basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

2 Kronieken 9:13-31

13 ¶  Koning Salomo ontving jaarlijks zeshonderdzesenzestig talent goud, 14  nog afgezien van het goud dat de handelskaravanen meebrachten. Ook de Arabische vorsten en de stadhouders van Israël droegen goud en zilver aan Salomo af. 15  De koning liet tweehonderd grote schilden maken van gedreven goud; in één zo’n schild werd zeshonderd sjekel gedreven goud verwerkt. 16  En ook nog driehonderd kleinere schilden van gedreven goud; in één zo’n schild werd driehonderd sjekel goud verwerkt. Deze schilden liet hij opstellen in de hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. 17  Van ivoor liet hij een grote troon maken, die werd verguld met zuiver goud.  18  Zes treden leidden naar de troon, waaraan ook een gouden voetenbank was bevestigd en armleuningen aan weerskanten van de zitting. Naast de armleuningen stonden twee leeuwen 19  en op de zes treden stonden er twaalf, één aan elke kant van iedere tree. In geen enkel koninkrijk was ooit zo’n troon gemaakt. 20  Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud en al het andere vaatwerk in het Woud van de Libanon was verguld, want aan zilver hechtte men in de tijd van Salomo geen bijzondere waarde. 21  De koning beschikte namelijk over een handelsvloot die, bemand door zeelieden van Churam, op Tarsis voer en eens in de drie jaar binnenliep met een lading goud, zilver, olifantstanden, apen en pauwen. 22  Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. 23  Van heinde en ver kwamen koningen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. 24  En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit. 25  Salomo beschikte over vierduizend stalplaatsen voor paarden en wagens, en over twaalfduizend wagenmenners. Die waren deels bij de koning in Jeruzalem ondergebracht en deels in garnizoenssteden verspreid over het land. 26  Salomo had de heerschappij over alle koningen tussen de Eufraat en het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. 27  Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. 28  Paarden werden voor Salomo aangevoerd uit Egypte en verschillende andere landen. 29  Verdere bijzonderheden over Salomo zijn van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de profeet Natan, in de profetie van Achia uit Silo en in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. 30  Veertig jaar regeerde Salomo vanuit Jeruzalem over heel Israël, 31  tot hij bij zijn voorouders te ruste ging. Hij werd begraven in de Davidsburcht, en zijn zoon Rechabeam volgde hem op. (NBV)

Genoeg over Salomo. Er valt nog veel over deze Koning te vertellen maar dan moet je maar de geschriften van de profeet Natan lezen of de profetie van Achia uit Silo of in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. Daar staat de rest van het verhaal in. Die boeken zijn verloren gegaan. Bijna zou je zeggen "helaas" Maar zo is het niet. Wie zich afvraagt waarom er eigenlijk zo weinig over de tweede twintig jaar van de regering in het boek Kronieken staat heeft hier het antwoord. In dit boek staat het belangrijkste, dat waar het echt over moet gaan. Ten eerste de Tempelbouw, over die twintig jaar wordt uitgebreid vertelt. Daar waren de eerste lezers van de Kronieken ook mee bezig. Ze zullen zich af en toe best afgevraagd hebben waar ze het allemaal voor doen, er was immers veel weerstand tegen de herbouw van de Tempel onder leiding van Ezra en Nehemia.

De schrijver van de Kronieken geeft het antwoord. Als je de Tempel, met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, centraal stelt in je samenleving dan groeit je land in rijkdom en aanzien. Dat wordt je zo rijk dat zilver weinig meer waard is. Stel je dat eens voor, zilver niks meer waard. Voor ons bijna onvoorstelbaar. Voor de Bijbel niet, in de Bijbel is het zelfs niet onbestaanbaar  dat goud niks meer waard is. In een nieuw Jeruzalem zullen de straten van goud zijn, we kunnen van goud gewoon straatstenen maken, meer is het niet waard. De rijkdom die we hebben komt van de God van Israël. Als iedereen dat zou beseffen en bereid zou zijn te delen van wat God geeft dan hoeven we niet steeds meer en nog meer, dan hebben we altijd genoeg. En in een samenleving die rust op recht en gerechtigheid straalt het als een licht dat niet verborgen kan blijven. Jeruzalem wordt een stad waar alle volken naar kijken, van heinde en verre komen de Koningen van de wereld naar Salomo die de vreze voor God als begin van alle wijsheid kent.

En denk niet dat die Koningen op het idee komen dat ze die rijkdom wel zouden kunnen stelen. Paarden en wagens in overvloed, een gastenhuis met duizend gouden schilden. Elke stad kende een eigen garnizoen dat voor de veiligheid moest zorgen. Dat is het vooruitzicht dat aan de bouwers van Jeruzalem wordt geschilderd. Dat vooruitzicht ligt in hun verleden. We kennen het dus al, we kunnen het ons voorstellen. Zo weten wij wat een land is dat in vrede leeft, dat is ons land, een vrede die we kunnen verspreiden, tot aan de einden der aarde is ons opgedragen. Wij weten wat zorg en aandacht opleveren. De gemiddelde leeftijd in ons land is in de laatste honderd jaar bijna verdubbeld. Dat streven naar vrede, recht en gerechtigheid, naar delen van wat God ons geeft mogen we dus nooit opgeven, geen dag.

 

Reacties

2 Kronieken 9:1-12

1 ¶  De roem van Salomo was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen en kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan kamelen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. 2  En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. 3  Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, 4  de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden en schenkers en de plechtige stoet waarin hij zich naar de tempel van de HEER begaf, was ze buiten zichzelf van bewondering. 5  Ze zei tegen de koning: ‘Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen.  6  Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb, moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid is nog veel groter dan wordt gezegd. 7  Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! 8  Geprezen zij de HEER, uw God, die zo veel behagen in u schept dat hij u op de troon heeft gezet om in zijn naam koning te zijn. Uw God heeft Israël zo lief dat hij het voor altijd wil doen standhouden. Daarom heeft hij u als koning aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.’ 9  De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Het reukwerk dat de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, was van onovertroffen kwaliteit. 10  De zeelieden van Churam en Salomo die het goud uit Ofir hadden meegebracht, voerden ook sandelhout en edelstenen mee. 11  Uit het sandelhout liet Salomo trappen maken voor de tempel van de HEER en het koninklijk paleis, en ook lieren en harpen voor de zangers. Nooit eerder was er in Juda zoiets gezien. 12  Koning Salomo gaf de koningin van Seba alles waar ze maar om vroeg. Hij gaf haar zelfs meer dan zij voor hem had meegebracht. Daarna keerde ze met haar gevolg naar haar eigen land terug. (NBV)

Vandaag lezen we een verhaal dat door de eeuwen heen veel indruk heeft gemaakt. Het verhaal van de Koningin van Seba. Maar het wordt over het algemeen op een zeer vrouwonvriendelijke manier verteld. Die koningin kwam naar Salomo vanwege zijn wijsheid. Het was kennelijk niet haar bedoeling bij Salomo te blijven, of zo maar een vakantiebezoek te brengen. Ze had zich goed voorbereid en vooraf de vragen overwogen die wilde stellen. En ze was zeer onder de indruk. Salomo had orde in de chaos geschapen die een grote hofhouding kan meebrengen. Iedereen had een plaats en alles had een tijd waarop het moest gebeuren. Alle kleren waren mooi, heel en schoon. Maar het begon met de vragen. En dat wordt vaak overgeslagen. Wat kan een vrouw nu vragen dat een man niet kan beantwoorden?

Dat is dus zeer vrouwonvriendelijk. En dat doet de Koningin onrecht. Het gaat haar om recht en gerechtigheid. En een vorst of vorstin die haar onderdanen tot hun recht wil laten komen is meer dan goud waard. De meeste machthebbers denken immers dat de onderdanen er zijn om hen te laten schitteren, zodat ze als machthebbers tot hun recht komen. Bij een staatsbezoek hoort ook het uitwisselen van geschenken. Ook in de Nederlandse paleizen staat het vol met zulke geschenken. Goud, reukwerk en edelstenen kreeg Salomo. Geschenken van hoge kwaliteit. Maar er kwam nog meer naar het paleis van Salomo, sandelhout en nog meer edelstenen. Er wordt wel eens gesproken over de handel waarmee Salomo dit heeft verdiend. Maar daarover is in de Bijbel niets te lezen. De zeelui gingen en kwamen beladen met schatten weer terug.

Salomo sloeg de pas verkregen schatten niet op in zijn paleis. De God van Israël kwam eerst en hij liet daarom de Tempel nog mooier maken dan die al was. Er kwamen trappen van sandelhout, er kwamen lieren en harpen voor de priesterkoren en de orkesten van de levieten. Zo iets hadden de mensen nog nooit gezien. Maar niet alleen de gaste kwam met geschenken, ook de gastheer wist van geschenken die de vriendschap onderhouden. Uiteindelijk leek het een wedstrijdje te worden in wie de rijkste was. Salomo won dat, de Koningin kreeg meer dan ze had meegebracht. Het hele verhaal roept voor ons de vraag op waar dat rare idee vandaan kwam dat een vrouw niet zou kunnen besturen, niet in de politiek of op de kansel zou thuishoren. De Bijbel zet twee verstandige, succesvolle koningen naast elkaar, de een vrouw, de ander man en ze doen voor  elkaar niet onder. Daar kunnen we soms nog wel eens een voorbeeld aan nemen.

Reacties

2 Kronieken 8:12-18

12 ¶  Toen de tempel eenmaal voltooid was, bracht Salomo brandoffers op het altaar van de HEER dat hij tegenover de voorhal van de tempel had laten maken. 13  Daar bracht hij de offers die Mozes had voorgeschreven voor sabbat, nieuwemaan en de drie grote jaarlijkse feesten: het feest van het Ongedesemde brood, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. 14  Hij stelde het dienstrooster in werking dat zijn vader David had opgesteld voor de afdelingen van de priesters en voor de Levieten die tot taak hadden de lofzang ten gehore te brengen en de priesters bij de eredienst behulpzaam te zijn. Ook de poortwachters voor de verschillende poorten liet hij volgens wachtdienst aantreden, alles overeenkomstig de voorschriften van David, de man van God. 15  Alle voorschriften van de koning aangaande de priesters en de Levieten, ook wat betreft het beheer van de tempelschatten, werden stipt opgevolgd. 16  Zo werd het werk van koning Salomo volledig uitgevoerd, vanaf de dag van de grondvesting van de tempel van de HEER tot aan zijn uiteindelijke voltooiing. 17  Daarna ging Salomo naar Esjon-Geber en Elat, aan de kust van Edom. 18  Churam stuurde hem onder bevel van zijn gezagvoerders een vloot met een ervaren bemanning, die samen met de zeelieden van Salomo naar Ofir voer, van waar ze vierhonderdvijftig talent goud voor koning Salomo meebrachten. (NBV)

Toen de Tempel klaar was nam het leven weer haar gewone gang. Dat is wat de schrijver van de Kronieken ons wil vertellen. Dat was belangrijk voor de teruggekeerde ballingen. Ze waren in een nieuw land terecht gekomen. Een land dat de meesten van hen nooit gekend hadden. Ze waren geboren en getogen in Babel. Daar hadden ze gehoord bij een godsdienstige minderheid. Zo af en toe was die minderheid ook vervolgd geweest. Dat ze daar niet bang voor hoefden te zijn hadden ze geleerd uit het verhaal over Esther. Maar wat was nu het gewone leven in het land waar ze een meerderheid hadden gevormd. Het land waar ze hun godsdienst weer vorm en aanzien hadden gegeven. De Priesters en levieten hadden hun eigen verhalen en geschriften mee terug genomen. Dienstroosters waren daarbij geweest die vertelden welke priesters wanneer tempeldienst hadden en welke levieten werden aangewezen om te helpen. Omdat die dienstroosters terug zouden gaan op de tijd van David kregen ze geldigheid. Ook Salomo had er immers na voltooiing van de Tempel gebruik van gemaakt.

David had ook wachters aangesteld bij de Tent die hij in Jeruzalem voor de Ark van het verbond had opgericht. Ook die voorschriften waren bewaard gebleven en door Salomo al gebruikt. Daar konden de teruggekeerde ballingen van profiteren. Zo kunnen ook wij natuurlijk profiteren van de verhalen die ons door de eeuwen heen bereikt hebben. Waar we best over van mening kunnen verschillen maar waarvan de kern steeds hetzelfde blijft. God heeft ons lief als wij God liefhebben. Een land opbouwen zullen we elke generatie weer opnieuw moeten doen. Ooit heeft de oorlog ons land bereikt, daarna kwam een periode van wederopbouw. Tijdens die wederopbouw heeft ook ons sociaal stelsel vorm gekregen. We bouwden dus niet alleen een land op waar door weinigen veel geld verdient kon worden maar waar ook plaats was voor ouderen, zieken en gehandicapten, mensen zonder werk, en voor vreemdelingen. Een land waar gezorgd werd voor iedereen die zorg nodig had. En als iemand ons vroeg waarom dan wezen we op de Bijbel die ons in beweging had gebracht voor een land gebouwd op liefde en zorg.

Salomo bracht offers in de Tempel staat er. Elke week weer en op de feestdagen van Israël. Offers worden in de Bijbel niet gebracht om God in leven te houden, maar om te laten zien dat je beseft dat wat je gekregen hebt, wat je verdiend hebt met werk en handel van God afkomstig is. Op de drie grote feesten die wij kennen als Pasen, Pinksteren en het Loofhuttenfeest moest men zelfs maaltijden houden met de familie, de meiden en de knechten, de slaven en slavinnen, de armen en de vreemdelingen. Ook Salomo volgde dus deze regels. Salomo was overigens rijk genoeg. Maar ook die rijkdom had een eindigheid. Al die bouwwerken, al die offers werden ook een last, een belasting. Die burgers van vreemde volken kun je wel voor niks laten werken maar ze moesten toch te eten hebben en ergens wonen. Churam, de koning die Salomo voortdurend had geholpen, wist waar het goud te vinden zou zijn. Israëlieten hadden het niet zo op varen op zee, dus stelde Churam een vloot beschikbaar die samen met Salomo het goud uit Ofir liet halen. Ook voor ons wacht dat goud. Als wij delen, als wij vrede weten te bewaren met iedereen op aarde, als we blijven hongeren naar gerechtigheid dan wordt de hele aarde van goud. Daar mogen we elke dag aan werken.

Reacties

2 Kronieken 8:1-11

1 ¶  Twintig jaar had Salomo besteed aan de bouw van de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 2  De steden die koning Churam hem gegeven had breidde hij uit, zodat daar Israëlieten konden wonen. 3  Hij trok op tegen Hamat-Soba en veroverde het. 4  Hij versterkte Tadmor, dat in de woestijn ligt, en de steden die hij in Hamat had laten bouwen om er voorraden op te slaan. 5  Van Hoog-Bet-Choron en Laag-Bet-Choron maakte hij vestingsteden met muren en vergrendelbare stadspoorten, 6  en hij versterkte ook Baälat en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. 7-8 Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten hen niet hadden uitgeroeid. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 9  De Israëlieten zelf, die soldaten waren en bevelhebbers van de garde, de wagenmenners en de ruiterij, waren dus niet verplicht tot herendienst. 10  Tweehonderdvijftig van hen stelde Salomo aan als opzichters die de leiding over het werkvolk hadden. 11  De dochter van de farao liet hij van de Davidsburcht verhuizen naar de vertrekken die hij voor haar in het paleis had laten bouwen, ‘want, ‘zei hij, ‘geen vrouw van mij zal in de burcht van koning David van Israël wonen. De plaatsen waar de ark van de HEER heeft gestaan zijn immers heilig.’ (NBV)

Het gedeelte dat we vandaag uit de boeken Kronieken lezen is het begin van een verhaal over het tweede deel van de regering van Salomo. Eerder was ons al verteld dat Salomo veertig jaar heeft geregeerd, het aantal jaren dat God gegeven heeft om zijn doel te bereiken. De eerste twintig jaar heeft Salomo besteed aan de bouw van de Tempel in Jeruzalem. De volgende twintig jaar aan het regeren over zijn rijk. Wat dat rijk nu precies geweest is was de vraag. En het was zeker een vraag voor de ballingen die teruggekeerd waren uit de ballingschap in Babel. Het antwoord van de schrijver van de Kronieken was eenvoudig. Het rijk van Salomo was een groot rijk geweest, groter dan het rijk van Dan tot Berseba waar Israël ooit mee begonnen was. Zowel naar het noorden als naar het zuiden strekte het zich verder uit. Zelfs de Libanon werd tot het rijk van Salomo gerekend. Salomo was de koning van de bouw. De bouw van de Tempel stond natuurlijk voorop.  Maar daar bleef het niet bij.

Salomo bouwde zijn rijk uit en in de steden die er vanouds waren en die de sporen van oorlogen droegen bouwde hij opnieuw. Natuurlijk hoefde hij niet zelf te bouwen. Daar waren mensen voor. Als je die mensen zou moeten betalen dan kon zelfs de rijke Salomo dat niet dragen. Maar er is een andere mogelijkheid. Die van de Herendiensten. Gratis arbeid dat je ten behoeve van de gemeenschap moet leveren. Een vijftal volkeren die hadden moeten worden uitgeroeid maar die toch in het land bleven wonen hielpen bij de herbouw en de renovatie. En dat tot op de dag van vandaag schrijft de Kronist. Dat was handig voor de teruggekeerde ballingen die het land weer aan het opbouwen waren. Op grond van de Bijbel kregen ze ineens een groot aantal hulparbeiders aangeboden. Die herendiensten zijn overigens niet vreemd. Zelfs onze gemeentewet kende een bepaling die burgers konden verplichten gratis arbeid te verrichten. Van de bouwers die onder Ezra en Nehemia Jeruzalem weer opbouwden en de Tempel weer herstelden staat geschreven dat ze de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand hadden.

Dat was onder Salomo wel anders. Iedereen die geroepen was om het land en het volk te beschermen was vrijgesteld van de Herendienst, hooguit werden ze opzichters. De godsdienst van Israël wilde het tegendeel zijn van de godsdienst van Egypte. In Egypte heerste de aanbidding van de dood. Met geweldige bouwwerken moest de dood ongedaan gemaakt worden. Israël had een godsdienst van het leven. Niet het leven voor iedereen afzonderlijk maar het leven voor het volk. Wat er ook zou gebeuren de God van Israël zou er voor zorgen dat het leven van het volk geen einde zou kennen. Salomo moest daarom afstand nemen van Egypte. Maar ja, hij was met een Egyptische prinses getrouwd. Voor haar werd dus een apart onderkomen gebouwd. Helemaal afstand nemen van de vrouwen van vreemde volken hoefden de ballingen dus ook niet echt, maar afstand houden en trouw blijven aan de godsdienst bleven voor op staan. En dat laatste geld ook voor ons. Angst voor vreemdelingen hoeven we niet te hebben, ze kunnen een belangrijk aandeel leveren aan onze samenleving, maar trouw aan onze godsdienst van delen en liefhebben moet voorop blijven staan.

Reacties

Psalm 83

1 ¶  Een lied, een psalm van Asaf. 2 God, houd u niet stil, zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe, 3 uw vijanden roeren zich, trots heffen uw haters het hoofd. 4  uw volk smeden zij een complot, ze spannen tegen uw lieveling samen, 5 en zeggen: ‘Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls naam zal nooit meer worden genoemd.’6 Zij hebben samen plannen gesmeed en zich tegen u verenigd: 7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de zonen van Hagar, 8 Gebal en Ammon en Amalek, Filistea en de bewoners van Tyrus. 9 Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten en de hand gereikt aan de zonen van Lot. sela 10 Doe met hen als met Midjan, als met Sisera en Jabin in het Kisondal, 11 die bij Endor werden vernietigd en als mest op het land bleven liggen. 12 Behandel hun vorsten als Oreb en Zeëb, hun leiders als Zebach en Salmunna, 13 die zeiden: ‘Wij bezetten het land waar God zijn woning heeft.’14 Mijn God, maak hen tot distelpluis, tot kaf dat verwaait in de wind. 15 Zo snel als vuur het bos verbrandt, als vlammen de bergen verschroeien, 16 laat zo uw storm hen voortjagen, uw wervelwind hen verwarren. 17 Overdek hen met schande, dan zullen zij vragen naar uw naam, HEER.18 Laat hen beschaamd staan, in verwarring raken en eerloos verloren gaan, voorgoed. 19 Dan zullen zij weten dat uw naam HEER is, dat u alleen de Allerhoogste bent op aarde. (NBV)

Vandaag zingen we mee met Psalm 83. Uit de vermelding dat het een psalm van Asaf is mogen we opmaken dat de Psalm gezongen werd bij de Tempel. Daar waar de Wet van de liefde werd bewaard en geoefend kwam het volk bij elkaar, waarschijnlijk voor een vastendag, samen te delen, maar ook om zich samen sterk te voelen als kinderen van de God die ooit had gezegd met hen mee te gaan. Want elk volk heeft zo zijn vijanden en zeker Israël kent een lange geschiedenis met volken die dat vruchtbare land wel zouden willen beheersen en zelfs bewonen. Er worden hier zelfs 10 vijandige volken genoemd waarvan er een aantal zelfs nog familie van Israël zijn. Edom, afstammelingen van Esau en de Ismaëlieten, afstammelingen van de oudste zoon van Abraham. Kennelijk waren ook de afstammelingen van Lot, de neef van Abraham in conflict geraakt met Israël. In de nieuwe Bijbelvertaling duikt overigens ineens Assyrië op in het rijtje, een land dat in andere vertalingen niet voorkomt.

De geleerden zijn het er niet over eens welke vijand hier nu weer wordt aangeduid. Het meest waarschijnlijk is de Arabische stam van de Assurieten die in het boek Genesis worden genoemd. Dat plaatst het ontstaan van de Psalm tenminste voor de ballingschap. God wordt gevraagd te doen met de vijanden wat er ook met de vijanden gebeurde in de dagen van de Rechters. In het Hebreeuws klinkt dit lied rauw en onheilspellend. Een paar duizend mensen dit lied horen zingen moet diepe indruk gemaakt hebben op de vijanden. Toch zingt de Psalm ook uit dat men niet zozeer voor eigen belang oorlog wil voeren. Juist de hebberigheid van de vijanden wordt veroordeeld. Daarom moet het een oorlog van de Heer zelf worden, ter bescherming van de armen, van de zwakken ook. Jezus van Nazareth zou veel later oproepen zelfs je vijanden lief te hebben. Een volk heeft niet altijd de keus geen oorlog te voeren als het wil blijven bestaan.

Maar uit deze Psalm kunnen we al leren dat er een groot verschil is tussen een veroveringsoorlog, waarbij de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf met voeten wordt getreden en een verdedigingsoorlog waarbij de nadruk ligt op het verdedigen van de zwaksten in de samenleving. In de dagen waarin deze Psalm ontstond was elk volk op zichzelf aangewezen. Bondgenootschappen werden gesmeed om er zelf beter van de worden. Bondgenootschappen gericht op onderlinge hulp en bijstand waren zeldzaam. Tegenwoordig hebben we de Verenigde Naties als organisatie gericht op het brengen van vrede en bescherming van de zwaksten op onze aarde. Daarom kunnen oorlogen worden afgemeten aan de vraag of ze met of zonder toestemming van de Verenigde Naties gevoerd worden. Maar dat we samen vragen om kracht om de armsten op aarde te beschermen is zeker vandaag een bede die we samen zingend kunnen aanheffen.

Reacties

Spreuken 11:22-31

22 ¶  Schoonheid bij een vrouw zonder verstand is een gouden ring in de snuit van een varken. 23 ¶  Wat een rechtvaardige verlangt, brengt niets dan goeds, wat een goddeloze hoopt, veroorzaakt rampspoed. 24 ¶  Wie vrijgevig is, wordt almaar rijker, wie gierig is, wordt arm. 25 ¶  Een gulle gever zal gedijen, wie te drinken geeft, zal te drinken krijgen. 26 ¶  Wie zijn graan vasthoudt, wordt door het volk vervloekt, wie het verkoopt, wordt gezegend. 27 ¶  Wie het goede zoekt, zal waardering vinden, wie het kwade zoekt, wordt door het kwaad getroffen. 28 ¶  Wie vertrouwt op zijn rijkdom is een blad dat valt, een rechtvaardige komt tot bloei. 29 ¶  Wie have en goed verwaarloost, krijgt er wind voor terug, zo’n dwaas wordt de slaaf van een wijze. 30 ¶  Een rechtvaardig mens plant een levensboom, wie wijs is, neemt veel mensen voor zich in. 31 ¶  Een rechtvaardige krijgt op aarde zijn loon, zondaars en goddelozen niet minder. (NBV)

Het boek Spreuken lijkt ook na herhaaldelijk lezen een losse verzameling spreekwoorden. Nu komt dat ook doordat sommige vertalingen dat versterken. In een oude vertaling staat bijvoorbeeld “wie laaft wordt ook gezalfd” waar tegenwoordig staat “wie te drinken geeft zal te drinken krijgen” Dat laatste zal eerder in het spraakgebruik worden opgenomen dan het eerste maar we hebben er al een prima spreekwoord voor: “Wie goed doet, goed ontmoet” Het vat het hele deel samen dat we vandaag uit het Spreukenboek lezen. Maar we moeten in de gaten blijven houden dat het nog steeds gaat om de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Daarbij is het boek Spreuken de alledaagse uitwerking van de Wetten van Mozes, de Wet die God gaf op de Horeb en die zich laat samenvatten als “Heb God lief boven alles en doe dat door je naaste lief te hebben als jezelf.”

De Wijze wordt nog steeds tegenover de dwaas gezet. De sociaal levende mens tegenover de egoïst. En ook al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. Daar begint het gedeelte van vandaag mee. Uiterlijke opsmuk, uiterlijke sier telt niet, alleen het gedrag telt. We zeggen zo gemakkelijk dat het innerlijk telt maar het innerlijk is alleen voor God zichtbaar en God wil nu eenmaal graag dat zijn heerlijkheid voor alle mensen zichtbaar wordt en dat wordt alleen zichtbaar in de liefde voor de naaste. Een rechtvaardige, iemand die de ander tot zijn of haar recht weet te laten komen is een mens van wie iets uitgaat. Die mens is op anderen ingesteld en merkt het direct als het die ander niet zo vergaat als hij zou willen dat het hem zelf zou vergaan. Doe de ander niet wat jij niet wil dat jou gedaan wordt is immers maar de helft van het verhaal.

De andere helft is dat je de ander zou moeten doen wat jij zou willen dat jou gedaan wordt. Als jij langs de kant van de weg ligt zou je toch willen dat iemand een hand uitsteekt om je te laten opstaan. Als jij honger hebt zou je willen dat iemand je voedt en als je dorst hebt zou je willen dat iemand je te drinken geeft. Nu spreekt het boek Spreuken wel gemakkelijk uit dat wie kwaad zoekt het kwaad zal overkomen maar dat merken we niet altijd in de praktijk. De onrechtvaardigen zwemmen in hun rijkdom, hun ogen puilen uit van vet zegt de psalmdichter. Maar die let dan ook op het einde van die onrechtvaardigen en dan is te merken dat dat einde niet plezierig is, ze worden in elk geval als vrekken en gierigaards niet met plezier herdacht en zijn geen voorbeelden voor de nakomende generaties. Wij mogen elke dag opnieuw ons leven vernieuwen door de Weg te gaan die de God van Israël ons wijst, de Weg van wijsheid zoals we die in het Spreukenboek vinden, de Weg van delen en zorgen voor de naaste. Dat mag ook vandaag weer.

Reacties

Spreuken 11:12-21

12 ¶  Wie zijn medemens kleineert, heeft geen verstand, iemand met inzicht zwijgt. 13  Bij een roddelaar is een geheim niet veilig, wie betrouwbaar is, hult zich in zwijgen. 14 ¶  Door gebrek aan visie gaat het volk ten onder, een keur van raadgevers brengt het tot bloei. 15 ¶  Wie borg staat voor een vreemde brengt zichzelf veel schade toe,  wie zo’n handslag wantrouwt, weet zich veilig. 16 ¶  Een vrouw verwerft haar eer door haar bevalligheid, een man zijn rijkdom door zijn kracht. 17 ¶  Wie liefdevol is, bewijst zichzelf een weldaad, wie wreed is, schaadt zichzelf. 18 ¶  De winst van een goddeloze is bedrieglijk, het loon van een rechtvaardige is duurzaam. 19 ¶  Wie werkelijk rechtvaardig is vindt het leven, wie uit is op het kwaad de dood. 20 ¶  De HEER verfoeit bedriegers, wie eerlijk leven, zijn hem welgevallig. 21 ¶  Zo zeker als een onrechtvaardige gestraft wordt,  zo zeker gaat het nageslacht van een rechtvaardige vrijuit. (NBV)

Hadden we bij het lezen van het eerste deel van dit hoofdstuk het nog over de manier waarop mensen zich tot elkaar verhouden bij het handeldrijven, in het tweede deel van dit hoofdstuk gaat het meer in het algemeen over hoe mensen zich tot elkaar verhouden in de samenleving. Waarbij die samenleving natuurlijk ook de plek is waar handel wordt gedreven en waar wordt genoten van de vruchten van dat handeldrijven. De nadruk ligt in een aantal verzen op het vermogen te zwijgen over wat je ziet. Je ergert mensen niet, je zet mensen niet tegen je op, je verspreidt geen laster en, wat het allerbelangrijkst is je beschadigt geen mensen, zeker niet per ongeluk of ondoordacht. Dat zwijgen goud is blijkt uit dit gedeelte van het boek Spreuken. In onze samenleving, waar ieder detail van mensen over straat kan gaan, zijn deze spreuken hoogst actueel en wellicht volledig vergeten, er zijn immers mensen die een goed bestaan hebben aan de roddel die ze verspreiden.

Voordat je een oordeel velt over de samenleving, en daarmee een visie geeft op waar het naar toe moet, doe je er goed aan eerst eens goed na te denken en te rade te gaan bij betrouwbare raadgevers. Zeker als je gevraagd wordt borg te staan. Nu is borg staan om een betrouwbare ondernemer aan de noodzakelijke financiering te helpen voor zijn onderneming niet verkeerd. Het houdt een zakelijk risico in zich en je loopt dus het gevaar je geld kwijt te raken. Maar daar gaat het in dit vers niet over. Als je borg staat voor een onderneming die je niet kent dan kun je ook in de macht komen van vreemde ondernemers. Als je immers niet mee wil gaan in het kwade dat ze in de zin hebben dan verlies je je geld. Niet alleen in Spreuken maar in het hele Midden Oosten werd in oude tijden om deze reden gewaarschuwd tegen het borg staan voor vreemdelingen. Een afspraak is net zolang geldig als je elkaar kunt zien.

Rechtvaardig is dus de benaming van mensen die de Weg van de God van Israël volgen. En rechtvaardig is hier meer dan een benaming voor het oordeel dat je velt. Juist het oordelen over mensen zou je achterwege moeten laten. Rechtvaardig is hier je eigen houding, het goede benoemen en het kwade weren, eerlijkheid betrachten en beseffen dat snel verdiende rijkdom altijd de reuk om zich heeft van bedrog of handelen ten koste van anderen. Het wordt hier in tegenstelling gebracht met de bevalligheid van een vrouw, die vrouw zal veel langer aanzien krijgen. Het snelle geld, het snelle oordeel, de roddel en de achterklap, het alleen letten op het kwade van anderen, alles is onwijsheid, goddeloosheid. Laten we daarom eens om ons heen kijken in wat voor samenleving wij eigenlijk leven, wat zijn hier de normen en waarden, is dat wijsheid? Gelukkig dat we elke dag opnieuw op een andere manier het leven mogen leven, in Wijsheid op de Weg die gewezen werd door de God van Israël in zijn richtlijnen die zich laten samenvatten als: “Heb uw naaste lief als uzelf”.

Reacties

Spreuken 11:1-11

1 ¶  Een valse weegschaal is de HEER een gruwel, zuivere gewichten zijn hem welgevallig. 2 ¶  Hoogmoed leidt tot schande, wijsheid kenmerkt wie bescheiden is. 3 ¶  Wie eerlijk leeft, heeft zijn onkreukbaarheid als gids, wie onbetrouwbaar is, gaat aan zijn oneerlijkheid ten onder. 4 ¶  Rijkdom helpt je niet op de dag dat God straft, rechtvaardigheid redt van de dood. 5 ¶  Wie rechtvaardig leeft, baant zich een rechte weg, een goddeloze legt voor zichzelf een hinderlaag. 6  Wie eerlijk leeft, wordt door zijn rechtvaardigheid gered, wie onbetrouwbaar is, raakt verstrikt in zijn begeerte. 7 ¶  Wanneer een goddeloze sterft, gaat al zijn hoop verloren, van zijn rijkdom hoeft hij niets te verwachten. 8 ¶  Wie rechtvaardig is, wordt bevrijd van zijn ellende, zijn plaats wordt ingenomen door een goddeloze. 9 ¶  Een kwaadaardig iemand richt met zijn woorden anderen te gronde, een rechtvaardige wordt door inzicht gered. 10 ¶  Als het rechtvaardigen goed gaat, is heel de stad verheugd, als goddelozen ten onder gaan, klinkt overal gejuich. 11  Door de zegen van oprechte mensen komt een stad tot bloei, de uitspraken van goddelozen zijn haar ondergang. (NBV)

Vandaag een verzameling stellingen over de houding van mensen in de handel die ze met elkaar drijven. Wat is wijsheid? Moet je de ander voor de gek houden om zelf meer te verdienen of moet je genoegen nemen met een kleinere opbrengst maar wel eerlijk en oprecht blijven. Wij leefden tot voor kort in een tijd van economische crisis. Die crisis is begonnen met de val van een Amerikaanse bank. Die bank, hebben we inmiddels wel geleerd, ging ten onder aan bedrog en eerzucht. De bank sleepte daarin de hele wereld mee, alsof het een dominosteentje was aan het begin van de enorme rij dominostenen. De wijsheid die we vandaag uit het boek Spreuken lezen werkt de richtlijnen voor de menselijke samenleving verder uit. We denken vaak dat die spreuken spreekwoorden op zich zijn maar ze vertonen wel degelijk een samenhang. De Wijsheid waarover gesproken wordt is de eerste richtlijn, heb God lief boven alles. Alle andere richtlijnen gaan over de vraag hoe je dat doet en dat laat zich samenvatten in het “Heb je naaste lief als jezelf”

Het is duidelijk dat valse weegschalen een gruwel zijn en dat je beter zuivere gewichten kunt gebruiken. Wij hebben het ijkwezen voor het zuiver houden van de gewichten Dat ijkwezen is in het leven geroepen toen er zoveel valse gewichten in omloop kwamen dat het kopen op gewicht niet meer vertrouwd kon worden. Verkopers probeerden een te laag gewicht te verkopen en kopers die zelf weegschalen meenamen probeerden een hoger gewicht als lager voor te spiegelen. De waarheid lag vaak in het midden maar als niemand meer te vertrouwen is neemt de handel af. Daar hebben we dus nu ook last van. Aangezien de banken niet meer te vertrouwen zijn lenen we niet meer voor grote aankopen en aangezien mensen daardoor werkeloos dreigen te worden kopen we nog minder. Woekerhypotheken met aflossingen die veel en veel te hoog zijn leggen een extra rem op de economische ontwikkeling.

Als je in het licht van de crisis het gedeelte uit Spreuken nog eens op je in laat werken dan lijkt het of er voortdurend open deuren worden ingetrapt. Uiteindelijk overleven alleen de eerlijke mensen die anderen ook eerlijk behandelen. Naar een bank die je eerlijk behandelt en de risico’s eerlijk met je doorneemt durf je nog wel een keer toe te gaan. Maar die banken zijn er dus op dit moment bijna niet, zelfs niet de banken die door de overheid zijn overgenomen. In de Spreuken wordt nog gedaan of God straft. Maar de goddeloze straft eigenlijk zichzelf. Wat God gedaan heeft is zijn richtlijnen ons voor te houden. Wie het gedrag van de bedriegers legt naast de richtlijnen van de God van Israël ziet waar het fout zit en als je het niet direct ziet moet je uitwerking uit het boek Spreuken er nog eens bij nemen. Het is dus zaak ons financieel systeem te hervormen. Dat horen we al een paar jaar maar het gebeurd niet. Nergens blijkt dat banken nu eerlijker zijn en genoegen nemen met kleinere winsten in ruil voor meer eerlijkheid. De hoogste inkomens stijgen weer, dat kan alleen door bedrog en diefstal, dat gaat altijd ten koste van de armen. Daarom zal de crisis nog wel even blijven, tenzij we ons echt gaan verzetten.

Reacties

2 Kronieken 7:11-22

11  Toen Salomo het werk aan de tempel van de HEER en het koninklijk paleis voltooid had, en alles wat hij zich omtrent de bouw van de tempel en het paleis had voorgenomen geheel volgens plan was uitgevoerd, 12 ¶  verscheen de HEER hem in de nacht. Hij zei tegen hem: ‘Ik heb je gebed gehoord. Ik heb deze tempel aanvaard als de plaats waar men mij offers mag brengen. 13  Wanneer ik de hemel gesloten houd zodat er geen regen valt, of de sprinkhanen beveel het land kaal te vreten, of pest onder mijn volk laat uitbreken, 14  en wanneer dan mijn volk, het volk dat mij toebehoort, het hoofd buigt, al biddend mijn aanwezigheid zoekt en terugkeert van zijn dwaalwegen, dan zal ik het aanhoren vanuit de hemel, zijn zonden vergeven en het land genezen. 15  Ja, ik zal opmerkzaam zijn en luisteren naar de gebeden die vanaf deze plaats tot mij worden gericht. 16  De tempel die je gebouwd hebt aanvaard ik en heilig ik om er voor altijd mijn naam te laten wonen. Niets van wat daar gebeurt zal me ontgaan; ik zal alles ter harte nemen. 17  En wat jezelf betreft, als je mij toegewijd blijft, zoals je vader David dat was, als je alles doet wat ik je opdraag en je altijd houdt aan mijn bepalingen en rechtsregels, 18  zal ik ervoor zorgen dat jouw troon nooit wankelt, zoals ik met je vader David overeengekomen ben toen ik hem zei dat er altijd een van zijn nakomelingen over Israël zou heersen. 19  Maar mochten jullie je van mij afwenden en je niet houden aan de bepalingen en geboden die ik jullie heb opgelegd, en in plaats daarvan andere goden gaan vereren, 20-21 dan zal ik de Israëlieten verdrijven van het grondgebied dat ik hun gegeven heb en wil ik niets meer weten van deze tempel, die ik voor mijn naam heb geheiligd. Deze tempel, ooit hoog verheven, zal dan bij alle volken het mikpunt worden van hoon en spot; ieder die er voorbijkomt zal huiveren. En wie zich afvraagt waarom de HEER zo tegen dit land en deze tempel is opgetreden, 22  zal als antwoord krijgen: “Omdat ze zich hebben afgewend van de HEER, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte heeft geleid, en zich aan andere goden hebben vastgeklampt. Ze zijn andere goden gaan vereren, en daarom heeft hij hun al deze rampspoed bezorgd.”’ (NBV)

We hebben een God die niet alleen gebeden hoort maar ze ook verhoort. Salomo had niet iets voor zichzelf gevraagd. Hij was het volk voorgegaan in gebed voor alle Israëlieten. Zelfs de vreemdelingen had hij in het gebed betrokken. Nu kreeg hij antwoord. Meestal moeten we het doen met het soort antwoorden dat we in de Bijbel lezen. Dat iemand God in een droom ontmoet gebeurt maar zelden. en als iemand beweert God ontmoet te hebben in een droom moet je je afvragen of dat niet een zeer gewenste droomuitleg is die ook een heel andere duiding kan hebben. Het antwoord op het gebed is vaak te vinden in de loop van de geschiedenis. En dan nog hangt het er van af of de mensen mee willen werken aan de gewenste gang van zaken. God werkt namelijk nooit op basis van een knip met de vingers. Dat God mensen geneest in een show van een zogenaamde gebedsgenezer is dan ook een leugen. Dat sluit niet uit dat een gebed om genezing van een zieke haar werking kan hebben, zelfs een genezende werking.

De schrijver van de Kronieken heeft uitvoerig verteld wat een feest de opening van die geweldige Tempel van Salomo is geweest. Duizenden dieren waren geofferd, grote priesterkoren en priesterorkesten hadden er opgetreden. Het hele volk had de pracht en praal gezien. Maar wat vindt de God van Israël er zelf van? Om dat te vertellen is een droom een goede manier. We dromen immers allemaal wel eens van een betere wereld. Dat we die niet alleen tot stand kunnen brengen is duidelijk. Dat de weg naar een betere wereld geplaveid is met daden van onbaatzuchtige liefde is ons ook duidelijk. Maar hoe we de last kunnen dragen van die onbaatzuchtige liefde is lang niet altijd duidelijk. De Bijbel geeft het volk, de gemeenschap, de geloofsgemeenschap als mogelijkheid voor elk van ons om samen de weg te gaan. Een weg waarop we elkaar ondersteunen. Daarom heeft God de Tempel  aanvaard als samenbindend symbool voor het hele land.

De nood die iemand uitschreeuwt in de richting van de Tempel zal dan ook gehoord moeten worden door die leden van het volk die de mogelijkheden hebben te hulp te komen. God geeft ons immers dat wat we hebben om daar het goede mee te doen, dat is de naaste lief te hebben als onszelf. Pas als we andere goden gaan aanbidden, de God van de eigen samenleving waarvan niets mag veranderen, de goden van winst en profijt, de goden van winnaars van talentenjachten en loterijen. Steeds vaker kijken we op naar machtige en zogenaamd wijze mensen die durven te zeggen wat ons op de lever brand. Zelf in de richting van de Tempel, het hart van de gelovige, roepen komt steeds minder voor. Daarom blijven onze angsten onze angsten, daarom blijft het gevoel niet gehoord te worden. De liefde die nodig is is niet de liefde voor onszelf, het is de liefde die weet om te delen, die werkt aan een betere wereld. Elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Reacties

2 Kronieken 7:1-10

1 ¶  Toen Salomo zijn gebed tot de HEER beëindigd had, daalde er vuur uit de hemel neer, dat het brandoffer en de vredeoffers verteerde. De majesteit van de HEER vulde de tempel. 2  De priesters konden niet naar binnen gaan, want de tempel was gevuld door de majesteit van de HEER. 3  Alle Israëlieten zagen het vuur en de majesteit van de HEER op de tempel neerdalen. Ze knielden op het plaveisel neer, bogen diep voorover en loofden de HEER: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.’ 4  Samen met de Israëlieten droeg de koning offers op aan de HEER. 5  Hij liet tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen en geiten slachten om samen met het volk de tempel in te wijden. 6  De priesters stonden op hun vaste plaatsen. De Levieten loofden de HEER met het lied ‘Eeuwig duurt zijn trouw’, zoals dat ook onder koning David gebeurde, en begeleidden die lofzang op de instrumenten die David voor dat doel had laten maken. Tegenover hen stonden de priesters die op de trompetten bliezen, en heel het volk van Israël was gaan staan. 7  Salomo wijdde het midden van het voorplein van de tempel van de HEER, zodat de offers daar konden worden opgedragen, want het bronzen altaar was te klein voor alle brandoffers, graanoffers en het vet van de geslachte dieren. 8  Toen vierde Salomo het Loofhuttenfeest, zeven dagen lang, samen met de Israëlieten, die in zeer groten getale bijeen waren gekomen uit het hele land, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. 9  Op de achtste dag hielden ze een feestelijke samenkomst; het inwijdingsfeest van het altaar had zeven dagen geduurd, en daarna vierden ze zeven dagen het Loofhuttenfeest. 10  Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand stuurde de koning het volk naar huis terug. Allen waren opgewekt en verheugd om het goede dat de HEER voor David, Salomo en zijn volk Israël had gedaan. (NBV)

Opnieuw stelt de schrijver van Kronieken de nieuwe Tempel van Salomo in de traditie van Mozes en David. Toen Mozes de Tent der Ontmoeting, de Tabernakel, had laten bouwen had God vuur gezonden voor het brandoffer, toen David een altaar voor de God van Israël had gezonden had God zelf voor het vuur gezorgd dat het offer verbrandde. Het volk zal zich ook de verhalen over de zeer populaire profeet Elia hebben herinnerd. Op de Berg Karmel had hij de priesters van Baäl, de god van Kanaän, kunnen verslaan omdat zijn God, de God van Israël vuur stuurde om het offer op het altaar aan te steken. De Tempel staat dus zeer uitdrukkelijk in de religieuze en staatkundige traditie van Israël. Tijd dus om de Tempel met een geweldige hoeveelheid offers in te wijden. Nu wordt het eetbare deel van het offer samen gegeten. Er werd dus een geweldige maaltijd gehouden waar heel het volk aan kon deelnemen.

Zeven dagen duurde het feest van de inwijding van de Tempel. Zeven dagen feest voor heel het volk. We lezen gemakkelijk over het muzikale optreden van priesterkoren en priesterorkesten heen. Wij kennen geen muzikale feesten meer die zeven dagen duren. Feesten waaraan iedereen mee doet, waar geen honger is en geen dorst, waar de altaren nauwelijks de offers aankunnen, waar het hele plein een altaar erd. Op die manier wordt een dergelijke tempel wel het centrum van het religieuze leven van het volk. Maar het is niet genoeg. Want na de zeven dagen voor de grootheid van de Tempel en het geweldige belang dat die Tempel heeft werden er zeven dagen Loofhuttenfeest gevierd. Voor dat feest bouwde iedereen hutten van takken en bladeren. Je kon er in de nacht de sterren door heen zien. Dat feest herinnerde aan de reis door de woestijn naar het beloofde land, nu was het beloofde land echt bereikt.

Dat blijkt ook op de achtste dag. De Bijbel kent twee begrippen voor de dag na het feest. De achtste dag en de eerste dag. De achtste dag is de dag van de afsluiting, de feesten die er waren zijn ten einde. Nog een keer spreekt de Koning, nu om iedereen naar huis te sturen en een blij volk verspreidde zich weer over het land. Het zullen wellicht optochten geweest zijn, waar gezongen werd en gedanst, zoals later ook de pelgrims naar Jeruzalem in optocht en zingend optrokken naar het feest bij de Tempel. Dat loofhuttenfeest is het enige feest dat door Christenen niet is overgenomen. In Israël werd het een afsluitend oogstfeest in de herfst waar nog een keer gevierd was dat alles van God gekregen was om met elkaar te delen. Christenen vieren elke week de eerste dag. Die staat voor het nieuwe dat met Jezus van Nazareth is begonnen. Het licht van Israël schijnt met hem voor alle volken. En op die eerste nieuwe dag komen Christenen bij elkaar om met elkaar te delen en te vieren dat alles van God gegeven is en wij dat mogen delen. Elke zondag is iedereen daarbij welkom.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl