaag lezen.

Nu is het niet zo dat de meeste mensen die dat vandaag zeggen helemaal niet van de Wet van de Liefde hebben gehoord, maar je kunt die richtlijn ook van nature naleven. Goed en kwaad zijn goed en kwaad daar hoeft geen God aan te pas te komen al kun je de maatstaf van God, de Liefde, er altijd naast leggen en zal er altijd een moment komen dat die maatstaf er ook naast gelegd wordt. Waarom hebben we die God dan nodig? Nou, wie door heeft hoe vaak je per dag fout zit in het toepassen van die richtlijn, in het houden van die Wet, is blij dat je elke keer een nieuwe kans krijgt om er opnieuw mee te beginnen. Zonder God loop je de kans de moed te verliezen en te gaan denken dat er toch geen redden aan die mensen is.  Geloven betekent oorspronkelijk vertrouwen. Vertrouwen dat het uiteindelijk goed zal komen met de mensen. Vertrouwen op God omdat het alleen goed kan komen met de mensen als je ze oneindig lief hebt, zelfs ondanks jezelf, zelfs tegen je eigen belang in. En het kan gevaarlijk zijn. Onbaatzuchtige liefde betoont in gebieden waar oorlog en geweld heersen, in streken waar de een zich uitnemender acht dan de ander, kan je lijfelijk in gevaar brengen. In onze samenleving is dat niet zo zichtbaar, maar wie een hand uitsteekt naar vreemdelingen zonder papieren zal het merken, wie een hand uitsteekt naar veroordeelden die hun straf hebben uitgezeten en weer een plaats in de samenleving moeten vinden kan het merken. Toch vraagt een samenleving van vrede en recht om mensen die elke dag weer opstaan om hun naaste lief te hebben, ook vandaag weer.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl