basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Numeri 9:15-23

15 ¶  Op de dag waarop de tabernakel met de verbondstekst was opgebouwd, werd hij overdekt door een wolk. Die avond was de wolk als een lichtend vuur boven de tabernakel te zien, en dat bleef zo tot de volgende morgen. 16  Zo was het voortdurend: de wolk overdekte de tabernakel en was ‘s nachts te zien als een vuur. 17  Telkens als de wolk zich van de tent verhief trokken de Israëlieten verder, en op de plaats waar de wolk stilhield sloegen ze hun kamp op. 18  Op bevel van de HEER trokken de Israëlieten verder, en op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op. Zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven ze op de plaats waar ze waren. 19  Bleef de wolk lange tijd boven de tabernakel hangen, dan braken de Israëlieten al die tijd niet op; ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER. 20  Soms bleef de wolk maar een paar dagen boven de tabernakel hangen. Ook dan sloegen ze hun kamp op wanneer de HEER daartoe bevel gaf en trokken ze weer verder wanneer de HEER het beval. 21  Soms ook bleef de wolk alleen van de avond tot de morgen. Als hij zich dan ‘s morgens verhief, trokken ze verder. Zodra de wolk zich verhief, of dat nu overdag gebeurde of ‘s nachts, trokken ze verder. 22  Rustte de wolk langere tijd boven de tabernakel-een paar dagen of een maand of nog langer-dan bleven de Israëlieten al die tijd op de plaats waar ze waren; pas wanneer hij zich verhief trokken ze weer verder. 23  Op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op, en op bevel van de HEER trokken ze verder. Ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER, die de HEER hun bij monde van Mozes gegeven had. (NBV)

Als je de Bijbel in stukjes leest, zoals we hier elke dag doen aan de hand van het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbel genootschap, dan loop je de kans de meest noodzakelijke informatie te missen en daardoor kan de boodschap van een gedeelte uit de Bijbel je gemakkelijk ontgaan. Zo lezen we vandaag het tweede gedeelte van het negende hoofdstuk uit het boek Numeri. Dit boek hoort  bij de eerste vijf boeken van de Bijbel. Daar staan verhalen en richtlijnen voor het opbouwen van een menselijke samenleving in het land dat overvloeit van melk en honing. De eerste zin van het gedeelte van vandaag zet veel geleerden op het verkeerde been. Het is duidelijk dat dit gedeelte één verhaal vertelt, er komt een wolk, die zich in de nacht als een vuur voordoet en als die wolk optrekt trekt ook het volk op en als die wolk het aangeeft dan slaat het volk weer een kamp op. Die wolk kwam er op de eerste dag dat de opbouw van de tabernakel was opgebouwd, een mooi beeld dus.

Maar als je het verhaal leest in het Hebreeuws waarin de Hebreeuwse Bijbel geschreven is dat stuit je toch op een paar verbazende opmerkingen. Wat de Nieuwe Bijbelvertaling als "Tabernakel" vertaalt heet in het Hebreeuws iets als de "Woning van de getuige, of getuigenis" Het verhaal over de opbouw van dit Heiligdom staat beschreven in het boek Exodus. Daar staat tot in het kleinste detail beschreven hoe dat Heiligdom er moet uitzien, wat er allemaal in moet staan en wie er wat mee mag doen. Ook als het volk onderweg gaat dan sleept het niet zomaar het Heiligdom mee maar er staat precies wie wat moet dragen en waar die dragers hun eigen tent moeten opslaan als het volk weer halt houdt. Maar in het boek Exodus heet dat Heiligdom "Tent der Ontmoeting" en dat is toch een iets andere naam. Het is alleen duidelijk dat er in die Tent geen beeld van een God staat, alleen een kist van acaciahout met daarin de tekst van het verbond dat tussen God en het volk was gesloten en op die kist een paar gouden figuren die het symbool waren van de bescherming van dat verbond.

Waar komt dat "getuige" nu vandaan? Daarvoor hadden we eigenlijk het eerste deel van het negende hoofdstuk moeten lezen. Daarin wordt verteld dat het volk voor het verder ging eerst de maaltijd herhaalde die het had gehouden op de avond dat ze uit het land Egypte waren gejaagd. Alle eerstgeborenen van Egypte waren die avond doodgegaan. Alleen bij de Hebreeën, die het volk Israël zouden vormen, ging de eerstgeborene niet dood. Zij hadden een lam geslacht, het vlees gebraden en het bloed aan de deurposten gesmeerd. Dat doden van die eerstgeborenen werd aan de God van die Hebreeuwse slaven toegeschreven en daarom werden ze het land uitgegooid. Die Hebreeën geloofden zelfs overigens ook in het ingrijpen van die God. Ze hadden broden gebakken zonder gist of zuurdesem zodat ze lang in de woestijn houdbaar zouden blijven. Met de maaltijd herdachten ze de bevrijding door God uit het land van de dood. Dat Heiligdom, die wolk, waren daar de getuige van. De bevrijding uit de dood was niet zomaar, dat hadden ze gekregen, daar hoefden ze niets anders te doen. Bij de maaltijd moesten ze delen, met de armen, met de vreemdelingen en zelfs met slaven en slavinnen. Dat delen is het belangrijkste voor het volk, zonder delen overleef je de woestijn niet. Voor ons geldt dat zonder delen onze samenleving tot een dodende woestijn wordt. God heeft ons genoeg gegeven om te delen. De Bijbel legt ons daarom ook een keuze voor, tussen leven en dood. Laten we dus opstaan en kiezen voor het leven. God gaat ons in een wolk vooruit.

Reacties

Spreuken 9:1-18

1 ¶  De wijsheid heeft zich een huis gebouwd, Haar zeven zuilen opgericht, 2  Haar vee geslacht, haar wijn gemengd, Haar dis ook bereid. 3  Nu laat ze haar dienstmaagden noden Op de hoogste punten der stad: 4  Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken. 5  Komt, eet van mijn spijzen, En drinkt van de wijn die ik mengde; 6  Laat de onnozelheid varen, opdat gij moogt leven, Betreedt de rechte weg van het verstand! 7  Wie een spotter vermaant, berokkent zich schande, En wie een booswicht bestraft, op hem komt een smet. 8  Ge moet geen spotter bestraffen, hij zal u erom haten, Bestraf een wijze, hij zal er u dankbaar voor zijn. 9  Deel mee aan een wijze: hij wordt nog wijzer, Onderricht een rechtvaardige: hij zal zijn inzicht verdiepen. 10  Ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid, Den Heilige kennen is inzicht. 11  Want door Jahweh worden uw dagen vermeerderd. Worden jaren van leven u toegevoegd. 12  Zijt ge wijs, ge zijt wijs tot uw eigen voordeel; Zijt ge eigenwijs, gij alleen moet ervoor boeten! 13 ¶  De dwaasheid is een wispelturige vrouw, Een verleidster, die geen schaamte kent. 14  Ze zit aan de deur van haar huis, In een zetel op de hoogten der stad; 15  Zij nodigt de voorbijgangers uit, Hen die recht huns weegs willen gaan: 16  Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken! 17  Gestolen water is zoet, Heimelijk gegeten brood smaakt lekker! 18  Maar men vermoedt niet, dat de schimmen daar wonen, Dat haar gasten diep in het dodenrijk komen! (NBV)

Wie een wijze berispt schenkt wijsheid. Het heeft dan ook niet zo veel zin om dwazen terecht te wijzen. De scheldwoorden tegen de dwazen vliegen ons om de oren, tevergeefs, de scheldwoorden onder het mom van vrijheid van meningsuiting sterken de dwazen in hun dwaasheid. Dwazen zijn overigens te herkennen aan het onrecht dat van de dwaasheid afdruipt. Zou God zelf de Wijsheid zijn? Het boek Spreuken zet ons met deze vraag vaak te kijk en ontmaskerd daarmee de dwaasheid van hen die over God menen te kunnen spreken. In het boek Spreuken wordt de Wijsheid consequent als vrouwelijk aangeduid. Er wordt zelfs gesproken over Vrouwe Wijsheid. In dit stuk ook, de vrouw van het aardse huis bereid een maaltijd, alles staat klaar om te komen eten, en wie inzicht heeft komt natuurlijk bij de wijsheid zich laven aan alles wat goed is.

Maar God is toch een man? God wordt vaak voorgesteld als een man dat is waar. In één van de beroemdste schilderingen die er naar de Bijbel zijn gemaakt, het plafond van de Sixtijnse Kapel geschilderd door Michel Angelo, is God een oude man met een baard die zijn hand naar de mens uitsteekt. Dat is een beeld dat Christelijke en soms ook Joodse gelovigen graag hanteren, maar het is niet het beeld dat de Bijbel schetst. Vanaf het begin dat er een volk met God op pad ging was de eerste afspraak dat er geen beelden van God gemaakt zouden worden. Het eerste dat fout ging was dan ook dat ze God gingen zien als een vruchtbaar kalf en daar een beeld van maakten. Het enige dat we in de Bijbel over God leren is dat God de mensen oneindig liefheeft en dat die mensen dat ook moeten doen. Dat het draait om het liefhebben van de mensen.

Er is een aardige uitleg in de Joodse godsdienst over de vraag waarom vrouwen geen deel hebben aan de dienst in de Synagoge. Vrouwen zo wordt gezegd kennen de Torah, de Wet van God, van nature, mannen moeten er hun hele leven voor studeren en snappen het dan nog niet. Alleen wijzen leren ervan berispt te worden.  "Gestolen water is verrukkelijk, geroofd brood is een lekkernij" klinkt het. Verboden vruchten smaken het lekkerst. En dat gaat over de rijken die, door Vrouwe Dwaasheid verleid, tot hebzucht komen en winst op winst stapelen.  Maar wat de een verdient moet de ander betalen en de vraag is niet hoe je het kan krijgen maar hoe je het eerlijk kan verdienen, ten koste van wie het eigenlijk gaat. Bij de bewegingen die pleiten voor een eerlijke handel zie je dat duidelijk. Kinderarbeid, slavenarbeid van kinderen, uitbuiting en exploitatie van vrouwen zijn de oorzaken van goedkope kleding, heerlijke chocolade, mobiele telefoons en noem maar op. Oorlog, hongersnood, vluchtelingen en asielzoekers zijn het gevolg en het is helemaal niet zo moeilijk in te zien dat eerlijk delen tot meer geluk en welvaart voert en dat genieten van gestolen goed je tot het dodenrijk doet afdalen. Gewoon vragen waar de spullen bij het grootwinkelbedrijf  of de goedkope kledingwinkel vandaan komen dus.

 

Reacties

Spreuken 8:22-36

22 ¶  De HEER heeft mij vóór al het andere verworven, toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij. 23  Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was, nog voor de aarde vorm kreeg. 24  Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht, nog voor de bronnen met hun waterstromen. 25  Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd ik voortgebracht, nog voor er heuvels waren. 26  De aarde en de velden had de HEER nog niet geschapen, geen korrel zand was nog gemaakt. 27  Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf en een cirkel om het water trok, 28  de wolken aan de hemelkoepel plaatste, de oceanen bruisend op liet wellen, 29  toen hij aan de zeeën grenzen stelde, het water met zijn woord zijn plaats gaf, de fundamenten van de aarde legde. 30  Ik was zijn lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw. Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid, 31  vond vreugde in zijn hele aarde en was blij met alle mensen. 32 ¶  Nu dan, zonen, luister naar mij, gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft. 33  Luister naar wat ik je leer, en word wijs, negeer mijn lessen niet. 34  Gelukkig is elk mens die naar mij luistert, dag in dag uit bij mijn woning staat, de wacht houdt bij mijn deur. 35  Want wie mij vindt, vindt het leven, en ontvangt de gunst van de HEER. 36  Wie aan mij voorbijgaat, doet zichzelf veel kwaad, wie mij haat, bemint de dood. (NBV)

Veel mensen vragen zich af waarom we er eigenlijk zijn. Je wordt geboren, groeit op, velen stichten een gezin, voeden kinderen op, die zelf ook weer opgroeien en op zichzelf gaan wonen, en dan wordt je oud en je sterft. Zo ongeveer hopen we dat het gaat, al zijn er die een gezin stichten zonder kinderen, of alleen blijven, maar eerder dood gaan dan van ouderdom willen we bijna allemaal niet. Dat leven zal toch een zin moeten hebben. Het moet toch ergens voor dienen. In een godsdienst is de zin van het mensenleven vaak dat de God wordt gediend. In veel godsdiensten is het dan zo dat de God de mensen heeft gemaakt om gediend te worden en die God wordt boos als dat dienen wordt verwaarloosd, vergeten of niet goed gedaan wordt. Bovenstaand spreukenhoofdstuk leert ons iets anders. Voor alles was er de Wijsheid, het inzicht, en daarmee of daarvoor werd alles gemaakt.

De zin van het leven ligt dus verborgen in die wijsheid. En die wijsheid is eigenlijk heel eenvoudig. Jezus zal ooit eens zeggen dat die wijsheid kinderlijk eenvoudig is, je moet zelfs worden als een kind. Alles draait om de liefde. De liefde voor mensen, bij uitstek voor de zwaksten, de onmondigen, de slaven, de verdrukten. "We zijn toch op de aarde om te helpen nietwaar" was een grappige hit geschreven door Eli Asser maar raakt de boodschap van Spreuken in het hart. Het uitvoeren, en vooral het volhouden is minder eenvoudig dan het lijkt. Voordat je voldoende machthebbers in beweging hebt om de hongerenden in zuidelijk Afrika te helpen bijvoorbeeld kan lang duren. Het Rode Kruis is daar inmiddels mee begonnen en heeft een apart gironummer geopend. Spreuken zegt  dat de zorg voor de minsten, het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten, mensen tot hun recht laten komen het leven zelf is. Wat niet liefheeft is dood.

We zien God graag als een God die hoog in de hemel troont en ver weg is. Als we het verkeerd doen, straft hij en aangezien we het nooit goed kunnen doen worden we altijd gestraft. Het deel van Spreuken dat we dezer dagen lezen zegt het anders. De Wijsheid, het inzicht, was altijd al bij God maar roept nu tot ons op de hoeken van de straten. Ze bevraagt ons, wat is de zin van het leven is de eerste vraag. Zorgen dat dit een leefbare wereld voor mensen wordt is het antwoord. Daar was die God immers mee begonnen. Om te  beginnen schiep God de hemel en de aarde zijn de eerste woorden van de Bijbel en als die aarde van een woeste chaos tot een geordende leefbare wereld is geworden krijgt de mens daarover de verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat we geen mensen van honger laten sterven, brengt met zich mee dat mensen niet worden onderdrukt en uitgebuit, brengt met zich mee dat mensen niet hoeven te vluchten voor oorlog geweld, brengt met zich mee dat ook vreemdelingen als broeders en zusters worden begroet. Het is dichterbij dan je denkt en zo moeilijk is het ook niet.

Reacties

Spreuken 8:1-21

1 ¶  Roept Wijsheid niet, laat Inzicht haar stem niet horen? 2  Wijsheid heeft zich opgesteld op een heuvel langs de weg,  bij het kruispunt van de wegen. 3  Bij de poorten van de stad, bij de ingang, bij de toegangswegen klinkt haar stem: 4  ‘Mensen, tot jullie roep ik, ik richt mij tot iedereen. 5  Onnozele mensen, word toch eens verstandig, dwazen, denk eens na! 6  Luister, ik vertel je waardevolle dingen, mijn woorden zijn oprecht. 7  Mijn mond verkondigt slechts de waarheid, mijn lippen haten onbetrouwbaarheid. 8  Op mijn uitspraken kun je vertrouwen, niets is vals en krom. 9  Wie inzicht heeft vindt ze duidelijk, ze zijn eenvoudig voor wie kennis heeft verworven. 10  Stel mijn lessen boven zilver, mijn kennis boven zuiver goud. 11  Wijsheid is kostbaarder dan edelstenen, alles wat je ooit zou kunnen wensen valt bij wijsheid in het niet.’ 12 ¶  Ik, Wijsheid, ik woon bij Beraad, door overpeinzing vind ik kennis. 13  Wie ontzag heeft voor de HEER haat het kwaad. Ik verafschuw trots en hoogmoed, leugens en het kwaad. 14  Bij mij vind je beraad en overleg, ik heb inzicht, ik heb kracht. 15  Door mij regeren koningen, bepalen heersers wat rechtvaardig is. 16  Vorsten heersen dankzij mij, ik laat leiders rechtvaardig regeren. 17  Wie mij liefheeft, heb ik ook lief,  wie mij zoekt, zal mij vinden. 18  Rijkdom en eer zijn mijn bezit, duurzame weelde en gerechtigheid. 19  Wat ik je geef is kostbaarder dan het zuiverste goud, ik bied iets dat meer is dan het fijnste zilver. 20  Ik ga de weg van de rechtvaardigheid, ik volg de paden van het recht 21  om rijk te maken wie mij liefheeft, om zijn schatkamers te vullen. (NBV)

Uren kun je zoeken naar de oplossing van een probleem, plotseling dringt die oplossing zich op en je realiseert je dat de oplossing eigenlijk al die tijd al voor de hand heeft gelegen. Het roept je als het ware toe. Hoe heb je zo stom kunnen zijn dat je het voor de hand liggende niet hebt gezien. Het overkomt ons allemaal wel eens. De dichter van het Bijbelboek Spreuken wijst ons er nog eens op. De wijsheid roept het uit op het kruispunt van de wegen, bij de poorten van de stad. Je zou er bijna over struikelen. En wat roept de wijsheid dan wel niet? Dat God liefhebben boven alles gelijk is aan je naaste liefhebben als je zelf. En dat het dus eigenlijk heel eenvoudig is om heel veel ellende tussen mensen te voorkomen. "De poorten van de stad" staat er overigens niet zomaar als trefpunt van veel mensen, het was ook de plaats waar recht werd gesproken. En echt recht sluit mensen in en niet uit. Vrouwe Wijsheid roept uit dat we juist de mensen moeten liefhebben. We zullen vandaag daarom  aan een inclusieve samenleving moeten werken, waar mensen gekend, gezien en gewaardeerd worden.

 De Wijsheid is hier vrouwelijk. De Wijsheid is altijd  vrouwelijk, de wijsheid zorgt er immers voor dat de zorg voor de minsten voorop kunt staan. Elders in de Bijbel heet dan handelen in de Geest van God, in het Nieuwe Testament is het handelen in de Geest van Jezus van Nazareth. Die Geest is vrouwelijk. Mannen hebben in de geschiedenis altijd de illusie weten te wekken dat het gelijk altijd aan hun kant staat. Dat is dus niet zo. God is net zo goed vrouwelijk als mannelijk en wat wij in het dagelijks leven van God merken, zeker als we ons leven door God laten sturen, dat is de vrouwelijke kant van God. Dit gedeelte van Spreuken doorbreekt ook de gedachte dat je al filosoferend zelf wel tot de waarheid kan komen, je eigen menselijke rede zou de meest verstandige oplossingen bieden. Volgens dit hoofdstuk uit Spreuken is niets minder waar. Wil je tot redelijke oplossingen komen voor problemen zul je moeten luisteren, naar het Woord van God, lezen in de Tora dus, maar ook naar anderen die geluisterd hebben naar het Woord van God. Zoals Vader, Zoon en Heilige Geest een familie vormen zo is Wijsheid alleen familiaal te verkrijgen.

Er zijn in het gedeelte van vandaag een paar gedeelten waar we voor uit moeten kijken. Misverstanden zijn snel geboren. Als je de paden van het recht volgt zou je rijk kunnen worden zou je er in kunnen lezen. Maar wat is rijkdom? Jezus van Nazareth zei eens tegen zijn leerlingen dat ze geen schatten op aarde moesten verzamelen maar schatten in de hemel. Het volgen van de Wijsheid maakt geen mensen rijk maar maakt God rijk, rijk aan eer, rijk aan aanbidding. Wie deze Spreuken in het Hebreeuws kan lezen zal het opvallen dat  vers 11 begint met HEER en vers 21 eindigt met mens. Daartussen ligt de bedoeling van dit gedeelte. Het gaat over de verhouding tussen God en mens. En in die verhouding doet God de mensen recht als mensen elkaar recht doen. En bij recht doen aan mensen hoort geen hooghartigheid, hoort geen trots, horen geen leugens en kwaad. De Wijsheid laat daarom ook koningen en machthebbers regeren. Als ze werkelijk hun onderdanen tot hun recht weten te laten komen dan krijgen ze de vrede van God. Als ze de minsten en de kanslozen wegstoppen in verwaarloosde wijken waar ze weinig kans hebben op werk, opleiding en een toekomst voor de kinderen dan krijgen ze opstand en geweld. Voor we handelen moeten we dus eerst bij de Wijsheid te rade gaan. Wijsheid is immers kostbaarder dan edelstenen, kostbaarder nog dan de blauwe Oppenheimer, en ze is voor iedereen beschikbaar, elke dag weer.

 

Reacties

Psalm 29

1 ¶  Een psalm van David. Erken de HEER, o goden, erken de HEER, zijn macht en majesteit, 2  erken de HEER, de majesteit van zijn naam, buig u voor de HEER in zijn heilige glorie. 3  De stem van de HEER boven de wateren, de God vol majesteit doet de donder rollen, de HEER boven de wijde wateren, 4  de stem van de HEER vol kracht, de stem van de HEER vol glorie. 5  De stem van de HEER splijt ceders, de HEER splijt de ceders van de Libanon. 6  Opspringen doet hij de Libanon als een kalf  en de Sirjon als het jong van een wilde stier. 7  De stem van de HEER ontbrandt in vurige vlammen, 8  de stem van de HEER brengt de woestijn tot beven, beven doet de HEER de woestijn van Kades. 9  De stem van de HEER doet de hinden kalven en de geiten hun jongen werpen. Majesteit! roept heel zijn paleis. 10  De HEER heeft zijn troon boven de vloed, ten troon zit de HEER als koning voor eeuwig. 11  De HEER zal macht aan zijn volk verlenen, de HEER zal zijn volk zegenen met vrede. (NBV)

Vandaag zingen we mee met een Psalm die begint met een oproep aan de goden. Zijn die er dan? We geloven toch dat er maar één God is? Vertalers hebben het dan ook lang moeilijk gehad met de vertaling van het Hebreeuwse origineel. In de Statenvertaling gaat de oproep uit naar de “kinderen der machtigen”, in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 staat “hemelingen”, ook leest men wel “zonen van God” of “zonen van goden” en in de Groot Nieuws Bijbel zelfs “leden van het hemelse hof”. Maar zoals een dominee uit Zeeland eens treffend opmerkte: je hoeft niet in een god te geloven om die god te aanbidden. Wij kennen vele goden, de goden van winst en profijt voorop. Wat aan die goden allemaal wel niet geofferd moet worden. En dan zijn er nog de geesten en machten met wie we denken te kunnen communiceren via geestenfluisteraars en mediums. Ook maken we onze carrière soms tot een god, of ons bezit, of ons huis, of zelfs onze auto.

De psalmdichter heeft dat haarfijn aangevoeld en roept ons op om al die zogenaamde goden in dienst te stellen van de God van Israël. Want niet die goden hebben macht over ons, uiteindelijk hebben wij macht over al die zogenaamde goden. Die macht krijgen we pas echt als we de God van Israël als Heer erkennen. Dan zien we in dat wij zelf die goden maken die ons leven beheersen. De god van de agenda, de god van de telefoon, de god van de sociale media die ons elke ogenblik vertellen waar ons mee bezig te houden, de god van meer en hoger en beter. Wij zijn de baas over die goden. Want de God van Israël geeft ons de macht om alles wat we bereiken te delen met de mensen die het in het leven niet kunnen bereiken. Die God geeft ons de macht onze naaste lief te hebben als onszelf.

En zeg nu zelf, van al die goden die we in de samenleving tegenkomen gaat toch geen liefde uit? Die goden maken mensen tot slaven, die drijven mensen voort, die maken mensen kapot als het nodig is, die goden leiden alleen tot de dood. De God van Israel bevrijdt ons daarvan. Die wil niet meer en niet anders van ons dan dat we onze handen uitsteken naar de mensen die het nodig hebben. Dat we luisteren naar de roep van hongerenden, de klacht van de verdrukten in de wereld, de klop op onze deur van vluchtelingen. De beelden die we in deze Psalm tegenkomen zijn beelden die ook voorkomen in liederen die in de volken werden gezongen die Israël omringden. Daar werd gezongen over de angst voor het onweer, daar werd gezongen over de noodzaak de god van de vruchtbaarheid gunstig te stemmen. Die angst is overbodig, de God van Israël bevrijdt van die angst voor de natuur, voor vreemdelingen en voor je vijanden. Vruchtbaarheid krijg je pas als je deelt. Daarom kunnen we altijd deze Psalm meezingen, zelfs als het donker is.

 

Reacties

Ruth 4:1-22

1   Boaz was intussen naar de poort gegaan en daar gaan zitten. Toen kwam de man voorbij van wie hij gesproken had-zijn naam is niet van belang-en hij zei: ‘Kom hier even bij me zitten.’ De man deed wat hem gevraagd werd. 2  Ook vroeg Boaz tien stadsoudsten plaats te nemen, en ook zij gingen zitten. 3  Toen zei hij tegen de man die ook als losser kon optreden: ‘Het stuk land van onze broeder Elimelech wordt door Noömi, die teruggekeerd is uit Moab, verkocht. 4  Ik meen dan ook u het volgende te moeten meedelen: U kunt het stuk land kopen ten overstaan van de hier aanwezigen en ten overstaan van de oudsten van het volk. Als u van plan bent uw rechten te doen gelden, dan kunt u dat doen, zo niet dan moet u mij dat laten weten. U bent de eerste die hiervoor in aanmerking komt, en ik kom na u.’ ‘Ik zal mijn rechten doen gelden, ‘zei de man. 5  Daarop zei Boaz: ‘Wanneer u het stuk land koopt van Noömi, koopt u het ook van Ruth, de weduwe uit Moab, en zal de naam van haar overleden man voortleven op zijn land.’ 6  Toen zei de man: ‘Dan kan ik mijn rechten niet doen gelden, want dat zou ten koste gaan van mijn eigen familiebezit. Neemt u het maar van mij over, want ik kan het me niet veroorloven. 7-8 Koopt u het land maar!’ en hij trok zijn sandaal uit. (Als vroeger een dergelijke koop of ruil rechtsgeldig gemaakt moest worden, bestond er in Israël het gebruik dat men zijn sandaal uittrok en die aan de ander gaf. Zo werd een dergelijke zaak in Israël bekrachtigd.)9   Daarop sprak Boaz tot de oudsten en alle anderen die daar waren: ‘U bent er vandaag getuige van dat ik van Noömi het gehele bezit van Elimelech en dat van Kiljon en Machlon koop. 10  Daarmee neem ik ook Ruth tot vrouw, de Moabitische, de vrouw van Machlon, om de naam van haar overleden man te laten voortleven op zijn land. Zo zal zijn naam niet verloren gaan bij zijn verwanten en de inwoners van de stad. U bent daar vandaag getuige van.’11  ‘Ja, ‘zeiden de oudsten en allen die bij de poort aanwezig waren, ‘daarvan zijn wij getuige. De HEER geve dat de vrouw die in uw huis komt zal zijn als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël groot hebben gemaakt, zodat ook u groot zult zijn in Efrata en uw naam in Betlehem zal voortbestaan. 12  Moge uw huis worden als het huis van Peres, de zoon van Tamar en Juda, en wel door de kinderen die de HEER u bij deze jonge vrouw zal geven.’ 13   Daarna nam Boaz Ruth bij zich, zij werd zijn vrouw, en hij sliep met haar. De HEER liet haar zwanger worden en ze baarde een zoon. 14  De vrouwen zeiden tegen Noömi: ‘Geprezen zij de HEER, die jou vandaag iemand gegeven heeft die voor je zorgen zal. Moge zijn naam in Israël blijven voortbestaan! 15  Hij zal je je levensvreugde teruggeven en je onderhouden als je oud bent, want je schoondochter, die je liefheeft en die meer waard is dan zeven zonen, heeft hem gebaard.’ 16  Noömi nam de jongen op haar schoot en bleef hem vanaf dat moment verzorgen. 17  De buurvrouwen gaven hem zijn naam. ‘Noömi heeft een zoon gekregen, ‘zeiden ze, en ze noemden hem Obed. Hij is de vader van Isaï, die de vader is van David. 18  Dit zijn de nakomelingen van Peres: Peres verwekte Chesron, 19  Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, 20  Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, 21  Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, 22  Obed verwekte Isaï, en Isaï verwekte David. (NBV)

Zo ging Boaz naar de poort van de stad om daar te wachten tot de rechthebbende op het land van Noömi en Ruth, en daarmee rechthebbende op Ruth, voorbij zou komen. Dat klinkt ons raar in de oren want Boaz wist immers heel goed wie die rechthebbende was. Maar de poort is niet zomaar een plaats in de stad. Als je in de Bijbel leest over de poort, dan lees je ook over de plaats waar recht werd gesproken. En over het recht gaat het immers, het recht om voor iemand te mogen zorgen, het recht om met een weduwe te mogen delen. Daarom ook werden er 10 stadsoudsten gevraagd om er bij te komen zitten. Bij geschillen konden zij gelijk een vonnis vellen, in elk geval konden ze als getuigen optreden. Zo werd er aan iedereen recht gedaan. Maar waarom zou je het recht moeten opeisen voor iemand te willen zorgen?

De vrouwen konden zeker het land niet alleen bewerken. Dat bewerken was de taak van de man, zo lag de rolverdeling nu eenmaal. Dat land moest wel in de familie blijven. Was het verkocht of verdwenen dan kon na 50 jaar de familie weer opnieuw beginnen want dan kregen ze het land weer terug. In de tijd dat het boek Ruth werd opgeschreven waren veel van die regels al weer vergeten. Zoals de regel over de schoen die hier nog even wordt toegelicht. Hoewel, als je de oorspronkelijke wet in het 25ste hoofdstuk van het boek Deuteronomium er op nakijkt dan gaat het er om dat je iemand met z’n eigen schoen in het gezicht slaat als die een weduwe uit eigen familie onverzorgd laat. Hier is er keurig overleg en blijft er niemand onverzorgd achter. Wel wordt er nog even fijntjes herinnerd aan het verhaal van Juda en Tamar. Die Tamar moest haar toevlucht nemen tot een buitenechtelijke relatie tegen betaling met haar schoonvader om niet onverzorgd achter te blijven. Van die relatie stamde Boaz af.

Van de relatie tussen Boaz en Ruth stamde uiteindelijk Koning David af. Ook David zou zo’n vreemde relatie hebben. Hij stuurde de man van Bathseba de oorlog in en trouwde haar toen die gesneuveld was. Van die relatie stamde Jezus van Nazareth af. Kennelijk kiest God in de geschiedenis niet voor de beste families. Juda en Tamar, Boaz en de Moabitische Ruth, David en Bathseba, het kan niet op. In onze tijd met al die echtscheidingen een hele troost voor al die alleengaande ouders. Er kan nog best iets goeds voorkomen uit de kinderen. En angst voor vreemdelingen hoef je al helemaal niet te hebben. Van de dochters van Moab werd toch gezegd dat ze de zonen van Israel op het verkeerde pad brachten. Nou dat kun je van Ruth niet zeggen, zij speelt niet alleen de hoofdrol in dit verhaal maar ook in de geschiedenis van Israel. Zij was de vrouw die aan mannen en vrouwen ten voorbeeld wordt gesteld als het gaat om de vraag hoe je voor iemand moet blijven zorgen. Ze was meer waard dan zeven zonen.

Reacties

Ruth 3:1-18

1 ¶  Op een dag zei Noömi, haar schoonmoeder: ‘Mijn dochter, zal ik niet een thuis voor je zoeken waar het je goed zal gaan? 2  Boaz, bij wie je gewerkt hebt, is zoals je weet familie van ons. Vanavond zal hij op de dorsvloer gerst wannen. 3  Baad je, wrijf je in met olie, kleed je aan en ga naar de dorsvloer. Zorg dat hij je niet ziet voordat hij klaar is met eten en drinken. 4  Als hij gaat slapen moet je goed opletten waar hij zich neerlegt, en dan moet je naar hem toe gaan, de deken aan zijn voeteneinde terugslaan en daar gaan liggen. Hij zal je dan wel vertellen wat je moet doen.’ 5  Ruth antwoordde: ‘Ik zal doen wat u mij zegt.’ 6 ¶  Ze ging naar de dorsvloer en deed precies wat haar schoonmoeder haar had opgedragen. 7  Boaz at en dronk, voelde zich voldaan, en legde zich te slapen tegen een hoop gerst. Toen kwam Ruth stilletjes naar hem toe, sloeg de deken aan zijn voeteneinde terug en ging liggen. 8  Midden in de nacht schrok hij wakker, draaide zich om en zag een vrouw aan zijn voeteneinde liggen. 9  ‘Wie is daar?’ vroeg hij. ‘Ik ben het, Ruth, ‘zei ze. ‘Wilt u mij bij u nemen, want u kunt voor ons als losser optreden.’ 10  ‘Moge de HEER je zegenen, mijn dochter, ‘zei hij. ‘Dit getuigt van nog meer trouw dan wat je voorheen al hebt gedaan. Je hebt niet omgekeken naar jongere mannen, arm of rijk. 11  Daarom, mijn dochter, wees niet bang. Ik zal doen wat je van me vraagt; iedereen in de stad weet immers dat je een bijzondere vrouw bent. 12  Maar al is het waar dat ik jullie kan helpen, er is nog iemand anders voor wie dat geldt, en hij staat dichter bij jullie dan ik. 13  Blijf vannacht hier. Als morgenochtend blijkt dat die man als losser wil optreden is het goed, maar als hij dat niet wil, dan doe ik het, zo waar de HEER leeft. Blijf hier nu maar liggen, tot het ochtend wordt.’ 14 ¶  En zij bleef tot de ochtend aan zijn voeteneinde liggen. Voordat het zo licht werd dat men iemand herkennen kon, stond ze op, want hij wilde niet dat bekend werd dat ze op de dorsvloer was geweest. 15  Hij zei: ‘Pak je omslagdoek en houd hem open.’ Dat deed ze, en hij goot er zes maten gerst in en hielp haar dit alles op te tillen. Daarna ging hij naar de stad. 16  Zij ging naar haar schoonmoeder, die haar vroeg hoe het haar was vergaan. Ruth vertelde haar wat Boaz voor haar gedaan had. 17  ‘Deze zes maten gerst heeft hij me gegeven, “want, ”zei hij, “je moet niet met lege handen bij je schoonmoeder aankomen.”’ 18  Daarop zei Noömi: ‘Blijf hier dan maar rustig wachten tot je weet hoe het afloopt, mijn dochter, want ik weet zeker dat deze man niet zal rusten voordat hij de zaak geregeld heeft.’ (NBV)

Het was een mooie zomer geweest. De oogst was binnen en nu werd het tijd het kaf van het koren te scheiden. Je hebt immers alleen de korrels nodig om te malen tot meel zodat je er het brood mee kunt bakken waarmee je je tot de volgende oogst kunt voeden. Dat wannen van de gerst hoort bij dat proces van scheiden van kaf en koren. Maar voor Ruth en Noömi betekende dat ook dat de tijd van aren rapen, achter de maaiers en korenbindsters aan, voorbij was. Het betekende een terugkeer naar honger en armoede. Nu was Ruth een soort oudedagsvoorziening voor Noömi geweest. AOW of pensioen was er in die tijd nog niet. Het beste pensioen kreeg je van je kinderen, hoe meer hoe beter. Weduwen zonder kinderen hadden het daarom extra moeilijk. Het familielid dat de weduwe in bescherming moest nemen, de losser, moest daarom ook zorgen voor kinderen.

En welke man vindt er niet graag een knappe weduwe in zijn bed. Noömi draagt Ruth daarom op om de rouwkleding af te leggen en zich op te maken als voor een bruiloft. Boaz snapt de boodschap direct. Hij had zich al eerder aangetrokken getoond tot deze Moabitische en nu ze zich ze openlijk aanbood was het tijd er gebruik van te maken. Maar wel binnen de richtlijnen van Mozes. Die richtlijnen wezen een ander aan die als losser zou moeten optreden en als je zo’n fraaie partij zonder meer zou opeisen zou het maar tot jaloezie leiden. En daar blijft het bij. Ruth past zich aan en zorgt dat niemand haar ziet vertrekken. Een verhaal waarin mensen elkaar recht doen. Ruth, de dochter van Moab, brengt hier Boaz niet op het verkeerde pad zoals eens Tamar de schoondochter van Juda zich gedwongen had gezien haar schoonvader op het verkeerde pad te brengen. Je kunt dus wel je vooroordelen tegen vreemdelingen hebben, je kunt wel bang zijn voor die rare gewoonten, maar je kunt ook verrast worden.

Wie had nu gedacht dat Moslims bijvoorbeeld Jezus van Nazareth als een groot profeet vereren? Wie had gedacht dat bij het slachtfeest een kwart van het dier dat werd geslacht gegeven moet worden aan de armen? Wie had gedacht dat Moslims de plicht hebben om de armen te steunen, met hen te delen, en dat dat een van de vijf pijlers van de Islam is? Het is allemaal niet hetzelfde als bij ons maar het kan toch niet als verkeerd of bedreigend voor onze samenleving gezien worden? Het boek Ruth dient zich aan als een romantische liefdesgeschiedenis maar als je tussen de regels door leest is het een hoogst actueel verhaal over hoe we als mensen met elkaar om moeten gaan. Zijn wij nog in staat jaloezie te vermijden? Zijn wij nog in staat respect voor een reputatie op te brengen? Zijn wij nog in staat de armen dichtbij in onze stad, in ons dorp, in onze straat te herkennen en naar hen onze hand uit te steken? We mogen ons het elke dag opnieuw afvragen.

Reacties

Ruth 2:1-23

1 ¶  Nu was Noömi van de kant van haar echtgenoot Elimelech verwant aan een belangrijk man, die Boaz heette. 2  Ruth, de Moabitische, zei tegen Noömi: ‘Ik zou graag naar het land willen gaan om aren te lezen bij iemand die me dat toestaat.’ Noömi antwoordde: ‘Doe dat maar, mijn dochter.’ 3  Ze ging dus naar het land om aren te lezen, achter de maaiers aan. Het toeval wilde dat de akker waar ze kwam van Boaz was, het familielid van Elimelech. 4 ¶  Na enige tijd kwam Boaz zelf eraan, uit Betlehem. ‘De HEER zij met jullie, ‘groette hij de maaiers. ‘De HEER zegene u, ‘groetten zij terug. 5  Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: ‘Bij wie hoort die jonge vrouw daar?’ 6  De man antwoordde: ‘Dat is de Moabitische vrouw die met Noömi is teruggekeerd. 7  Toen ze hier aankwam zei ze: “Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven, ”en nu is ze hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend-ze heeft maar even gezeten.’ 8  Daarop zei Boaz tegen Ruth: ‘Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. 9  Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.’ 10  Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Waaraan heb ik het te danken dat u zo goed voor mij bent, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben?’ 11  En Boaz antwoordde: ‘Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was. 12  Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen-de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.’ 13  ‘Ik dank u, heer, ‘zei ze, ‘want u hebt zich mijn lot aangetrokken en mij moed ingesproken, terwijl ik niet eens bij u in dienst ben.’ 14  Toen het etenstijd was zei Boaz tegen haar: ‘Kom maar hier en neem een stuk brood en doop het in de wijn.’ Ze ging naast de maaiers zitten, en hij gaf haar geroosterd graan. Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over. 15  Toen ze weer opstond om te gaan werken, gaf Boaz zijn mannen de volgende opdracht: ‘Laat haar ook tussen de schoven aren lezen, zeg daar niets van. 16  Integendeel, jullie moeten juist wat halmen voor haar uit de bundels trekken en die laten liggen, zodat zij ze op kan rapen. Verwijt haar dus niets.’ 17 ¶  Zij werkte tot de avond op het veld en sloeg de korrels uit de aren die ze geraapt had. Het was ongeveer een efa gerst. 18  Ze pakte het op en ging terug naar de stad. Toen Noömi zag hoeveel ze verzameld had, en toen Ruth haar ook nog gaf wat ze van het middagmaal had overgehouden, 19  riep ze uit: ‘Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend de man die zo goed voor jou geweest is!’ Ruth vertelde haar schoonmoeder dat de man bij wie ze die dag gewerkt had Boaz heette. 20  Toen zei Noömi tegen haar schoondochter: ‘Moge de HEER hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden.’ En ze vervolgde: ‘Hij is een naaste verwant van ons en kan daarom zijn rechten als losser laten gelden.’ 21  En Ruth, de Moabitische, zei: ‘Hij heeft ook nog tegen me gezegd dat ik bij zijn maaiers moest blijven totdat zijn hele oogst is binnengehaald.’ 22  ‘Het is goed dat je optrekt met de vrouwen op zijn land, mijn dochter, ‘zei Noömi tegen Ruth, ‘want dan zal niemand je op een ander veld lastig kunnen vallen.’ 23  Ze bleef dus aren lezen bij de vrouwen die voor Boaz werkten, tot het einde van de gerste- en de tarweoogst. Al die tijd woonde ze bij haar schoonmoeder. (NBV)

Wij kennen dat bijna niet meer, maaiers die met een zeis het graan maaien en schovenbindsters die de aren oprapen en in schoven te drogen zetten op het land. Wij kennen combines, grote machines die het graan maaien, opeten, en zakken graankorrels en bundels stro uitbraken. Die combines kunnen zich niet aan de leer van Mozes houden. De maaiers en schovenbindsters wel, vooral als de eigenaar van het land die leer serieus neemt. Want daar gaat het in dit stuk van het verhaal om. De leer van Mozes zegt dat de aren die langs de kant van de akker staan niet gemaaid moeten worden maar moeten blijven staan voor de armen. Er staat ook dat als er geoogst wordt de maaiers en schovenbindsters niet fanatiek alles moeten oprapen en tot schoven binden maar de verspreide aren moeten laten liggen voor de armen. En arm waren Ruth en haar schoonmoeder Noömi. Weduwen hadden toen geen weduwenvoorziening, ze waren geheel en al afhankelijk van de familie.

En voor Ruth was het dubbel moeilijk, ze was niet alleen weduwe, ze was nog een vreemdelinge ook. Nu is het verhaal opgeschreven in een tijd dat het weer belangrijk geworden was onderscheid te maken tussen in de inwoners van het land die wel bij het volk Israel hoorden en inwoners die niet bij het land hoorden. En net als in onze dagen kun je daar menselijk mee omgaan, mensen recht doen, of fanatiek alleen maar letten op de belangen van je eigen land en uit angst alles weren wat je vreemd is of vreemd voorkomt. Het boek Ruth is duidelijk een pleidooi om recht te doen aan mensen ook al zijn ze vreemdeling. Ruth wordt voortdurend aangeduid als de Moabitische en als Boaz haar uitlegt te profiteren van de regels, die hij voor haar zelfs zal verruimen, dan nog wijst ze er op dat ze een vreemdelinge is. Haar zorg voor haar schoonmoeder heeft echter indruk gemaakt. En ook al is ze niet in dienst bij Boaz ze mag toch meedelen.

Midden in het verhaal begint ook schoonmoeder Noömi ineens over “zijn rechten als losser”. Dat kennen we niet. Daar moeten we dus induiken om te snappen waar dit verhaal om draait. En dan kom je tot de ontdekking dat het niet gaat om rechten maar om plichten. De weduwe heeft door de hele Bijbel heen een symbolische plaats. Ze staat voor de arme die buiten de maatschappij is komen te staan. De leer van Mozes onderwijst het volk hoe die de weduwe beschermt kan worden en volgens het verhaal over de oorsprong van het volk Israel was die bescherming al gegeven voor Mozes de leer in de Tora opschreef.  Denk maar aan het verhaal over Juda en Tamar.  Noömi als weduwe en Ruth als weduwe hebben dus ook recht op die bescherming van de familie. Maar Ruth is een Moabitische en de dochters van Moab brengen de zonen van Israel op het verkeerde pad. Geldt die leer dan ook nog?  Nederland maakt bij toelating van vreemdelingen onderscheid tussen Westerse en Niet Westerse vreemdelingen. De Westerse, uit Amerika en zo, mogen zomaar naar binnen die Niet Westerse, uit Syrië en Eritrea en Noord Afrika, moeten eerst in eigen land een duur examen doen. Eigenlijk mag dat dus niet, de wet tegen discriminatie geldt ook voor vreemdelingen die je niet zo graag ziet. In het verhaal van Ruth zou dat dus ook kunnen gelden voor zo’n Moabitische.

Reacties

Ruth 1:1-22

1 ¶  In de tijd dat de rechters het volk leidden, brak er een hongersnood uit in het land. Een man trok daarom met zijn vrouw en zijn twee zonen weg uit Betlehem in Juda, om een tijdlang in de vlakte van Moab te gaan wonen. 2  De naam van de man was Elimelech, die van zijn vrouw Noömi, en zijn twee zonen heetten Machlon en Kiljon; het waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Toen ze in Moab waren aangekomen, bleven ze daar als vreemdeling wonen. 3  Na enige tijd stierf Elimelech, de man van Noömi, en zij bleef achter met haar twee zonen. 4  Zij trouwden allebei met een Moabitische vrouw. De naam van de ene was Orpa, die van de andere was Ruth. Nadat ze daar ongeveer tien jaar gewoond hadden, 5  stierven ook Machlon en Kiljon, en de vrouw bleef alleen achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man. 6 ¶  Toen Noömi hoorde, daar in Moab, dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken en dat het weer te eten had, maakte ze zich samen met haar twee schoondochters gereed om Moab te verlaten en terug te keren. 7  Samen met hen verliet ze de plaats waar ze gewoond had. Maar toen ze eenmaal op de terugweg waren naar Juda, 8  zei Noömi: ‘Gaan jullie nu maar allebei terug naar het huis van je moeder. Moge de HEER zo goed voor jullie zijn als jullie voor mij en mijn gestorven zonen zijn geweest. 9  Moge hij ervoor zorgen dat jullie allebei geborgenheid vinden in het huis van een man, ‘en ze kuste hen. Toen barstten zij in tranen uit 10  en zeiden: ‘Maar we willen met u terugkeren naar uw volk!’ 11  ‘Ga terug, mijn dochters, ‘zei Noömi, ‘waarom zouden jullie met mij meegaan? Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen kunnen worden? 12  Ga toch terug, want ik ben te oud voor een man. Zelfs al zou ik nog hoop koesteren, zelfs al sliep ik vannacht nog met een man en al bracht ik nog zonen ter wereld 13  zouden jullie dan wachten tot ze groot zijn en je ervan laten weerhouden met een andere man te trouwen? Nee, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie; de HEER heeft zich tegen mij gekeerd.’ 14  Opnieuw begonnen zij te huilen. Orpa kuste haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth week niet van haar zijde. 15  ‘Kijk, je schoonzuster gaat terug naar haar volk en haar god, ‘zei Noömi, ‘ga haar toch achterna!’ 16  Maar Ruth antwoordde: ‘Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. 17  Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEER is mijn getuige: alleen de dood zal mij van u scheiden!’ 18  Noömi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan en drong niet langer aan. 19 ¶  Zo gingen zij samen verder, tot in Betlehem. Hun aankomst in Betlehem baarde veel opzien. Overal in de stad riepen de vrouwen: ‘Dat is toch Noömi?’ 20  Maar ze zei tegen hen: ‘Noem me niet Noömi, noem me Mara, want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt. 21  Toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen. Waarom mij nog Noömi noemen, nu de HEER zich tegen mij heeft gekeerd, nu de Ontzagwekkende me kwaad heeft gedaan?’ 22  Zo kwamen ze samen terug uit Moab, Noömi en haar schoondochter Ruth, de Moabitische. Ze kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gersteoogst. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek Ruth. Dat is een van de vijf Joodse feestrollen. Die worden gelezen op de Joodse feestdagen en de rol die aan de beurt is wordt dan feestelijk de synagoge rondgedragen. Het boek Ruth wordt gelezen op het Wekenfeest, het feest dat wij kennen als het Pinksterfeest. Een feest met een dubbele bodem. Het valt vijftig dagen na het feest van de bevrijding uit Egypte en als de geschiedenis zich herhaalt, en dat doet de geschiedenis bij religieuze feesten, dan is het Wekenfeest de viering van het krijgen van de Wet van de Woestijn, de Wet van eerlijk delen, van heb je naaste lief als jezelf. Maar het Wekenfeest is ook het feest van de eerstelingen van de oogst die niet voor jezelf zijn maar voor God. Daarmee richt je een maaltijd aan bij de Tempel, vroeger bij de Tabernakel, met de armen, je familie, de tempeldienaars en de vreemdelingen in je midden.

In het begin van dit verhaal is er echter geen sprake van eerstelingen van de oogst want er is hongersnood. Zelfs in Bethlehem, het huis van brood betekent dat, is er niet genoeg om te eten. En de Elimelech waarover wordt verteld gaat met vrouw en zonen naar Moab waar ze als vreemdeling bleven wonen. Dat land Moab had een slechte naam. De Moabieten waren afstammelingen van Lot, de neef van Abraham, maar toen de afstammelingen van Abraham zich in de vruchtbare vlakte van Kanaän wilden vestigen verzetten de Moabieten zich daartegen. Ze stuurden zelfs de profeet Bileam op ze af om ze te vervloeken. De dochters van de Moabieten verleiden later de Israelieten tot afval van de Wet. En met die dochter begint het eigenlijke verhaal over Ruth, dat was zo’n Moabitische. Het boek Ruth is tot nu toe altijd als een lieflijk boekje beschreven. Goethe werd er bijvoorbeeld lyrisch van. Maar in onze dagen zou het misschien een heel diepe betekenis moeten hebben.

Het gedeelte dat we vandaag lezen begint met Elimelech en eindigt met Noömi. Vertrek uit en terugkeer naar het huis van brood staan centraal. Maar ook het contrast tussen Ruth en Orpa, de twee dochters van Moab. Orpa die netjes naar haar familie teruggaat, weduwe blijft en Ruth die met haar schoonmoeder meegaat. Net als Abraham gaat ze uit haar land en bij haar familie vandaan naar het land dat de God van Abraham aan Noömi heeft gegeven. Uw volk is mijn volk, Uw God is mijn God klinkt het bij haar. Maar ben je ingeburgerd als je de godsdienst van je schoonfamilie aanneemt? Hoe slecht de Moabieten, vooral hun dochters, ook bekend stonden bij het volk van Israel, de houding van Ruth klinkt ons sympathiek in de oren. Misschien wel als waarschuwing niet te snel te oordelen over vreemdelingen die je land binnenkomen om daar te wonen en te leven. Een waarschuwing die we ons best ter harte mogen nemen, in de Geest van de God van Israël.

 

Reacties

Johannes 14:15-26

15 ¶  Als je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden. 16  Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: 17  de Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet. Jullie kennen hem wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijven. 18 ¶  Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug. 19  Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer zien, maar jullie zullen mij wel zien, want ik leef en ook jullie zullen leven. 20  Dan zul je begrijpen dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben. 21  Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van mijn Vader en mij ontvangen, en ik zal mij aan hem bekendmaken.’ 22  Toen vroeg Judas (niet Judas Iskariot) aan Jezus: ‘Waarom zult u zich wel aan ons, maar niet aan de wereld bekendmaken, Heer? 23  Jezus antwoordde: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen. 24  Maar wie mij niet liefheeft, houdt zich niet aan wat ik zeg, en wat jullie mij horen zeggen, zijn niet mijn woorden, maar de woorden van de Vader door wie ik gezonden ben. 25 ¶  Dit alles zeg ik tegen jullie nu ik nog bij jullie ben. 26  Later zal de pleitbezorger, de heilige Geest die de Vader jullie namens mij zal zenden, jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat ik tegen jullie gezegd heb. (NBV)

Er wordt mensen die naar vrede streven nog wel eens verweten dat ze niet de waarheid durven zeggen. De dreiging met geweld, bijvoorbeeld door de Islam, zou hen verhinderen te zeggen dat het verkeerd is vrouwen achter te stellen, homoseksuelen te discrimineren of anders gelovigen te bedreigen met geweld. Niet is minder waar. Maar het maakt nogal verschil of je er met je broeders en zusters over in gesprek gaat of dat je de ander bestempelt en behandelt als vijanden. De waarheid is dat iedereen je broeder en je zuster is. De waarheid is ook dat je dus nooit bang hoeft te zijn te zeggen wat er verkeerd is, juist omdat je het goede wil doen en niet dan het goede. Dat is de boodschap van Jezus van Nazareth.

Zelf kunnen we hem niet meer tegenkomen, we kennen hem uit de verhalen uit de Bijbel. Maar de manier waarop hij met de mensen omging, waarop hij tegen de wereld aankeek, zijn Geest, die kennen we wel en die is ons juist door die verhalen geschonken. Daar kunnen we de wereld mee benaderen, in zijn Geest kunnen we de hand uitsteken naar de minsten in de samenleving. Maar in zijn Geest kunnen we ook samenwerken in onze eigen samenleving en delen met ieder die dat nodig heeft. Het ging Jezus er niet om om een baas te worden in de wereld, om in gevecht te gaan met de krachten en machten in de wereld. Dat bleek uit het antwoord op de vraag van Judas. Het zou nog blijken toen hij die menselijke zucht naar macht ook bij Jezus wilde uitlokken. Iemand die zoveel goed deed kon dan toch niet anders doen dan ook zichzelf veilig stellen. Maar dat was nu juist de kracht van Jezus van Nazareth, dat hij nooit iets deed voor zichzelf. Zo wilde hij herinnerd worden en zo wilde hij nagevolgd worden.

Het zogenaamd zwakke is het sterkste van de wereld. Uiteindelijk zou zijn Liefde de hele wereld moeten omspannen. In de oude profetieën werd al voorspeld dat ooit alle volken van de wereld zich zouden keren naar Jeruzalem. Daar lag de Wet van heb-je-naaste-lief-als-jezelf in de Tempel. Met de komst van Jezus van Nazareth moest die Wet uit de Tempel vandaan de wereld in. Dat was wat de Geest zou bewerkstelligen, dat is wat de Geest ook voor ons kan bewerken. Ieder van ons kan in zijn Geest de hand uitsteken naar de minsten. In ons huis, in onze straat, in onze stad, in ons land, in Europa en in de wereld. Iedereen kan elke dag iets goeds doen voor een ander, vrijwilligerswerk doen voor mensen die dat nodig hebben, boodschappen doen in een fair trade winkel, een brief of briefkaart schrijven voor Amnesty International, een handtekening zetten voor vrede of rechtvaardigheid, stem geven aan mensen wier stem werd gesmoord. Dat is de Geest van God, dat kan vandaag ook.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl