basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Handelingen 24:1-9

1 ¶  Vijf dagen later arriveerde Ananias, de hogepriester, samen met enkele oudsten en met Tertullus, een advocaat. Ze dienden hun klacht tegen Paulus in bij de procurator. 2  Toen deze voor het gerecht geroepen was, begon Tertullus zijn requisitoir als volgt: ‘Excellentie, dat wij dankzij u in duurzame vrede leven en dat door uw vooruitziend beleid hervormingen ten gunste van het Joodse volk totstandkomen, 3  erkennen we van ganser harte, en we zijn u daarvoor veel dank verschuldigd. 4  Ik wil u echter niet langer ophouden dan nodig is, en daarom doe ik een beroep op uw welwillendheid om een ogenblik naar ons te luisteren. 5  Het is ons gebleken dat deze man een ware pest is en dat hij overal ter wereld onlusten onder de Joden veroorzaakt. Als een van de voornaamste leiders van de sekte van de Nazoreeërs 6  heeft hij zelfs een poging ondernomen om de tempel te ontwijden, waarna we hem hebben overmeesterd. 7  {-(24:6) Andere handschriften hebben na ‘overmeesterd’ en voor ‘Dat al onze beschuldigingen’ nog de volgende tekst: ‘om hem volgens onze wet te berechten. 7 Toen greep Lysias, de tribuun, echter in. Hij haalde hem met grof geweld bij ons weg 8 en beval zijn aanklagers voor u te verschijnen.’ } 8  Dat al onze beschuldigingen juist zijn, kunt u uit zijn eigen mond vernemen als u hem ondervraagt.’ 9  De Joden steunden de aanklacht en bevestigden de juistheid ervan. (NBV)

We pakken het verhaal over Paulus  weer op. Het boek Handelingen beschrijft hoe de boodschap van Jezus van Nazareth van Jeruzalem naar Rome is gegaan. Niet dat Paulus daar alleen verantwoordelijk voor  was. Er was al een Christelijke gemeenschap voordat Paulus ooit in Rome was geweest. Maar de manier waarop hij de boodschap aan de Romeinen overbracht is op de duur in de Christelijke kerk doorslaggevend geworden. Vanuit Rome heeft die visie de hele wereld veroverd. Die visie staat in de Bijbelse Brief aan de Romeinen. Maar in de Handelingen vinden we ook een verhaal over hoe God er voor zorgde dat Paulus naar Rome kon komen. Dat ging dus niet met de bliksemschicht die Paulus van zijn paard gooide. Daarna heeft hij eerst lange tijd moeten studeren en revalideren en uiteindelijk werd hij vanuit Damascus uitgezonden om het Woord te verkondigen. Pas na een lange reis ging hij terug naar Jeruzalem. Na een vergadering met de leerlingen van Jezus van Nazareth en het hoofd van de gemeente van Jeruzalem Jacobus de broer van Jezus, werd hij bij de Tempel gearresteerd en beschuldigd van opruiing. Omdat hij zich beriep op zijn Romeins burgerschap werd hij naar de landvoogd in Caecarea gestuurd.

In dit verhaal over een proces tegen Paulus gaat het ook over de vraag hoe wetten moeten worden toegepast. De  Romeinen vonden het best als overwonnen volken met een eigen godsdienst in godsdienstige kwesties hun eigen aan de godsdienst ontleende wetten toepasten. De advocaat van de hogepriester doet daar een beroep op. Hij verdeelt het huis van Israël en volgens de leer van Mozes kan een huis dat tegen zichzelf verdeeld is niet blijven bestaan. De conflicten die Paulus veroorzaakt zijn dus in strijd met de godsdienstige wetten. Omdat Paulus zelfs het godsdienstige hart, de Tempel, zou ontwijden zou een berechting volgens de eigen wetten op haar plaats zijn. De advocaat vertelt er niet bij waar die ontwijding uit zou bestaan. De landvoogd zou raar opkijken als het werd uitgelegd. Paulus werd er namelijk van beschuldigd om ten huize van Romeinen samen met hen te eten. Joden kwamen zelfs niet thuis bij Romeinen en hun voedsel was hen een gruwel. Om dit soort conflicten te voorkomen had Paulus overigens de voorgeschreven reinigingsrituelen uitgevoerd. De hier genoemde Lysias was daarvan op de hoogte en nam Paulus in bescherming. Maar opruiing zou nog steeds een legitieme beschuldiging kunnen blijken. Omdat Paulus een beroep deed op zijn Romeins burgerschap werd hij naar de landvoogd gestuurd.

Dit gedeelte van het boek Handelingen laat zien wat er gebeurd als je de richtlijnen uit de leer van Mozes, wat wij het Oude Testament noemen, gelijk stelt met de Romeinse wetgeving. Dat doe je als je voor een Romeins rechter de keuze voorlegt welk recht van toepassing is. In de verhalen over Jezus van Nazareth komt dat conflict herhaaldelijk naar voren. Merkwaardig is dat ook tot op de dag van vandaag Christenen beweren dat je die regels uit de Leer van Mozes letterlijk moet nemen en ze moet toepassen alsof ze Romeinse wetten zijn en geen richtlijnen om een menselijke samenleving op te bouwen. Juist die Christenen die beweren de Bijbel van kaft tot kaft letterlijk te nemen houden zich helemaal niet aan de richtlijnen uit de leer van Mozes, ze kiezen er willekeurig een paar uit en beweren dan dat daaruit blijkt dat ze de Bijbel letterlijk nemen. De schepping van de menselijke samenleving is het doel van het verhaal van de hele Bijbel. In Genesis lezen we hoe alles om ons heen bestemd is voor mensen. In Openbaring lezen we waar dat op uit zal lopen, een hemelse aarde waar alle tranen gedroogd zijn en waar God zelf zal willen wonen. Daar tussen in staat hoe wij mee kunnen werken aan die schepping door onze naaste lief te hebben als onszelf. Bang hoeven we nergens voor te zijn. Paulus doet het ons voor door noch voor zijn godsdienstige autoriteiten, noch voor het machtige Romeinse rijk bang te zijn. Wij mogen daaraan elke dag opnieuw een voorbeeld nemen.

Reacties

Marcus 7:24-37

24 ¶  Hij ging weg en vertrok naar de omgeving van Tyrus. Daar nam hij zijn intrek in een huis, en hoewel hij niet wilde dat iemand dat te weten zou komen, lukte het hem niet onopgemerkt te blijven. 25  Integendeel, er kwam al meteen een vrouw die over hem gehoord had naar hem toe, en zij viel voor zijn voeten neer. Ze had een dochter die door een onreine geest bezeten was. 26  Deze vrouw was van Syro-Fenicische afkomst en geen Jodin; ze smeekte hem om bij haar dochter de demon uit te drijven. 27  Hij zei tegen haar: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te voeren.’ 28  De vrouw antwoordde: ‘Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen.’ 29  Hij zei tegen haar: ‘Dat hebt u goed gezegd. Ga naar huis, de demon heeft uw dochter al verlaten.’ 30  En toen ze thuiskwam, lag haar kind op bed en bleek de demon verdwenen te zijn. 31 ¶  Hij vertrok weer uit de omgeving van Tyrus en ging via Sidon naar het Meer van Galilea, dwars door het gebied van Dekapolis. 32  Daar werd iemand bij hem gebracht die doof was en gebrekkig sprak, en men smeekte hem om deze man de hand op te leggen. 33  Hij nam de man apart, weg van de menigte, stak zijn vingers in diens oren en raakte met speeksel zijn tong aan. 34  Hij sloeg zijn blik op naar de hemel, zuchtte diep en zei tegen hem: ‘Effata!’, wat betekent: ‘Ga open!’ 35  Meteen gingen zijn oren open, zijn tong kwam los en hij kon normaal spreken. 36  Hij beval de omstanders om aan niemand te vertellen wat er gebeurd was; maar hoe strenger hij het hun verbood, hoe meer ze het rondvertelden. 37  De mensen waren geweldig onder de indruk en zeiden: ‘Alles wat hij doet is goed: zelfs doven laat hij horen en stommen laat hij spreken.’ (NBV)

Als je in eigen land geen rust ktijgt, als de mensen ze je zo lastig vallen dat je met je leerlingen zelfs geen tijd krijgt je handen te wassen voor het eten dan moet je iets anders verzinnen om tot rust te komen. Het buitenland is dan een goed alternatief. Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk. Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kunt er doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. Dat je in een ander land bent merk je aan de vorm van de huizen, de verkeersborden en de taal die er gesproken wordt. Dat was in de omgeving van Jezus van Nazareth niet anders. Alleen spraken ze daar in de buurt allemaal Aramees of Grieks.

Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus. Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was. Ook buitenlanders hoorden er bij. Niet zomaar, de Goddelijke richtlijnen  waren immers gegeven aan het volk Israël en de vruchten van die richtlijnen waren dan ook voor hen bestemd. Maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen nog heel goed van mee kunnen eten. Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd. In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar manden per jaar, de oogst. Daarvan kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk.

Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt. We durven het alleen niet aan om dat te organiseren. We laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. Geloven in de macht van de God van Israël doen ze niet. Want als we werkelijk samen willen dan kunnen zelfs doven een volwaardige plaats krijgen in onze samenleving. Voor Grieks sprekende mensen moet dan duidelijk gemaakt worden dat Jezus van Nazareth geen toverspreuken nodig had, Effatha is Aramees en betekent "Ga open", je moet je dus voor elkaar openstellen in plaats van afsluiten. Zo moet je dus eigenlijk met alle gehandicapten omgaan, kijken wat ze wel kunnen als we er voor zorgen, hen een volwaardige plaats geven in de samenleving. We hebben er tegenwoordig een wet voor. Maar mensen die zelf een beperking hebben mogen niet aangeven wat ze nodig hebben, we staan daar niet voor open, mensen zonder die beperking bedenken wel wat nodig is. Tijd dus om Effatha te roepen en ons open te stellen. En dat geldt voor ons allemaal, ook vandaag nog

Reacties

Marcus 7:1-23

1 ¶  Ook de Farizeeën en enkele van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in zijn nabijheid op.2  En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen 3  (de Farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden, 4  en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonspoelen van bekers en kruiken en ketels), 5  toen vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden hem: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’ 6  Maar hij antwoordde: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert mij met de lippen,  maar hun hart is ver van mij; 7  tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen.” 8  De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’ 9  En hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities overeind te houden! 10  Heeft Mozes niet gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder,” en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”? 11  Maar u leert dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen: “Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn is korban”’ (wat ‘offergave’ betekent), 12  ‘waarmee u hem niet toestaat nog iets voor zijn vader of moeder te doen, 13  en zo ontkracht u het woord van God door de tradities die u doorgeeft; en u doet nog veel meer van dit soort dingen.’ 14  Nadat hij de menigte weer bij zich had geroepen, zei hij: ‘Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht. 15  Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’ 16 17  Toen hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen hem om uitleg over deze uitspraak. 18  Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken 19  omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt?’ Zo verklaarde hij alle spijzen rein. 20  Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. 21  Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, 22  overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; 23  al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’ (NBV)

Er zijn verschillende manieren om al die regels die op wetten lijken in de Bijbel te benaderen. Je kunt ze als wetten lezen zoals mensen wetten maken. Mensen maken wetten die als een last worden ervaren. In onze dagen spreken we dan van regeldruk die verminderd moet worden, tenminste als het om regels gaat die onszelf raken, regels die alleen anderen raken moeten worden aangescherpt. Maar het volk Israël kreeg haar regels in de Woestijn. Toen was er geen land en geen volk dat in steden en op een platteland leefde. Het verhaal van die regels gaat over een groep ontvluchte slaven en die regels waren bedoeld om ze als een bevrijd volk te laten leven. Het waren richtlijnen waarlangs het leven zich kon ontwikkelen. Maar wetten zoals mensen die maken leggen het leven vast. Vooral de farizeeën probeerden de wetten uit het Oude Testament zo nauwkeurig mogelijk na te komen alsof het wetten van mensen waren.

Jezus van Nazareth leek het vaak niet zo nauw met die wetten te nemen. In het verhaal van vandaag raakt hij in conflict over de reinheidswetten. Je handen wassen voor het eten is een gezonde regel. De Farizeeën wijzen er dus kennelijk niet ten onrechte op dat de leerlingen van Jezus zich daar niet aan houden. Maar ze kijken niet naar het waarom van dit breken van de wet. Die leerlingen hadden het druk. Overal waar Jezus van Nazareth kwam stroomden mensen bij elkaar en werden talloze mensen genezen. Soms hadden ze geen tijd zelfs om fatsoenlijk te eten.  De richtlijnen van God laten zich samenvatten in het heb je naaste lief als jezelf. Maar hebben die Farizeeën het nog wel over handen wassen. In het Grieks staat dat de handen gewassen worden met de vuist. Een rare uitdrukking maar bedoeld om duidelijk te maken dat het gaat om rituele wassingen, geen echte. De Farizeeën wasten ritueel alle heidendom van het eten af. Daarmee lieten ze zien beter te zijn dan anderen. God liefhebben is zorgen voor mensen, niet jezelf beter vinden dan een ander. Dat is ook de achtergrond van die Korban. Als je alles wat je hebt bestemd voor de Tempel kan je er niemand meer mee helpen, als het na je dood naar de Tempel gaat dan lijk je wel heel vroom maar je leeft er des te beter van.

Het Evangelie van Marcus is geen journalistiek verslag van het leven van Jezus van Nazareth. Het verhaal is opgeschreven na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70. De bedoeling was om die verhalen over Jezus van Nazareth te vertellen die de pas gevormde gemeenten van gelovigen, de mensen van de Weg zou Lucas ze noemen, konden helpen om het geloof in Jezus van Nazareth en zijn manier van leven vast te houden. Ook in dit gedeelte gaat het over zaken die na de verwoesting van de Tempel belangrijker zouden worden.Maar grotere aantallen niet Joden, Heidenen als wij, leverden een probleem op. Moesten die ook mee gaan doen met de ingewikkelde spijswetten van de Joden? Uiteindelijk hadden ze na veel strijd besloten dat die dwang nu juist in strijd was met de Weg van Jezus van Nazareth. Daarvan vindt je hier de weerslag. Niet wat de mens binnen gaat maakt onrein maar wat uit de mens komt. Voor ons lijkt dat vanzelfsprekend te zijn. De vraag blijft natuurlijk waarom wij dan zo gevoelig zijn voor mooie praatjes van politici, over fatsoen en normen en waarden, over de angst die je zou moeten hebben voor de Islam, over de noodzaak wapens te kopen in plaats van brood voor armen, over het steunen van onze landbouwproductie zodat boeren in arme landen geen plaats krijgen. De Weg van Jezus van Nazareth was de armen en verdrukten als maatstaf te nemen, werd hen recht gedaan dan gaat het goed, werden zij het slachtoffer dan gaat het slecht. Laten we dat vandaag ook doen, uit de mens komen slechte dingen, wees gewaarschuwd.

Reacties

Psalm 15

1 ¶  Een psalm van David. HEER, wie mag gast zijn in uw tent, wie mag wonen op uw heilige berg? 2  Wie de volmaakte weg gaat en doet wat goed is, wie oprecht de waarheid spreekt. 3  Hij doet aan lasterpraat niet mee, hij benadeelt een ander niet en drijft niet de spot met zijn naaste.4  Hij veracht wie geen achting waard is, maar eert wie ontzag heeft voor de HEER. Zijn eed breekt hij niet, al brengt het hem nadeel,5  voor een lening vraagt hij geen rente, hij verraadt geen onschuldigen voor geld. Wie zo doet, komt nooit ten val. (NBV)

Op deze eerste dag van de oogstmaaand zingen we mee met Psalm 15. Een korte psalm over de vraag wie nu eigenlijk hoort bij het verhaal van Israel, wie de richtlijnen voor de menswaardige samenleving die het volk in de woestijn ontving realiseert. We zingen vandaag want dit  weekeinde is het weekeinde van de Gay Pride en de Gay Pride kerkdienst morgen in de Keizersgrachtkerk. Dat heeft niks te maken met de keuze van de samenstellers van het dagelijks leesrooster dat we hier volgen maar het is een fraaie toevalligheid, zoals heel vaak de keuze lijkt te slaan op de toevallige dagelijkse actualiteit. Dat je in Christelijke kerken niet moet zijn voor begrip en aanvaarding van Lesbische vrouwen, Homosexuele mannen. Biseksuele mensen en zogenaamde Transgenders is een vooroordeel dat ook met deze psalm uit de wereld geholpen kan worden.

Christenen doen aan lasterpraat niet mee. Dat gaat verder dan de mond houden. Voor Christenen telt elk mens mee en de ene mens doet meer goed dan de andere maar het gaat er om elk mens op te roepen het goede te doen. Het goede doen voor mensen is van een ander houden als van jezelf. In de Bijbel wordt dan het huwelijk als voorbeeld gebruikt voor een liefde tussen twee mensen die net zo groot en weldadig kan zijn als de liefde tussen God en de mensen. Christenen worden daarom in deze Psalm opgeroepen niet te oordelen over de wijze waarop mensen van elkaar kunnen houden maar een voorbeeld te nemen aan de liefde en trouw die ook niet heteroseksueel georiënteerden mensen kunnen laten zien. En ook daar gaat het net zo vaak mis als onder mannen en vrouwen die met elkaar trouwen en waarvan het grootste deel uiteindelijk weer gaat scheiden.

Deze psalm maakt het ons niet gemakkelijk. We bestrijden dus lasterpraat. We bestrijden dus ook bespotting van hen die anders doen als wijzelf. De cartoons tegen de Islam worden dus net zo veracht als de tekenaars zelf de anderen verachten. Cartoons die ons onze gewoonten als een spiegel voorhouden worden daarentegen wel weer gewaardeerd. De psalm maakt het ons ook op een ander gebied niet gemakkelijk. Wie goed doet vraagt geen rente. In de Islam heet dat Halal lenen. Het Christendom heeft deze richtlijn voor de menselijke samenleving niet overgenomen. Wij kunnen mensen eindeloos verleiden om leningen af te sluiten om mee te kunnen blijven doen met de samenleving van het nieuwste de beste. Leningen met hoge renten die mensen diep in de problemen kunnen brengen. We zijn samen verantwoordelijk voor de regels die dit mogelijk maken. De bankiers belasteren en beschuldigen van hebberigheid is er volgens deze Psalm niet bij, we zouden voorbij zien aan onze eigen hebberigheid. Geen wonder dat de Psalmdichter begint met de vraag wat je moet doen om bij dat volk van God te horen. Aan het antwoord moeten we elke dag werken, ook vandaag weer.

Reacties

Jesaja 65:17-25

17 ¶  Zie, ik schep een nieuwe hemel en  . Wat er vroeger was raakt in vergetelheid, het komt niemand ooit nog voor de geest. 18  Er zal alleen maar blijdschap zijn en groot gejuich om wat ik schep. Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad en schenk haar bevolking vreugde. 19  Dan zal ik over Jeruzalem jubelen en mij verblijden over mijn volk. Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord. 20  Geen zuigeling zal daar meer zijn  die slechts enkele dagen leeft, geen grijsaard die zijn jaren niet voltooit; want een kind zal pas sterven als honderdjarige, en wie geen honderd wordt, geldt als vervloekt. 21  Zij zullen huizen bouwen en er zelf in wonen, wijngaarden planten en zelf van de opbrengst eten; 22  in wat zij bouwen zal geen ander wonen, van wat zij planten zal geen ander eten. Want de jaren van mijn volk zullen zijn als de jaren van een boom; mijn uitverkorenen zullen zelf genieten van het werk van hun handen. 23  Zij zullen zich niet tevergeefs afmatten en geen kinderen baren voor een verschrikkelijk lot. Zij zullen, met heel hun nageslacht, een volk zijn dat door de HEER is gezegend. 24  Ik zal hun antwoorden nog voor ze mij roepen, ik zal hen verhoren terwijl ze nog spreken. 25  Wolf en lam zullen samen weiden, een leeuw en een rund eten beide stro en een slang zal zich voeden met stof. Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg-zegt de HEER. (NBV)

Je hoort het de mensen nog wel eens zeggen: "ik moet er niet aan denken, de ellende die mensen is overkomen". Jesaja schetst een wereld waar je er inderdaad niet meer aan hoeft te denken. Je maakt het niet meer mee, je hoort er niet meer van. Geen kind zal binnen een paar dagen sterven. Een gruwelijke ervaring voor ouders, je krijgt een kind en door wat voor oorzaak ook wordt dat kind niet oud. Hoe oud een kind ook is het hoort niet voor de ouders te sterven. Nog jaren later kun je aan een moeder merken dat hoe flink en opgeruimd ze ook doet, ze eigenlijk in een hoekje van haar hart nog steeds huilt om haar gestorven kind. In onze omgeving hebben we dan te maken met ziekte, met zeer, soms met een ongeluk, dat overkomt een enkeling en gelukkig leven dan velen mee. Maar er zijn landen op de wereld waar het regel is, waar moeders vele kinderen krijgen omdat er maar weinig zullen zijn die hen zullen overleven.

De profeet spreekt ook over de gevolgen van oorlogen. Je bouwt een huis maar dat komt in een vuurlinie te liggen. Anderen nemen het in bezit of verwoesten het en soms is het eerst gestolen en vervolgens verwoest. Landbouwers hoeven niet meer bang te zijn dat de opbrengst van hun land wordt geroofd. In onze dagen betekent dat misschien voor landbouwers dat zij door oneerlijke subsidies of  regels en wetten in het nadeel worden gezet tegenover anderen en de opbrengst van hun land en arbeid niet meer tegen de kostprijs kunnen verkopen zodat ze armer en armer worden. Jesaja heeft het over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, die komen er aan. We denken vaak dat er nog niks van te zien is en dus zal die nieuwe hemel wel na onze dood komen. Johannes, schrijver van het boek Openbaring, zag dat heel anders. Hij zag de hemel op aarde neerdalen. God zal zelf zijn tenten hier spannen en dan hier op aarde gaan wonen. Er is dan ook een nieuw Jeruzalem met een Tempel waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving het middelpunt van zijn. Maar iedereen handelt en leeft  volgens die richtlijnen.

Jesaja is niet veel verschillend van Johannes. Jesaja schetst eerst de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil die nieuwe hemelse aarde ook echt komen. In de afgelopen dagen hebben we kunnen lezen over de dienaren van de God van Israël die nog een kans krijgen omdat er ergens iets goeds in hen te vinden zou zijn. Als zij aan de slag gaan met de richtlijnen voor de menselijke samenleving dat begint die nieuwe hemelse aarde al aardig vorm te krijgen. Dan heeft niemand meer honger en in onze dagen hoeft niemand honger te hebben als we eerlijk delen, dan is ook de dorst naar gerechtigheid gestild, want dictators en schendingen van mensenrechten worden direct aangepakt en krijgen niet de kans decennia lang de samenleving te  verzieken. De naakten worden gekleed, de bedroefden getroost, de zieken genezen. Dan hoeven zelfs wilde dieren niet meer op jacht omdat zij hun voedsel voorgeschoteld krijgen, zo kan dan een leeuw met een lam samen weiden. Die dienaren zijn dus daarvoor een voorwaarde. Als wij dienaren van de God van Israël willen zijn hoeven we dus niet lang te bidden, of met de armen te zwaaien en halleluja te roepen, maakt het ook niet uit wat we zingen, maar moeten we aan het werk, de naaste liefhebben als onszelf, de richtlijnen van God tot gelding brengen in deze wereld, ook vandaag weer.

 

Reacties

Jesaja 65:8-16

8 ¶  Dit zegt de HEER: Zolang er sap is in een druiventros, zegt men: ‘Vernietig hem niet, er zit nog iets goeds in.’ Voor mijn dienaren zal ik hetzelfde doen, ik zal niet alles vernietigen. 9  Uit Jakob zal ik nageslacht doen voortkomen, uit Juda een erfgenaam van mijn bergland; mijn uitverkorenen zullen het land in bezit nemen, mijn dienaren zullen zich daar vestigen. 10  De Saron zal weidegrond zijn voor schapen, het Achordal een rustplaats voor rundvee, bezit van het volk dat mij heeft geraadpleegd. 11 ¶  Maar jullie die de HEER hebben verlaten en mijn heilige berg veronachtzaamd, die voor de god van het geluk de tafel dekten en voor de god van het fortuin de kruiken vulden, 12  jullie zal ik voor het zwaard bestemmen, ieder van jullie zal knielen voor de slacht. Want ik heb geroepen, maar jullie antwoordden niet, ik heb gesproken, maar jullie luisterden niet; jullie deden wat slecht is in mijn ogen, en jullie verkozen wat ik niet wil. 13  Daarom-dit zegt God, de HEER: Mijn dienaren zullen eten, maar jullie zullen honger lijden; mijn dienaren zullen drinken, maar jullie zullen dorst lijden; mijn dienaren zullen zich verheugen, maar jullie zullen te schande staan; 14  mijn dienaren zullen juichen van vreugde, maar jullie schreeuwen het vertwijfeld uit en weeklagen, vanwege een gebroken geest. 15  De naam die jullie nalaten wordt door mijn uitverkorenen gebruikt wanneer zij iemand vervloeken: ‘Zo zal God, de HEER, je doden!’ Maar mijn dienaren geef ik een andere naam, 16  die in dit land zal dienen als zegenspreuk en eedformule: ‘Bij de waarachtige God’. Dan zal alle ellende van vroeger vergeten zijn, verborgen voor mijn ogen. (NBV)

Als je de geschiedenis van de mensheid beziet, ook na het optreden van Jesaja en het teken dat uitgaat van de terugkeer uit de ballingschap dat alle onderdrukte volken ooit eens bevrijd zullen worden, kan zich afvragen waarom er eigenlijk nog mensen bestaan. Het volgen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving die via Israël aan de wereld zijn geschonken heeft eigenlijk nooit en nergens de boventoon gevoerd. Als de God van Israël de beschermer is van de onderdrukten dan zou die God toch harder moeten zijn opgetreden. Jesaja lijkt in het stuk van vandaag met een verklaring te komen. Er zit kennelijk in onderdrukkers eigenlijk altijd ook nog wel een beetje goeds. Daar kun je het dan als onderdrukte, als arme meedoen. En in menige kerk zal het zo zijn uitgelegd. Maar dat staat er niet. Er staat dat God het voor zijn dienaren zo zal doen. Die dienaren zijn wij, onbeholpen gelovigen die met grote ogen naar al het onrecht in de wereld kijken en ons afvragen wat we daar in Godsnaam aan zouden kunnen doen. Jeremia beurt ons op, ook al lukt het niet of zelfs nooit helemaal, God zal ons dat niet kwalijk nemen als we er maar mee bezig blijven.

De tegenstelling tussen dienaren en vijanden wordt hier door Jesaja op een wel heel actuele manier geschetst. De dienaren worden beloond, zij hebben acht geslagen op de heilige berg. Misschien herkennen wij het beeld niet maar op die Berg zegt de Bijbel staat de Tempel van de God van Israël en in die Tempel staat geen beeld van die God maar worden de richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard. Dienaar van de God van Israël betekent dus dat je die richtlijnen je eigen maakt en daarnaar handelt. Ze laten zich samenvatten in het Heb uw naaste lief als uzelf. De vijanden van de God van Israël worden ook beschreven. Zij luisteren niet naar die richtlijnen en alle verhalen die er in de loop van de geschiedenis over zijn verteld, zij denken in de eerste plaats aan zichzelf. Je moet maar geluk hebben in het leven en als je geluk hebt bij de handel of bij je werk dan komt je dat toe, dat is voor jou. Daarom doen we massaal mee aan loterijen, waar slechts de organisatoren rijk van worden, daarom kijken we op tegen mensen die hun talenten kunnen omzetten in rijkdom. Van hen verwachten we ook niet dat er gedeeld wordt met de armen.

Toch willen alle mensen vrede. Toch roepen alle mensen dat God toch een einde zou moeten maken aan het leiden. Hongeren en dorsten naar gerechtigheid heet dat in de Bijbel ook wel. En de tegenstelling tussen de dienaren en de vijanden van de God van Israël wordt hier duidelijk geschetst. De dienaren van de God van Israël, zij die de richtlijnen de richtlijnen volgen, zullen eten, gerechtigheid ontmoeten, de vijanden van de God van Israël zullen honger leiden, want gerechtigheid moet je betrachten dat valt je niet toevallig toe, dat verdraagt zich niet met een geluksfactor die omgezet kan worden in een fortuin. Daarom blijft het geweld in de wereld, de vijanden van de God van Israël roepen dat op. Wij zijn daar ook in ons land nog lang niet aan toe. Ingrijpen als er ergens op de wereld onrecht wordt betracht, als volken worden onderdrukt zoals decennia lang met bijvoorbeeld de Koerden is gebeurd. Wij wachten tot er geweld uitbreekt, wij wachten tot de onderdrukten zelf in opstand komen zoals in Syrië is gebeurd. En dan nog helpen wij niet om de dictator te verdrijven, om een einde te  maken aan de tirannie. Wellicht dat er in ons streven en denken iets goeds te vinden is, maar we zullen wel in actie moeten komen. Dat kan elke dag opnieuw, ook vandaag.

Reacties

Jesaja 65:1-7

1 ¶  Al vragen zij niet naar mij, toch laat ik me raadplegen, en al zoeken ze mij niet, toch laat ik me vinden. Al roept dit volk mijn naam niet aan, toch antwoord ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik.’ 2  Heel de dag sta ik met uitgestoken handen tegenover een opstandig volk, dat op de verkeerde weg is en zijn eigen ingevingen volgt. 3  Een volk dat mij openlijk tergt, telkens opnieuw: ze ontsteken offers in tuinen en branden wierook op branders van aardewerk, 4  ze zitten in graven en slapen op geheime plaatsen, ze eten vlees van zwijnen, hun vaatwerk is gevuld met onrein vleesnat. 5  Ze zeggen: ‘Blijf waar u bent, kom niet dichterbij, want wij zijn te heilig voor u.’ Ze prikkelen mij als rook in mijn neus, ze zijn als een vuur dat de hele dag brandt. 6  Hier voor mij ligt wat er geschreven staat; ik zal niet rusten tot ik alles heb vergolden. Ik zal jullie je wandaden terugbetalen 7  en die van je voorouders erbij-zegt de HEER; ook zij hebben wierook gebrand op de bergen en mij gehoond op de heuvels. Ik heb hun loon van tevoren bepaald, ze krijgen het allemaal terug. (NBV)

In een tijd van ontkerkelijking, waarin zelfs het geloven in een God door enkelingen bestreden wordt, vraag menig gelovige zich af wat er nu over is van dat visioen dat een profeet als Jesaja had geschilderd. Dat visioen waar gezegd wordt dat er een samenleving komt waarin alle tranen gedroogd zullen zijn, waar niemand dood gaat voor zijn tijd, waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Het hele boek van de profeet Jesaja is doorspekt van dit soort visioenen. Iedereen kent wel het beeld van het kind dat speelt in het hol van de slang en de leeuw die samen in wei ligt met het lam. Jesaja schildert de ideale samenleving. Zo'n samenleving zal iedereen wel willen hebben. Maar je kunt kennelijk alleen maar dromen van een dergelijke samenleving. Als je alle ellende om je heen ziet dan is er toch maar heel weinig te merken van een dergelijke ssamenleving. In de dagen van Jesaja was dat nog erger, het volk was in ballingschap.

In de dagen waarover het gedeelte van vandaag werd geschreven was een aanzienlijk deel van de ballingen al teruggekeerd naar Jeruzalem. Maar ook daar was nog niet veel te merken van het visioen dat Jesaja zo prachtig had geschilderd. De stad werd opgebouwd maar zo staat elders in de Bijbel de bouwers hadden de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand. Het is als het visioen dat we hadden toen de apartheid op instorten stond. Nelson Mandela was het gelukt in plaats van een burgeroorlog tussen zwart en blank een vreedzame overgang van het apartheidsregiem naar een geïntegreerde samenleving tot stand te brengen. Maar de krottenwijken waren nog lang niet verdwenen. Van een rechtvaardige beloning van zwarte arbeiders is nog nauwelijks sprake. Een eerlijke verdeling van kennis, inkomen en macht in het land is nog ver te zoeken. Kan het allemaal wel die mooie visioenen zoals die in de Bijbel staan, zoals idealisten ze ook in onze dagen weten te dromen.

Jesaja geeft in het gedeelte van vandaag een verrassend antwoord. Het ligt niet aan de visioenen, het ligt niet aan de God van Israël, maar het ligt aan mensen die er niet aan willen. Mensen willen wel mooie godsdienstige rituelen, offers brengen en mooie liederen zingen. Priesters in dure gewaden kleden en ingewikkelde rituelen laten uitvoeren, maar beantwoorden aan de richtlijnen die de God van Israël in de woestijn aan het volk had gegeven voor een menselijke samenleving is er niet bij. Ook in onze dagen bloeit de religie. Klankschalen, kleurtherapiën, planteneters, persoonlijke groeiwijzen, betere geheugens, het komt allemaal voort uit religieuze overwegingen die niets te maken hebben met de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf. Ook zogenaamde Christelijke groeperingen kenden lange tijd die religieuze inslag van als je nu maar hard zingt en met de armen zwaait en op tijd halleluja roept dat komt het goed. Zij krijgen heel langzaam door dat daar het geloof in de God van Israël, het volgen van Jezus van Nazareth niet in zit. Maar je kunt elk moment beginnen die richtlijnen wel te volgen. De God van Israël houdt zijn handen altijd naar je uitgestrekt, maak er dus gebruik van.

Reacties

Jesaja 64:3-11

3  Nog nooit is zoiets gehoord, niet eerder zoiets vernomen. Geen oog zag ooit een god buiten u, die opkomt voor wie op hem wacht. 4  U komt ieder tegemoet die van harte rechtvaardig handelt, die uw weg gaat, met u voor ogen. Maar nu bent u in toorn ontstoken, omdat wij gezondigd hebben. Hadden we maar de oude weg gevolgd, dan zouden we worden gered. 5  Wij allen zijn onrein geworden, onze gerechtigheid is als het kleed van een menstruerende vrouw. Wij allen zijn als verwelkte bladeren, verwaaid op de wind van ons wangedrag. 6 ¶  Er is niemand die uw naam aanroept, die zich ertoe zet uw hand te grijpen. U hebt uw gelaat voor ons verborgen, u hebt ons moedeloos gemaakt en ons overgeleverd aan ons eigen wangedrag. 7  Toch, HEER, bent u onze vader, wij zijn de klei, door u gevormd, wij zijn het werk van uw handen. 8  Laat uw grote toorn toch varen, HEER, houd onze schuld niet steeds in gedachten, maar zie ons aan: wij zijn toch uw volk? 9  Uw heilige plaatsen zijn een woestijn geworden: Sion is een woestijn, Jeruzalem een woestenij. 10  Onze heilige, luisterrijke tempel, waar onze voorouders u hebben vereerd, is ten prooi gevallen aan het vuur, en alles wat ons dierbaar was, is verwoest. 11  Laat dit alles u onbewogen, HEER? Blijft u zwijgen en laat u ons zozeer lijden? (NBV)

Goden laten zich dienen en in ruil daarvoor verrichten zij hun diensten. Zo kijken wij tegen goden op. Daarom kunnen we zeggen dat de slachtoffers van een ramp dat aan zichzelf te danken hebben omdat ze de juiste god, of de juiste goden, niet op de goede manier hebben gediend. Maar goden die zich laten dienen in ruil voor het verrichten van hun diensten bestaan helemaal niet. De God van Israël is het tegendeel. Die komt op voor de minsten op aarde. Die wordt gediend door rechtvaardig handelen. Slachtoffers van een ramp hebben dat nooit aan zichzelf te wijten, voor die slachtoffers begint de God van Israël pas als ze slachtoffer geworden zijn. De oproep om je naaste lief te hebben als jezelf als het liefhebben boven alles van de God van Israël is juist het op de goede manier dienen van die God. Daar worden die slachtoffers in de eerste plaats mee geholpen. Van die weg afwijken brengt de doden met zich mee die onnodig vallen in een ramp of in een oorlog.

Maar zelfs als je afgeweken bent van zijn weg, als je Tempel is verwoest, je stad een woestijn is geworden mag je roepen naar die God om hulp. Want je weet dat die God nooit het werk laat varen dat die ooit begonnen is. De wanhoop om een geweldige ramp kan groot zijn. De ramp in aardbevingsgebied treft honderd duizenden en die wonen vaak  in de armste landen op aarde. De ramp in New Orleans trof tien duizenden en New Orleans ligt in het rijkste land op aarde. De schade voor de armsten in New Orleans is na jaren nog steeds niet hersteld. Wat is het uitzicht voor de armen in de andere gebieden die werden getroffen door aardbevingen? De wereld kan het zich niet laten aanleunen dat die slachtoffers vergeten worden en niet geholpen.  Een handvol soldaten uit arme landen werd tot nu toe betaald om een minimum aan veiligheid voor regering, machthebbers en diplomaten te garanderen. Maar als wij de God van Israël als onze vader aanroepen moeten wij dan niet leren van Jesaja? Zijn volk voelde zich verlaten van God en riep hem aan in alle ellende en deed een beroep op dat “Vader zijn” in het vertrouwen dat God te hulp zou komen.

Kunnen wij God als onze Vader aanroepen als wij onze broeders en zusters in de landen die getroffen zijn door natuurrampen of oorlog en onderdrukking vergeten? Is het niet zo dat wij onze Vader verloochenen en God niet meer als zodanig erkennen als wij onze handen niet uitsteken naar de minsten op deze aarde? Of het nu de verslaafden en de armen zijn in onze eigen steden en buurten of het de slachtoffers zijn van oorlogen, hebzucht, uitbuiting en natuurrampen, zij zijn de broeders en zusters, kinderen van dezelfde Vader als wij, die ons nodig hebben om hen te helpen zoals God onze Vader wil dat zijn kinderen geholpen worden. Dat moeten we leren van Jesaja als hij spreekt over onze gerechtigheid. Recht doen aan mensen daar gaat het om. Dat vergeten, daarvan afwijken, maakt ons bezoedeld en onrein. Deze dagen krijgen we de kans armen tot onze gelijke te maken, te laten delen in de welvaart die wij kennen. Een klein deel van alle vluchtelingen voor oorlog en honger klopt aan onze deur, wij hebben de mogelijkheid ook het laatste dat we hebben met hen te delen, het zou het goede voorbeeld zijn waarmee het kwade bestreden kan worden. Daar kunnen we vandaag mee beginnen.

Reacties

Jesaja 63:15-64:2

15 ¶  Zie neer vanuit de hemel, kijk vanuit uw heilige, luisterrijke woning. Waar zijn uw strijdlust en uw machtige daden? U bent niet meer met mij begaan, uw ontferming gaat aan mij voorbij. 16  U bent toch onze vader? Abraham heeft ons niet gekend en Israël zou ons niet herkennen, maar u, HEER, bent onze vader, van oudsher heet u Onze beschermer. 17  Waarom, HEER, liet u ons afdwalen van uw wegen? Waarom hebt u ons onbuigzaam gemaakt, zodat wij geen ontzag meer voor u hadden? Keer toch terug, omwille van uw dienaren, van de stammen die u toebehoren. 18  Sinds kort hebben onze vijanden uw heilig volk in hun macht gekregen en uw heiligdom vertrapt. 19  Het is alsof u nooit over ons hebt geheerst, alsof uw naam nooit over ons is uitgeroepen. Scheurde u maar de hemel open om af te dalen! De bergen zouden voor u beven. 1 ¶  Zoals vuur dorre twijgen in vlam zet, zoals vuur water doet koken, zo zou u uw vijanden uw naam laten kennen en alle volken voor u laten beven, 2  omdat u de geduchte daden doet waarop wij niet durven hopen. Als u toch zou afdalen! De bergen zouden voor u beven. (NBV)

Vandaag bidden we mee met de profeet. De ellende van de ballingschap is even onverdraaglijk als de ellende van een volk  na een allesvernietigende  aardbeving. Voor Israël was het niet meer voldoende dat ze afstamden van Abraham. Herkomst en afstamming, status en fatsoen zijn niet genoeg, ze tellen niet. De ellende die de profeet schetst maakt dat het lijkt of de God van Israël nooit de God van Israël is geweest. Ver weg is die God zo lijkt het. Was die God er maar, zou die God de hemelen maar scheuren en afdalen. Zo roepen de slachtoffers van elke aardbeving  ook om de hulp van de liefde van alle mensen in de wereld en we weten dat die liefde uiteindelijk van God komt. Die liefde is als het vuur dat het water doet koken. Voor Israël was er een machtige vijand die het land had bezet en de tempel in Jeruzalem verwoest. In Israël werd dat uitgelegd als een straf van God omdat ze zijn gebod van heb uw naaste lief hadden vergeten. In onze dagen zijn er heidenen die ook beweren dat een alles verwoestende aardbeving de straf van een God zou zijn omdat ze daar zondig zijn. Maar als dat zo zou zijn dan zou de hele aarde beven en overal vergaan.

Het volk dat wordt getroffen door een aardbeving is niet slechter dan het volk van Nederland, Engeland of de Verenigde Staten, het volk dat om hulp roept is alleen armer, som is het zelfs het armste volk op aarde. Als er ergens schuld is aan het aantal slachtoffers dan ligt die schuld bij de rijken in de wereld, die huis aan huis tezamen voegen en akker aan akker, die met list en bedrog grote kapitalen weten te verwerven maar die met valse propaganda weten te voorkomen dat er eerlijk gedeeld wordt met de allerarmsten. Dat de leer van Mozes toegepast wordt op en door alle volken zodat elk volk de zelfde mogelijkheden voor woningbouw had als het volk van Japan, waar wel aardbevingsbestendig gebouwd kan worden. Wij hebben dat zelfs niet gerealiseerd in ons wingewest Groningen. De profeet Jesaja roept wanhopig uit dat God alle volken zou laten beven als hij zou komen. Dat beven van alle volken hebben we vandaag even hard nodig als het volk Israël in de dagen van Jesaja.  Want zijn de slachtoffers van natuurrampen niet gewoon onze broeders en zusters? Is hun bloed niet even rood als het onze zou zijn als de natuurramp hier plaats had gevonden?

In onze samenleving wordt geprobeerd haat te zaaien tussen mensen op basis van geloof en afkomst. Maar al die mensen die geven op giro 555 vragen zich niet af wat het geloof of de afkomst is van de slachtoffers van de natuurramp, ze zien de ellende en steken de hand uit om de mensen tegemoet te komen in hun ellende en gelijk hebben ze daarin. Jesaja durfde te stellen dat de afloop van de ellende van zijn volk de terugkeer naar het beloofde land zou zijn. Het volk zou weer in ere hersteld worden en het middelpunt zou weer de Tempel in Jeruzalem zijn zodat alle volken de richtlijnen van de God  van Israël zouden kunnen volgen. Wij zouden de droom van Jesaja tenminste een beetje kunnen laten uitkomen als we ons voornemen het niet te laten bij een eenmalige hulp aan de slachtoffers van elke grote natuurramp maar ons voor te nemen ze te blijven steunen net zo lang tot ze een samenleving hebben die voor wat betreft de welvaart zich kan meten met de onze. We kunnen er vandaag nog mee beginnen. Elke zondag wordt er ook in heel veel kerken gecollecteerd, de godsdienstoefening in delen, vraag dan om een voorbede zoals Jesaja die ons vandaag heeft geleerd.

 

Reacties

Jesaja 63:7-14

7 ¶  Ik zal de liefde van de HEER gedenken en zijn roemrijke daden bezingen: alles wat de HEER voor ons heeft gedaan, de goedheid die hij het volk van Israël bewees in zijn ontferming en onbegrensde liefde. 8  Hij zei: ‘Natuurlijk, het is mijn volk! Mijn kinderen zijn te vertrouwen.’ Daarom wilde hij hun redder zijn. 9  In al hun nood was ook hijzelf in nood: zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid. In zijn liefde en mededogen heeft hij hen zelf verlost, hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door. 10  Maar zij zijn in opstand gekomen en hebben zijn heilige geest gekrenkt. Daarom werd hij hun tot vijand en bond hij de strijd met hen aan. 11  Toen dacht hij aan de dagen van weleer, aan Mozes en zijn volk. Waar is hij die zijn volk door de zee voerde, waar zijn de herders van zijn kudde? Waar is hij die hen bezielde met zijn heilige geest? 12  Die Mozes ter zijde stond met zijn luisterrijke arm, die voor hen het water kliefde om zich een eeuwige naam te verwerven? 13  Die hen door de diepte leidde als paarden door de woestijn, zonder dat ze struikelden, 14  als vee dat afdaalt naar het dal? Het was de geest van de HEER die hun rust gaf. Ja, u hebt zelf uw volk geleid om u een luisterrijke naam te verwerven. (NBV)

We lezen vandaag een zeer optimistisch stukje uit de Bijbel. God kiest een volk, staat het bij, leidt het uit het land van de slavernij en geeft het een richtlijn waar het eeuwig van zou kunnen profiteren. Maar die kinderen beschamen dat vertrouwen en komen in opstand tegen het idee altijd maar van je naaste te moeten houden als van jezelf en altijd maar de minsten, de zwaksten, in je samenleving voorop te moeten zetten. Dat beschamen van vertrouwen in God leidt tot oorlog en ellende. Maar God herinnert zich de band met het volk, de leiders van het volk die zijn leer door wisten te geven, de koningen die vrede wisten te stichten en God berouwt de vijandschap die hij is aangegaan met zijn eigen volk. Het volk wordt dus opnieuw gered. Nu staat er in vers 9 een zootje onzin waar we geen raad mee weten. Nee niet alleen nu, hier in deze overweging, maar vanouds struikelen geleerden en vertalers over wat hier in de Bijbel staat.

Zou God zelf echt in nood komen als zijn volk in nood komt? Die gedachte komt verder nergens in de Bijbel voor. Waar je wel aan zou kunnen denken is het medelijden dat God krijgt met mensen die wel goed willen maar nog steeds onderdrukt worden en moeten lijden, dat was ook waarom God zijn volk bevrijdde uit de slavernij in Egypte. En dan die rare engel van zijn tegenwoordigheid. Ook die kunnen we niet plaatsen. In het boek Exodus wordt wel verteld over een Engel die vooruitgestuurd wordt om de verovering van het beloofde land voor te bereiden en over God zelf die meegaat met het volk. Hier wordt gezegd dat God zelf hen verlost heeft en dan is een engel helemaal niet nodig in deze tekst. We hebben al eerder vastgesteld dat het boek Jesaja een aantal schrijvers kent die in de loop van de tijd steeds aanvullingen hebben gegeven. Dat kan dus wel eens tot misverstanden leiden. Hier dus ook. Maar voor ons wordt de tekst er eigenlijk alleen maar optimistischer door. Het betekent dat God met ons mee blijft gaan.

Ook al vergeten wij nog wel eens zijn richtlijn om van je naaste te blijven houden als van jezelf. Ook al vergeten wij dat we onze samenleving moeten inrichten op de minsten op de zwaksten op aarde. Zoals we ontdekt hadden dat we het volk van Irak vergeten waren toen daar de dictator verdreven was, dat volk is van het ene lijden in het andere terechtgekomen. Zoals we ontdekken in deze dagen dat we het volk van Haïti eigenlijk vergeten zijn. Bij de eerste de beste tegenslag ligt heel dat land in puin door een aardbeving en is iedereen daar afhankelijk van onze hulp. Giro 555 is dan zeer aan te bevelen maar kunnen en durven we vragen om een ontwikkelingsplan voor de lange termijn? Durven we het aan om als doelstelling te stellen dat bij een volgende aardbeving op een andere plaats op aarde het volk van Haïti vliegtuigen met hulpgoederen kan vullen van haar eigen overvloed om de slachtoffers te helpen? Is het niet zo dat pas als zij kunnen wat wij nu kunnen opbrengen we hen geholpen hebben zoals we zelf geholpen zouden willen worden? Daar roept de profeet ons vandaag toe op, wij mogen weten dat op die Weg God met ons gaat, ook al vergeten wij dat maar al te vaak.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl