basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

2 Korintiërs 11:1-15

1 ¶  U staat me wel toe dat ik een beetje dwaas doe. Daar hebt u vast geen bezwaar tegen. 2  Ik waak over u zoals God over u waakt. Ik heb u aan één man uitgehuwelijkt, aan Christus, en ik wil u als een kuise bruid aan hem geven. 3  Alleen vrees ik dat, zoals Eva door de slang op sluwe wijze bedrogen werd, uw gedachten worden weggelokt van de oprechte en zuivere toewijding aan Christus. 4  U hebt er immers geen enkel bezwaar tegen dat iemand u een andere Jezus verkondigt dan wij hebben gedaan, of dat u een andere Geest of een ander evangelie ontvangt dan u ontvangen hebt. 5 ¶  Ik denk dat ik in geen enkel opzicht de mindere ben van die geweldige apostelen van u. 6  Ook al ontbreekt het mij aan welsprekendheid, kennis bezit ik genoeg. Dat heb ik u meer dan eens op allerlei manieren bewezen. 7  Of heb ik soms een misdaad begaan door u zonder enige vergoeding Gods evangelie te verkondigen? Wanneer ik me daarmee vernederd heb, was het alleen om u te verheffen. 8  Andere gemeenten heb ik geplunderd door geld aan te nemen om u van dienst te kunnen zijn. 9  Maar tijdens mijn verblijf bij u heb ik niemand om hulp gevraagd toen ik in geldnood kwam; het zijn de broeders uit Macedonië geweest die me hebben geholpen. Ik heb er altijd voor gewaakt u iets te kosten, en zal dat blijven doen. 10  Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is, die roem zal ik mij nergens in Achaje laten ontnemen. 11  En waarom niet? Omdat ik u niet lief zou hebben? God weet dat ik dat wel doe. 12  Ik zal mijn werk op dezelfde manier blijven doen om die apostelen de kans te ontnemen met hun gewichtigdoenerij dezelfde roem te oogsten als wij. 13  Schijnapostelen zijn het, die zich door oneerlijk te werk te gaan voordoen als apostelen van Christus. 14  Dat is ook geen wonder, want niemand minder dan Satan vermomt zich als een engel van het licht.15  Het ligt dus voor de hand dat ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van de gerechtigheid. Maar ze zullen krijgen wat ze verdienen. (NBV)

Het is niet gemakkelijk een indruk te krijgen wat voor apostelen die tegenstanders van Paulus nu eigenlijk waren. Ze kleineerden hem, verkondigden een andere Jezus van Nazareth en een ander Evangelie. Maar welk Evangelie, dat weten we niet. Het zou gemakkelijk een vergeestelijkt Evangelie geweest kunnen zijn, zo een van bid en gedraag je vroom, maar waar elke zorg voor de armen uit verdwenen is en een waar het onderscheid tussen armen en rijken weer voluit en plaats krijgt. Ook al in de dagen van Paulus waren gnostische stromingen die dit soort pseudo christelijke leer verkondigden. In andere brieven van Paulus lezen we ook over de strijd die er gewoed heeft rond de betekenis van de Tora. Die leer van Mozes moest niet worden opgelegd aan de Heidenen maar werd door Paulus zeker ook niet afgeschaft. Integendeel Paulus beschouwde iedere gelovige als een Tempel waar de stenen platen met de tien richtlijnen opgeborgen waren. In de harten van de gelovigen, daar waren die richtlijnen gegrifd. Voor veel Christenen ging dat veel te ver.

De apostel Jacobus zou later nog eens een brief moeten schrijven waarin hij uiteen zet dat het geloof zonder de werken maar een dood geloof is. Een opvatting die zeker ook gedeeld werd door Paulus zelf. In het gedeelte van vandaag lezen we een paar argumenten over tegenstanders van Paulus die ons op een ander spoor zetten. Mensen die lijden aan gewichtigdoenerij komen voorbij. En het is kennelijk nodig voor Paulus om nog eens te benadrukken dat hij zich niet heeft laten betalen door de mensen van Korinthe toen hij daar aan het werk was een gemeente te stichten. Het geld dat hij bijeen bracht was voor de broeders en zusters in Jeruzalem maar hijzelf wilde er niets van hebben. Als je dat zo leest krijg je toch de indruk dat fraai sprekende mannen zich een ruim betaalde positie als leider van de gemeente hadden weten te verwerven.

Schijnapostelen worden die fraai sprekende gewichtig doenende leiders van de gemeente door Paulus genoemd. Het gaat ze niet om die nieuwe samenleving waarvan de gemeente de voorbode van is maar om hun eigen positie als leider van weer een nieuwe gemeenschap. Het is voor ons ook een aardige maatstaf als er weer een collecte gehouden wordt om de voorganger in staat te stellen zijn werk te blijven doen. Een voorganger als Paulus houdt zulke collectes niet maar zet zich er tegen af. Een voorganger als Paulus houdt collectes voor de armsten, voor Kerk in Actie. Of voor Griekse kinderen die met de hongersnood worden bedreigd. En die kunnen we ook nu nog steunen, elke dag weer, door de armen stem te geven en met hen te delen van onze rijkdom.

Reacties

2 Korintiërs 10:12-18

12 ¶  We zijn niet zo overmoedig ons te vergelijken met degenen die zichzelf zo aanprijzen, laat staan ons aan hen gelijk te stellen. Zij tonen hoe dom ze zijn door zichzelf als maatstaf en norm te nemen. 13  Wij daarentegen willen niet zo buitensporig hoog van onszelf opgeven, we blijven binnen de grenzen die God ons heeft gesteld. Ook u valt daarbinnen. 14  U behoort tot ons gebied, dus we overschrijden geen enkele grens. We hebben immers ook bij u als eersten het evangelie van Christus gebracht. 15  Bovendien willen we ons niet laten voorstaan op werk buiten ons gebied, op de inspanningen van anderen. We hopen alleen dat uw geloof groeit en dat u ons werk uitbundig zult prijzen binnen de grenzen die God voor ons heeft vastgesteld. 16  En we hopen eveneens het evangelie in verder gelegen gebieden te verkondigen, zonder ons te laten voorstaan op de resultaten in andermans gebied. 17  ‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen,‘ 18  want niet wie zichzelf aanprijst is betrouwbaar, maar wie door de Heer wordt aangeprezen. (NBV)

Paulus zegt nergens dat je jezelf niet mag aanprijzen. Maar dom is het om jezelf als maatstaf te nemen. Zelf volgt Paulus Jezus van Nazareth na die ook tegen iedereen zei dat ze hun mond moesten houden als hij ze genezen had. Paulus gaat het om de roem van de God van Israël die mensen bij elkaar gebracht heeft die het aandurfden hun maatschappelijke grenzen los te laten. Niet langer zijn er Joden en Grieken, slaven en vrijen, mannen en vrouwen, ouderen en jongeren maar voortaan zijn er Christenen die van elkaar houden, voor elkaar zorgen en die houding ook op de samenleving proberen over te brengen. In een samenleving die van etiketten aan elkaar hangt een ware revolutie. Wie zich aan het hoofd van een dergelijke beweging stelt kan er gemakkelijk eer aan beleven en dat gebeurde in de dagen van Paulus maar al te vaak in de jonge gemeenten. Overal lees je er zijn waarschuwingen tegen.

Paulus gebruikt hier een woordspeling die in het Nederlands verloren gaat. Maar iemand die zichzelf telt, die zichzelf meet en als maat gebruikt is dom, Paulus telt zich daar niet bij, die meet zich er niet aan af. Jezelf aanbevelen moet dus niet. Paulus komt ook niet uit zichzelf, hij is ook maar gestuurd, gezonden heet het deftig. En hij beperkt zich tot het gebied dat is afgesproken met de apostelen in Jeruzalem. Paulus zou gaan naar de Heidenen en de overige apostelen naar de Joden. Het klinkt bescheiden als je het zo zegt maar dat betekent dat de overige apostelen zich beperken tot Jeruzalem en het kleine stukje Palestina daar om heen en dat Paulus de hele rest van het grote Romeinse Rijk voor zijn rekening neemt. In de praktijk ging dat wel wat anders en gingen de overige apostelen voor een deel Paulus achterna en kreeg Paulus in de loop van de tijd ook allerlei medewerkers die op hun beurt zelfstandig op reis gingen. Maar de diplomatieke taal waarmee Paulus zijn taak kleiner voorstelt doet weldadig aan als we letten op allerlei kerkvorsten die de hele wereld pretenderen voor te kunnen schrijven hoe te geloven.

Maar uiteindelijk blijft het gaan om het Evangelie, de boodschap van de bevrijding van de armen zoals Lucas dat eens omschreef. Daarbij hoort niet dat je je beroept op een succes. Het is God zelf die mensen tot bekering brengt en als jij degene bent die het de mensen hebt laten horen mag je alleen maar dankbaar zijn. Er hoort dus ook geen concurrentie te zijn in de verkondiging. Als er tegenwoordig een nieuw boek over kerkvorming verschijnt in Amerika wordt er in Nederland weer een nieuw genootschap opgericht. Dat heeft dan een betere methode dan alle anderen genootschappen die eerder bestonden. Zo is het dus niet. We zoeken naar de verkondiging aan ieder in diens eigen taal. En om de verkondiging van dat Evangelie gaat het, ook vandaag weer. En de eigen taal is de taal van wie je wil laten luisteren, niet een gewone taal waar je je gewoonlijk zelf in uitdrukt. Eerst luisteren naar de ander en dan vertellen. Daar mag iedereen aan meedoen, U ook.

 

Reacties

2 Korintiërs 10:1-11

1 ¶  Ik, Paulus, die me volgens zeggen zo bedeesd gedraag wanneer ik bij u ben en alleen uit de verte flink tegen u doe, ik wil u bij de zachtmoedigheid en mildheid van Christus iets vragen: 2  zorg ervoor dat ik bij u niet streng hoef op te treden tegen die paar mensen die denken dat we uit zwakheid handelen. Ik heb me dat zeker voorgenomen. 3  We leven wel in deze wereld, maar vechten niet met de wapens van deze wereld. 4  De wapens waarmee wij ten strijde trekken dienen niet ons eigen belang, maar zijn er om met hun kracht bolwerken te slechten voor God. We halen spitsvondigheden neer 5  en iedere verschansing die wordt opgetrokken tegen de kennis van God, we maken iedere gedachte krijgsgevangene om haar aan Christus te onderwerpen 6  en zullen op het moment dat u hem volledig gehoorzaam bent geworden, paraat staan om anderen voor hun ongehoorzaamheid te straffen. 7 ¶  Zie nu eens de feiten onder ogen! Wanneer iemand er zo van overtuigd is dat hij Christus dient, moet hij goed bedenken dat ook wij dat doen. 8  Zelfs al zou ik overdreven hoog opgeven van het gezag dat de Heer ons heeft  toevertrouwd-overigens, een gezag om uw belang te dienen, niet om het te schaden-, dan nog zou blijken dat ik de waarheid spreek. 9  Ik wil niet de indruk wekken u alleen door middel van brieven te waarschuwen. 10  Er zijn er namelijk die zeggen: ‘In zijn brieven slaat hij weliswaar een gewichtige en imponerende toon aan, maar zijn persoonlijk optreden is zwak en wat hij zegt heeft weinig te betekenen.’ 11  Laat iemand die dat beweert gezegd zijn dat ik, eenmaal bij u, precies zo zal optreden als in mijn brieven. (NBV)

Die Paulus moet een raar mannetje geweest zijn. Hij was klein van stuk, een in Turkije geboren Jood en had een zweer of iets dergelijks boven één van zijn ogen. In de ogen van de Grieken uit Korinthe was het helemaal niets. Die waren gewend aan het nastreven van lichamelijke schoonheid. Die schoonheid werd verbonden met het goede, als het mooi was dan was het goed en als de mens mooi was dan was die mens goed. Als die mens lelijk was dan deugde die mens niet. Wij zeggen dat misschien niet meer zo openlijk maar uit tal van handelingen en maatschappelijke uitingen blijkt maar al te zeer dat we er tegenwoordig bijna nog net zo over denken. Let maar eens op de overdreven aandacht voor de rijkdom van Nederlandse fotomodellen en uitgebreide tv programma's over mensen die er niet als het doorsnee schoonheidsideaal uitzien. Over die mensen wordt ook gesproken in termen van zielig dat ze zo voor de televisie komen. Over die fotomodellen wordt nooit gezegd dat al dat gewroet in je priveleven in en in zielig is, zeker als je dan ook nog operaties en ingrepen overweegt die je voor je gevoel nog mooier zouden moeten maken.

Maar schoonheid overtuigt net als in de dagen van Paulus. Daarom zijn er mensen in de gemeente van Korinthe die beweren dat als Paulus er zelf is hij toch niet zo stevig spreekt als in zijn brieven. Nu zijn de meeste brieven van Paulus opgebouwd volgens de regels van de Griekse redeneerkunst, de retorica, en er waren mensen die er in geschoold waren om dat prachtig te kunnen voordragen. Mooi geschreven en mooi voorgedragen maakt nu eenmaal veel indruk. Paulus zoekt een andere weg, de weg van de inhoud. Op die weg komt hij uit bij het gegeven dat binnen de christelijke gemeente met andere wapens gestreden wordt als in de niet christelijke wereld. In die gemeente is het onderscheid tussen mensen immers weggevallen. In die gemeente telt iedereen mee en maken geslacht, afkomst of rijkdom niet meer uit. Binnen die gemeente gaat het niet meer om je eigen belang maar om het belang van de zwaksten en de minsten. Daar staan juist de mensen met een beperking centraal, de hulp aan hen bepaald het handelen van de gemeente, bepaald het gesprek en de agenda.

Paulus kan zich verdedigen tegen het verkeerd soort waardering die de gemeente in Korinthe wordt opgedrongen. Hij heeft er de woorden voor en kan bogen op zijn daden, hij ging er immers op uit om als eerste de mensen te vertellen van het andere soort samenleving waar ze bij konden gaan horen. Dat was toch het soort samenleving waar die wereldse maatstaven van goedheid is schoonheid niet meer opgingen. En dat niet alleen, dat is ook een samenleving waar de een zich niet beter vindt dan de ander. Paulus komt niet als baas van de gemeente maar als vriend. Die vriendelijkheid wordt ook in onze dagen als zwakheid gezien, wie vriendelijk wil omgaan met anderen wordt als theeleut afgeschilderd. Kennelijk overkwam dat Paulus ook. Als je dus beweert dat je bij die samenleving van Jezus van Nazareth wil horen dan hoort die rare Paulus daar ook bij. Dan gaat het dus weer om de zwaksten en de minsten, ook vandaag nog. Ook vandaag nog mogen wij onze agenda daardoor laten bepalen.

 

Reacties

2 Korintiërs 9:1-14

1 ¶  Eigenlijk hoef ik u niets te schrijven over de collecte voor de heiligen in Jeruzalem, 2  want ik weet dat u bereid bent mee te doen. Daarom kon ik vol trots tegen de Macedoniërs zeggen: ‘Achaje is vorig jaar al begonnen.’ Uw inzet heeft de meesten van hen tot navolging geprikkeld. 3  Ik stuur de broeders naar u toe om ervoor te zorgen dat we inderdaad trots op u kunnen zijn. Ik wil dat u ook werkelijk gereed bent, zoals ik heb gezegd. 4  Het mag niet zo zijn dat, wanneer een aantal Macedoniërs met mij meekomt, blijkt dat u nog niets hebt ingezameld. Die schande wil ik ons, beter gezegd: u, in deze zaak besparen. 5  Dus daarom vond ik het nodig de broeders te vragen vooruit te gaan. Dan kunnen ze de gift die u al hebt toegezegd, nog voor mijn komst inzamelen, zodat deze niet hoeft te worden bijeengeschraapt wanneer ik aankom, maar als een gulle gave klaarligt. 6 ¶  Bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten. 7  Laat ieder zoveel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft. 8  God heeft de macht u te overstelpen met al zijn gaven, zodat u altijd en in alle opzichten voldoende voor uzelf hebt en ook nog ruimschoots kunt bijdragen aan allerlei goed werk. 9  Zo staat er geschreven: ‘Gul deelt hij uit aan de armen, zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd.’ 10  God, die zaad geeft om te zaaien en brood om te eten, zal ook u zaad geven en het laten ontkiemen, zodat uw vrijgevigheid een rijke oogst opbrengt. 11  U bent in ieder opzicht rijk geworden om in alles vrijgevig te kunnen zijn, en uw vrijgevigheid leidt door onze bemiddeling tot dankzegging aan God. 12  Uw bijdrage aan de collecte heft immers niet alleen het gebrek van de heiligen in Jeruzalem op, maar leidt er bovendien toe dat ze God uitbundig danken. 13  Ze prijzen God omdat u er blijk van geeft gehoorzaam te zijn aan het evangelie van Christus, wat u bewijst door de ruimhartigheid waarmee u met hen en alle anderen wilt delen. 14  In hun gebed voor u spreken ze hun verlangen naar u uit, omdat ze zien hoe overstelpend goed God voor u is geweest. (NBV)

In het gedeelte dat we vandaag lezen zet Paulus de collecte voor de gemeente in Jeruzalem in het perspectief van arm en rijk zoals dat in de Bijbel tot uiting komt. Van de God van Israël wordt gezegd dat die rijkelijk aan de armen uitdeelt. Je hoeft dus nooit bang te zijn arm te worden, ook dan is er hulp, al moet die misschien ook alleen van God zelf komen. Maar je moet beseffen dat je rijk bent om uit te kunnen delen. Hoe rijk je bent blijkt eigenlijk alleen uit hoeveel je weet uit te delen. In onze dagen lijken we het uitdelen te verleren. Onze ontwikkelingshulp leert mensen om beter en meer voedsel te verbouwen. Leert mensen een betere gezondheidszorg voor zichzelf te organiseren en gezonder te gaan leven. Toch gaan boeren in arme landen failliet omdat ze niet kunnen concurreren met de producten die boeren uit het rijke westen kunnen dumpen omdat die subsidies van hun regeringen krijgen. Het lijkt er daarom vaak op dat ontwikkelingshulp niet werkt en daarom gaan we nu bezuinigen.

Er is nog een andere reden waarom ontwikkelingssamenwerking niet lijkt te werken. Onze rijken houden van stabiele samenlevingen. Daar moet niet te veel veranderen. Daar moeten zeker geen grote groepen zijn die zorgen dat de inkomsten van het volk ook eerlijk worden verdeeld. Dictators zorgen voor zulke stabiele samenlevingen. Tegenstemmen worden in bloed gesmoord maar uiterlijk lijkt de rust verzekerd. Onze regeringen hebben dan ook vaak innige en nauwe banden met die dictaturen. Maar ontwikkeling is verandering, ontwikkelde mensen vragen inspraak en medezeggenschap. Dictators zorgen er daarom voor dat de hulp in hun zakken verdwijnt en dat het volk er maar nauwelijks profijt van heeft. We moeten daarom niet bezuinigen maar zorgen voor eerlijke handelsverhoudingen en democratie.  Regeringen die de mensenrechten schenden en hun volk niet aan het woord laten moeten we mijden en afsnijden van hulp.

Er zijn altijd organisaties te vinden die buiten de regeringen om de armen kunnen helpen en aan werkelijke ontwikkeling kunnen doen. Paulus laat het ons zien. De gemeente in Korinthe die zo enthousiast begonnen was om geld bijeen te brengen voor de armen in Jeruzalem krijgt de kans om dat werk met eer af te maken. De gemeenten in Macedonië hadden het voorbeeld van Korinthe gevolg en als Paulus nu weer naar Korinthe komt kunnen zijn metgezellen uit Macedonië zien hoe goed dat voorbeeld wel niet was. Dat voorbeeld van Korinthe mag ook ons voorbeeld zijn als we een open oog hebben voor de armoede in de wereld en alles uit de kast willen halen om die armoede op te heffen, te beginnen met delen van onze rijkdom. Dat kan elke dag, ook vandaag weer.

Reacties

2 Korintiërs 8:16-24

16 ¶  Ik dank God dat hij Titus net zo enthousiast over u heeft gemaakt als ik ben. 17  Toen ik hem vroeg opnieuw naar u toe te gaan, bleek dat hij, geestdriftig, daartoe zelf al had besloten. 18  Wij sturen een broeder met hem mee die om zijn werk voor het evangelie door alle gemeenten geprezen wordt. 19  Bovendien is hij door de gemeenten in Macedonië gekozen om met ons mee op reis te gaan en ons te helpen bij dit goede werk, dat wij verrichten ter ere van de Heer en om onze goede bedoelingen te tonen. 20  We willen vermijden dat ons beheer van deze rijke gaven onder verdenking komt te staan, 21  want we proberen niet alleen tegenover de Heer het goede te doen, maar ook tegenover mensen. 22  Verder sturen we een broeder mee wiens inzet we al bij veel gelegenheden hebben leren kennen, maar die zich deze keer door zijn grote vertrouwen in u nog meer wil inspannen. 23  Wat Titus betreft: hij is mijn metgezel en werkt met ons mee ten dienste van u. Wat de twee andere broeders betreft: ze zijn de vertegenwoordigers van de gemeenten in Macedonië en strekken Christus tot eer. 24  Bewijs hun, en daarmee de gemeenten, dat u hen liefhebt en laat zien dat wij terecht zo trots op u zijn. (NBV)

Dat is nogal wat. Paulus moet kennelijk heel wat wantrouwen overwinnen. Drie mensen worden vanuit Macedonië naar Korinthe gestuurd om de collecte op te halen voor de gemeente in Jeruzalem. Daarvoor wordt allereerst een naaste medewerker gestuurd, Titus. Die was zelf al enthousiast genoeg om naar Korinthe te gaan. Maar er wordt ook een vooraanstaand lid van de gemeenten in Macedonië meegestuurd om toezicht te houden op de opbrengst van de collecten in Macedonië en in Korinthe. En daarnaast nog een broeder die zich behoorlijk heeft ingezet en die in ruil nu de gemeente in Korinthe mag gaan helpen. Een zware delegatie zouden we tegenwoordig zeggen. Wie de financiële schandalen kent die in kerken en kerkelijke gemeenschappen van tijd tot tijd opduiken zal niet verbaasd zijn dat het nodig is. De tijd van Paulus was geen tijd van gecertificeerde accountants met een eigen beroepscode.

Er was geen tijd van Paulus geen vergaand geautomatiseerd belastingsysteem. Toezicht op boekhoudingen was totaal afwezig. Daarom moest een gemeente vertrouwen hebben in degenen aan wie geld werd afgedragen. Paulus zorgt zelf bijvoorbaat voor het winnen van vertrouwen. Leiders van Kerken en kerkelijke gemeenschappen die roepen dat de gemeente maar vertrouwen moet hebben omdat ze nu eenmaal tot die kerk of gemeenschap behoren hebben het dus mis. Zij horen juist aan Paulus een voorbeeld te nemen en zelf voor transparantie en controleerbaarheid te zorgen en er bovendien ook zelf voor te zorgen dat die controle onafhankelijk volgens de moderne maatstaven plaatsvindt. Paulus haalt voor een collecte in die ene gemeente alles wat hij voor handen heeft uit de kast, wij kunnen het niet met minder doen. In het slot van het gedeelte van vandaag wordt nog over Titus gesproken als over de metgezel van Paulus. Eigenlijk zou je hier ook kameraad kunnen vertalen, een woord dat voor Bijbelvertalers wat te partijdig klinkt, maar van Titus wordt ook gezegd dat hij de kameraad van Paulus in Korinthe is, of zal zijn.

En dat is niet onbelangrijk. Uit verschillende brieven krijgen we toch de indruk dat er in die allerjongste gemeenten gemakkelijk partijen en groepen konden ontstaan die met elkaar in discussie waren of zelfs met elkaar in strijd raakten. De namen van de metgezellen van Titus worden niet genoemd. Ze zijn dus niet zo belangrijk. Belangrijk is dat we weten dat ze een verzekering zijn tegen roddel en achterklap. Het is Titus die namens Paulus het Evangelie verkondigd en de collecte organiseert. Gelukkig dat wij daarvoor Kerk in Actie hebben die verantwoording aflegt en transparantie organiseert. Kerk in Actie helpt wereldwijd mensen zich te ontplooien, helaas al te vaak door hongersnood te bestrijden of ziekten te genezen, maar als het kan ook door het steunen van plaatselijke investeringen en onderwijs.  Aan ons om net als de gemeente in Korinthe de armen in de wereld te steunen. Dat hoeft niet alleen in de kerk, dat kan elke dag, ook vandaag weer.

Reacties

2 Korintiërs 8:1-15

1 ¶  Broeders en zusters, wij willen u niet onthouden wat Gods genade tot stand heeft gebracht in de gemeenten van Macedonië: 2  ze zijn door ellende zwaar op de proef gesteld, maar vervuld van een overstelpende vreugde en ondanks hun grote armoede zeer vrijgevig. 3  Ik verzeker u dat ze naar vermogen hebben gegeven, ja, zelfs boven hun vermogen. 4  Uit eigen beweging hebben ze ons dringend verzocht mee te mogen doen aan de collecte, waarmee de heiligen in Jeruzalem zullen worden ondersteund. 5  En ze gaven aanzienlijk meer dan we hadden verwacht: door Gods wil gaven ze zichzelf in de eerste plaats aan de Heer, en vervolgens ook aan ons. 6  We hebben er dan ook bij Titus op aangedrongen dat hij dit goede werk, waarmee hij al bij u begonnen is, voltooit. 7 ¶  U blinkt in alles uit: in geloof, in kennis en welsprekendheid, in inzet op elk gebied, in de liefde die wij in u hebben gewekt-blink dus ook uit in dit goede werk. 8  Ik zeg dit niet als een bevel; door op de inzet van anderen te wijzen wil ik nagaan of uw liefde oprecht is. 9  Tenslotte kent u de liefde die onze Heer Jezus Christus heeft gegeven: hij was rijk, maar is omwille van u arm geworden opdat u door zijn armoede rijk zou worden. 10  In uw eigen belang raad ik u het volgende aan. U hebt al een jaar geleden uw goede bedoelingen getoond door met de collecte een begin te maken. 11  Rond deze nu met dezelfde inzet af als waarmee u begonnen bent, dan blijft het niet bij goede bedoelingen. Dus geef naar vermogen. 12  Als u bereid bent mee te doen, wordt niet verwacht dat u geeft van wat u niet heeft, maar van wat u heeft.13  Het is niet de bedoeling dat u door anderen te helpen zelf in moeilijkheden raakt. Er moet evenwicht zijn. 14  Op dit moment lenigt u met uw overvloed de nood van de heiligen in Jeruzalem, zodat zij later met hun overvloed uw nood kunnen lenigen. Zo is er evenwicht, 15  zoals ook geschreven staat: ‘Hij die meer had, had niet te veel; hij die minder had, had niet te weinig.’ (NBV)

Korinthe was een rijke handelsstad in Griekenland. Het had een grote haven en goederen uit de hele regio werden hier uitgevoerd en van de rest van de Middellandse Zee werden hier ingevoerd. Macedonië kenden ze daar zeker ook wel. Tegenwoordig is het grootste deel van Macedonië een onafhankelijk land. Een klein deel is een provincie van Griekenland. Het ligt dus helemaal aan de rand van het land en streken die aan de rand van een land liggen zijn meestal niet de rijkste streken. Dat was in de dagen van Paulus zeker het geval. Macadonië was rijk geweest aan goud, zilver, koper, ijzer, zout en scheepstimmerhout. Maar de Romeinen hadden de streek als wingewest behandeld en uitgemergeld. De streek had ook te lijden gehad van aardbevingen waardoor de welstand nog verder achteruit was gegaan. Wij zouden het nu Groningen noemen.

Desondanks hadden de gemeenten daar, we kennen Filippi en Tessalonica, geld bijeen gebracht voor de gemeente in Jeruzalem. Die gemeente in Jeruzalem moet een erg arme gemeente geweest zijn. Paulus is meer dan een jaar bezig geweest om collectes te organiseren voor die gemeente. Hij zal wel enige schuldgevoelens gehad hebben ook want een van de redenen van de armoede was het vervolgen van de gemeenten. Maar Jeruzalem was de basis van de beweging van de Weg en moest alleen al daarom in stand gehouden worden. Paulus schrijft er wel bij dat we niet meer moeten geven dan we kwijt kunnen. Je kunt beter drie keer nadenken voor je wat geeft dan jezelf in problemen brengen door enthousiast maar ondoordacht geven. Het zijn adviezen die ook in onze dagen ter harte mogen worden genomen. Wij hebben immers ook te maken met telkens terugkerende acties. Voor Nepal, voor Pakistan, voor Haïti, voor Indonesië en noem de landen maar op waar rampen komen of zijn geweest.

Het is goed daarvoor actie te voeren en geld bijeen te brengen. Je moet je wel afvragen of de armen daar wel eerlijke omstandigheden hebben als ze weer in staat zijn hun producten op onze markten aan te bieden. Meestal heeft de ernst van de gevolgen direct te maken met hun armoede en kunnen we niet alleen helpen met noodhulp, een vorm van aalmoezen, maar ook met eerlijker handelsverhoudingen. Maar dat we zelfs geld bijeen hebben gebracht voor een rijk land als Japan, nadat het getroffen was door een ongelooflijk grote ramp, blijft een goede zaak. Ook al is een land rijk, als de mensen niets meer hebben heerst er de armoede en van die heerschappij moeten we immers de hele wereld bevrijden. Maar zorg er voor dat we ook bij de volgende ramp opnieuw kunnen geven. Dat is de les die Paulus ons vandaag voorhoudt en die we ook vandaag weer ter harte mogen nemen.

 

Reacties

2 Korintiërs 7:5-16

5 ¶  Toen we in Macedonië kwamen, vonden we geen rust maar werden we van alle kanten belaagd: van buitenaf door vijanden, van binnenuit door zorgen. 6  Maar God geeft moed aan wie terneergeslagen is, en door de komst van Titus heeft hij ook ons moed gegeven. 7  En niet alleen daardoor, ook door diens bericht over de manier waarop u hem bemoedigd hebt. Hij heeft ons verteld hoe graag u ons weer wilt zien, hoezeer u om dat voorval treurt en met hoeveel overtuiging u zich aan mijn kant hebt geschaard. Hierdoor werd ik met blijdschap vervuld. 8  Ook al heb ik u met mijn brief verdriet gedaan, ik heb er toch geen spijt van. Aanvankelijk wel, maar nu ik weet dat mijn brief u slechts voor korte tijd verdriet deed, 9  ben ik blij dat ik hem geschreven heb. Niet omdat u verdriet hebt gehad, maar omdat u daardoor tot inkeer bent gekomen. U had verdriet op een manier die God wilde, ik heb u dus in geen enkel opzicht geschaad. 10  Verdriet dat God geeft leidt tot inkeer die men nooit berouwt en tot redding; verdriet dat de wereld geeft leidt alleen maar tot de dood. 11  Zie nu zelf waartoe uw verdriet dat God gegeven heeft, uiteindelijk heeft geleid. Hoe groot is uw inzet niet geworden; meer nog, hoe fel hebt u zich niet verdedigd, hoe verontwaardigd was u niet, hoe bang was u niet voor mij, hoezeer verlangde u niet naar mij, wat een ijver hebt u niet getoond om die broeder te straffen. In ieder opzicht hebt u bewezen dat u in deze zaak niets te verwijten valt. 12 ¶  Dus ook al heb ik u geschreven, ik heb het niet gedaan vanwege hem die onrecht heeft begaan, en ook niet vanwege hem die onrecht heeft geleden. Het was mijn bedoeling dat tegenover God zou blijken hoe groot uw inzet voor ons is. 13  Dit alles heeft ons moed gegeven. Bovendien zijn we uitermate verheugd dat Titus zo blij is, omdat u allen hem nieuwe kracht gegeven hebt. 14  Ik had tegenover hem hoog van u opgegeven, en u hebt me niet teleurgesteld. Integendeel, zoals ik de waarheid sprak in alles wat ik tegen u heb gezegd, zo sprak ik ook de waarheid toen ik tegenover Titus zo hoog van u opgaf. 15  Hij is u des te meer genegen omdat u naar hem geluisterd hebt en hem met zoveel ontzag ontvangen hebt. 16  Het verheugt me dat ik in alles op u kan vertrouwen. (NBV)

Er zijn allerlei soorten verdriet in het leven. Paulus geeft er in het gedeelte dat we vandaag lezen een aantal voorbeelden van. Toen hij in Macedonië kwam werd hij van alle kanten belaagd, zelfs in de gevangenis geworpen met de kans op de doodstraf, die hij uiteindelijk ontliep. Bij dat soort verdriet hoort troost en bemoediging. Paulus krijgt hier de troost en de bemoediging van Titus die hem het goede nieuws uit Korintië komt brengen. Het conflict dat er eerder was en dat Paulus had genoodzaakt zijn tranenbrief te schrijven was opgelost. De gemeente had zijn kant gekozen en degene die eerst buiten de gemeente was geplaatst was weer door de gemeente aangenomen. Het is het soort verdriet dat ontstaat door omstandigheden, die het leven nu eenmaal met zich meebrengt. Voor dat soort verdriet moeten we oog en oor hebben, vooral bij anderen. Voor dat verdriet dienen we te troosten, er te zijn, begrip te hebben dat mensen verdriet hebben.

Zo snel wordt gezegd dat je de kop niet moet laten hangen, kop op, dat het leven doorgaat en dat wat geweest is geweest is. Maar dat troost niet. Vooral als een geliefde is verloren. Wees blij dat mensen daar verdriet om kunnen hebben. Het verlies van een mens mag nooit iemand onverschillig laten en verdriet is het eerste dat je mag voelen en waarvoor ruimte moet kunnen zijn. Soms gaat dat verdriet gepaard met woede en ook daar mag begrip voor zijn al moet je oppassen dat die woede zich niet richt op de achterblijvende zelf. Gemengd met schuldgevoelens kan het een gevaarlijke situatie opleveren. Maar laat verdriet zich uiten, geef er de ruimte voor, toon begrip en wees verdrietig met hen die verdriet hebben.

Een heel ander soort verdriet komt voort uit inzicht. Dat verdriet komt van God, dat leidt tot verandering in je eigen gedrag. Plotseling zie je in dat je verkeerd gedaan hebt, of op de verkeerde weg bent, dat je het verkeerd gezien hebt. Dan kun je je natuurlijk verdedigen, uitleggen hoe dat zo gekomen was. Maar veel belangrijker is dat je verandert, dat je een nieuwe weg inslaat, dat je herstelt wat door je fouten verkeerd is gegaan. Dan begeef je je op de Weg van de God van Israël. Dat is wat de gemeente in Korinthe gedaan heeft en dat Paulus zo blij had gemaakt. Hij was eerst bang geweest dat de brief die hij geschreven had, de brief die verloren is gegaan, te hard zou zijn aangekomen. Maar nu is hij blij dat die brief tot inkeer heeft geleid. Zo mogen wij elkaar ook de waarheid voorhouden, niet om elkaar te beschadigen, soms moet je er dat maar gewoon bij zeggen, maar om elkaar te helpen op de Weg van Jezus van Nazareth te blijven. Elke dag mogen we daar weer mee bezig zijn, ook vandaag weer.

Reacties

2 Korintiërs 6:14–7:4

14  Loop niet in een en hetzelfde span met ongelovigen. Wat is de verwantschap tussen gerechtigheid en wetteloosheid? Wat heeft licht met duisternis te maken? 15  Waarin lijken Christus en Beliar op elkaar? Wat hebben een gelovige en een ongelovige gemeen? 16  Wat heeft de tempel van God met afgoden te maken? Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, ik zal hun God zijn en zij mijn volk. 17  Daarom zegt de Heer: Ga weg bij de ongelovigen, zonder je van hen af en raak niets aan dat onrein is. Dan zal ik jullie aannemen 18  en jullie vader zijn, en jullie mijn zonen en dochters-zegt de almachtige Heer.’ 1 ¶  Omdat ons deze beloften zijn gegeven, geliefde broeders en zusters, moeten we onszelf reinigen van alle lichamelijke en geestelijke smetten en vol ontzag voor God ons hele leven heiligen. 2  Toon uw genegenheid voor ons. Wij hebben niemand onrecht aangedaan, niemand te gronde gericht, niemand uitgebuit. 3  Ik zeg dit niet om u te beschuldigen, want ik heb u al eerder gezegd dat u ons zo na aan het hart ligt dat we met u in leven en sterven verbonden zijn. 4  Hoe openhartig kan ik tegen u spreken, hoe trots kan ik op u zijn! In al mijn ellende ben ik vervuld van troost en word ik overweldigd door vreugde. (NBV)

In een wereld waarin alleen het eigen gelijk telt is het moeilijk samen te werken door mensen die anderen tot hun recht willen laten komen en die een samenleving willen scheppen waar echt iedereen gelijkwaardig aan kan mee doen. Gerechtigheid betrachten, mensen tot hun recht laten komen, daar gaat het om voor de gelovigen in Jezus van Nazareth. Niet om de onverschilligheid voor het leven van de minsten die in het Romeinse Rijk heerste, waar slaven buiten de wet gesteld waren en waar dus wetteloosheid heerste als je het vanuit de gemeente bekeek die Paulus gesticht had. Beliar is overigens de naam die men in Joodse secten uit de tijd van Paulus aan het kwaad had gegeven zoals wij vaak over de Duivel spreken. Paulus valt hier ook terug op de oude leer van Mozes die zegt dat je twee verschillende dieren niet samen de ploeg moet laten trekken. In de Tempel van God horen geen afgoden en de gelovigen tot wie Paulus zich richt zijn nu juist elk een Tempel van de God van Israël.

Samenwerken met een ongelovige zou het handelen van de gelovige afstemmen op wat volgens de ongelovige zijn of haar afgod van haar zou vragen. Dat is voor Paulus onbestaanbaar. Juist de nieuwe manier van leven van absolute liefde, liefde voor de minsten en de zwaksten, alle mensen aanzien als broeders en zusters zou een voorbeeld moeten zijn waar heel de samenleving zich naar zou moeten richten. Dat mogen wij ons ook bewust zijn als wij telkens anderen veroordelen om hun handelen terwijl de zwervers ook bij ons op de stoep liggen, mensen niet meer uitkomen met hun te lage inkomen, kinderen op school niet meer de hulp krijgen die ze nodig hebben, zieken en gehandicapten worden verwaarloosd en vernederd. Ook op ons wordt een beroep gedaan aan het werk te gaan voor dat Koninkrijk van God waar alle tranen gewist zullen zijn, om niet te oordelen maar in ons werken voor de zwaksten te laten zien waar het in het geloof in de Messias om gaat.

Er was een tijd dat de gelovigen naar de Tempel in Jeruzalem konden wijzen omdat daar de richtlijnen voor die menselijke samenleving zoals door Mozes was doorgegeven werden bewaard. Maar met de profeten had Paulus al eens benadrukt dat je die richtlijnen niet op stenen platen moest opbergen in het Heiligste van de Tempel maar dat je ze in je hart moet laten beitelen. Dan wordt je zelf de Tempel. Volgens Paulus kunnen we elkaar daar ook op aanspreken. Paulus begint bij zichzelf, hij leeft die richtlijnen voor, niet uitbuiten, niemand onrecht aandoen, niemand te gronde gericht. Daarom zijn het ook geen nieuwe geboden die Paulus zou voorschrijven maar hij neemt zijn nieuwe gemeente mee in een nieuwe manier van samenleven. Die oproep om zo te gaan samenleving geldt ook voor ons. Gelukkig mogen we daar elke dag opnieuw weer mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Reacties

Psalm 30

1 ¶  Een psalm. Een lied bij de inwijding van de tempel. Van David. 2 Hoog wil ik u prijzen, HEER, want u hebt mij gered en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde. 3 HEER, mijn God, ik riep tot u om hulp en u hebt mij genezen. 4 HEER, u trok mij uit het dodenrijk omhoog, ik daalde af in het graf, maar u hield mij in leven. 5 Zing voor de HEER, allen die hem trouw zijn, loof zijn heilige naam. 6 Zijn woede duurt een oogwenk, zijn liefde een leven lang, met tranen slapen we ‘s avonds in, ‘s morgens staan we juichend op. 7 In mijn overmoed dacht ik: Nooit zal ik wankelen. 8 HEER, u had mij lief en ik stond als een machtige berg, u verborg uw gelaat en ik bezweek van angst. 9 U, HEER, roep ik aan, u, Heer, smeek ik om genade. 10 Wat baat het u als ik sterf, als ik afdaal in het graf? Kan het stof u soms loven en getuigen van uw trouw? 11 Luister, HEER, en toon uw genade, HEER, kom mij te hulp. 12 U hebt mijn klacht veranderd in een dans, mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld. 13 Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen. HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven. (NBV)

Vandaag zingen we met de kerk een Psalm mee met een politieke geschiedenis. Want de Psalm begint met  het opschrift :” Een lied bij de inwijding van de tempel”. In de Statenvertaling stond nog ” een lied der inwijding van Davids huis.” Voor beide vertalingen is wel wat te zeggen. In het Hebreeuws staat letterlijk “voor de inwijding van het huis, van David” En staat die Nederlandse komma er nu wel of niet? Een Psalm gemaakt door David is niet zo vreemd. En in de Bijbel gaat het toch steeds over het Huis des Heren, dat is de Tempel. Zo is door de Rabbijnen door de eeuwen heen ook deze psalm uitgelegd en die uitleg was voor de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling doorslaggevend. Maar er waren ook steeds uitleggers die vonden dat de Psalm gemaakt was toen David Koning was en het geslacht van David, het huis van David in koningstermen, een begin maakte, probleem is dat Salomo de tempel bouwde en David toen al lang dood was.

Ook Jezus van Nazareth behoorde tot het huis en het geslacht van David vertelt het Evangelie van Lucas ons. En in het onderscheid tussen het Huis des Heren en het Huis van David krijgt de geschiedenis van de Psalm een politiek tintje. Want wie beschouwen wij als onze hoogste Heer. Koning Willem-Alexander met zijn kabinet Rutte II, of de God  van Israël?  Als we de regering als hoogste gezag beschouwen moeten we die maar gehoorzamen en ons neerleggen bij de gang van zaken. Maar als we de God van Israël als hoogste gezag aanvaarden moeten we stem geven aan de stemlozen, aan de minsten, de hongerigen, de naakten, de gevangenen, de zieken en de zwakken. Dan moeten we dus onophoudelijk blijven vragen waarom er meer nadruk gelegd wordt op de aanschaf van peperdure gevechtsvliegtuigen en je zelden iets hoort over het oplossen van de voedselcrisis in de armste landen van de wereld.

Dan moet je dus vragen waarom er in ons land wordt getolereerd dat bevolkingsgroepen tegen elkaar opgezet worden omdat ze verschillend zouden geloven, of omdat ze in een God geloven. Het is duidelijk dat deze Psalm in elk geval oproept om de God van Israël te loven en hem te vertrouwen als het gaat om de zaken van leven en dood. Koning David wordt in de Bijbel dan ook vaak als symbool voor de Godsgetrouwe bestuurder genoemd. Een koning die vrede bracht in het land en gerechtigheid betrachtte. Als wij een keus moeten maken tussen de inwijding van de Tempel of het Huis van David dan maakt dat voor ons niet veel uit. In de Tempel werden immers de richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard, samengevat in het heb uw naaste lief als uzelf en van het Huis van David wordt juist van die richtlijnen de toepassing door de regering verwacht. Door het zingen van deze Psalm geven wij daar vandaag stem aan, stem voor de minsten op aarde en het vertrouwen dat dat lijden voorbij zal gaan.

 

Reacties

Jesaja 4:2-6

2 ¶  Op die dag zal de HEER het land tot bloei brengen, het zal als een kostbaar sieraad zijn. De rijke vrucht van het land zal elke Israëliet die ontkomen is met trots vervullen. 3  Ieder die nog in Sion is, ieder die in Jeruzalem is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeruzalem die ten leven opgeschreven zijn. 4  Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, 5  dan zal hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles overdekken, 6  als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en beschutting tegen storm en regen. (NBV)

In het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek van de profeet Jesaja worden een aantal typisch Bijbelse beelden bij elkaar gezet. Uit het verhaal over de uittocht uit Egypte kennen we het beeld dat God in een wolk overdag vooruit gaat en in een vuurkolom in de nacht. Die wolk en die vuurkolom worden nu als bescherming boven de Tempelberg gesitueerd. De berg Sion in Jeruzalem herbergt immers de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals die in de woestijn aan het volk Israël door God werden geschonken en die het hart van het volk vormen. Het boek van de profeet Jesaja gaat over de bedreigingen die uiteindelijk zouden leiden tot de ballingschap in Babylon.  Het zijn donkere tijden, niemand is zeker van de toekomst.

Bezit telt niet meer want vijanden kunnen het elk ogenblik plunderen. Dan komt Jesaja met de boodschap dat delen met elkaar de bescherming biedt die iedereen nodig heeft. Zwakke mensen worden sterk als ze met elkaar weten te delen. Vrouwen hoeven zich niet te verkopen als ze samen weten te staan. Dan wordt de stad waarin je woont als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, beschutting tegen storm en regen. Jaren geleden, toen de economie weer eens in een dal schoot, nam een Pastor het initiatief om in zijn stad de diaconieën van de kerken en de hulpverleners van de kerken bijeen te roepen in een honger en kou overleg. Hij had de roep van de armen in de stad gehoord. Eén van de hulpverleners stelde toen voor om niet meer eenzijdig als kerk de armen te helpen maar een organisatie op te zetten waar kerken en mensen met een uitkering gelijkwaardig de hulp gestalte zouden geven. Ze noemden dat ISBA, in het kerkslavisch betekent dat schuilhut.

Het is de hut die in dit gedeelte van het boek van de profeet Jesaja genoemd wordt. De organisatie bestaat nog steeds. Ze leent geld aan de armen als de gemeente niet snel genoeg is met een uitkering en signaleert naar de overheid tekortkomingen in de hulpverlening. Kerken helpen zo armen stem te geven aan hun noodsituatie. De gemeente heeft geleerd naar hen te luisteren want het is niet het zwakke handjevol armen dat roept om hulp, het zijn de leden van de diverse kerkgenootschappen, rijk en arm, die de stem van de armen versterken en het hebben over recht en gerechtigheid. De zorg voor de armen is zichtbaar verbeterd. Armoede is niet verdwenen, armen hebben we immers altijd bij ons, maar de schuilhut, op basis van de richtlijnen voor de menselijke samenleving, functioneert. En altijd kan een schuilhut aan de armen geboden worden, overal, ook aan de armen die in wanhoop via de Middellandse Zee aan onze deuren kloppen.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl