basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Numeri 20:14-21

14 ¶  Vanuit Kades stuurde Mozes gezanten naar de koning van Edom met deze boodschap: ‘Uw broeder Israël bericht u het volgende: Het is u bekend met welke moeilijkheden wij te kampen hebben gehad. 15  U weet dat onze voorouders naar Egypte zijn getrokken, dat wij daar lang hebben gewoond en dat de Egyptenaren ons en onze voorouders slecht behandeld hebben. 16  Wij riepen de HEER aan en hij hoorde ons hulpgeroep; hij heeft ons een engel gezonden en ons uit Egypte weggeleid. Nu zijn wij in Kades, een stad aan de grens van uw rijk. 17  Sta ons toe door uw land te trekken. We zullen niet door akkers en wijngaarden gaan en we zullen geen water uit bronnen drinken. Zolang we ons in uw gebied bevinden, zullen we de koninklijke hoofdweg volgen en daarvan niet afwijken, naar links noch naar rechts.’ 18  De Edomieten antwoordden: ‘U mag niet door ons gebied trekken; doet u dat wel, dan komen we u gewapend tegemoet.’ 19  De Israëlieten zeiden: ‘We zullen de gebaande weg volgen, en als wij en ons vee van uw water drinken, zullen we daarvoor betalen wat u wilt. We vragen alleen toestemming om te voet door uw land te mogen trekken, meer niet.’ 20  Maar de Edomieten weigerden hun de doortocht en kwamen hun met een groot, sterk leger tegemoet. 21  Omdat de Edomieten hun geen doortocht verleenden, namen de Israëlieten een omweg. (NBV)

Soms is er veel aan te merken op de vertaling die de Nieuwe Bijbelvertaling geeft. Andere vertalingen doen het vaak nog slechter dus we houden ons maar aan de vertaling waarop ook het rooster is gebaseerd dat we hier volgen. Maar vandaag moeten we beginnen met toch een kleine verandering in de vertaling aan te brengen. Daar waar je "engel" leest moet je eigenlijk bode lezen. In het Hebreeuws wordt nu eenmaal geen onderscheid gemaakt tussen een bode van God en een bode van de Koning. Het begin van het verhaal maakt dit eigenlijk direct duidelijk. God spreekt het volk herhaaldelijk aan dat Hijzelf met opgeheven arm het volk uit Egypte heeft geleid. Bij brandende braambos had hij Mozes uitgekozen om namens hem de boodschap te gaan brengen. Die "Engel" was dus Mozes. Na de ballingschap waren er tal van bewegingen ontstaan die zeiden precies te weten hoe het in de Hemel, waar God woont, toeging. Er waren engelen en aartsengelen, en waren zelfs meerdere hemelen, de zevende hemel kennen we nog. Maar de Bijbel weet van dat alles niks, die kent boodschappers die je wat komen vertellen.

Vroeger ondertekenden mensen hun brieven nog wel eens met "uw dienstwillige dienaar", een ondertekening die een nederig verzoek eigenlijk nog wat kracht bijzette. Ook in de dagen waarin de Bijbel geschreven werd kwam "dienaar" regelmatig in verzoeken als ondertekening voor. De brief waarover vandaag wordt verteld wordt ondertekend met "uw Broeder" en een broer zal je toch nog eerder helpen dan wanneer je een knecht bent. En Edom was een broedervolk. Israël stamde van Jacob af en Edom van Esau. Dat waren tweelingbroers. Maar vanaf hun geboorte had het niet echt geboterd tussen die twee. Altijd was er een soort concurentie tussen de twee geweest. Ook in de geschiedenis van Israël hebben de twee volken vaak gebotst. Toen het volk in ballingschap werd geleid stonden de inwoners van Edom er bij te lachen en te juichen. Alleen in het boek Deuteronomium lijkt er een soort van broederlijke verstandhouding te zijn geweest tussen Edom en Israël. De brief aan Edom werd mondeling overgebracht. Sommige bijbeluitleggers zeggen dat Mozes zelf naar de Koning van Edom is geweest. En iemand die zelf voor postbode wil spelen verwacht toch wat meer toekomendheid. Geen sprake van. Edom weigert het verzoek, zelfs als de delegatie voorstelt voor het gebruik van water te betalen dan nog.

Uiteindelijk is het gevolg van het verzoek dat Edom een legermacht op Israël af stuurt. Is dit nu slecht van Edom? Het staat niet in dit verhaal. Dit gedeelte staat vlak na het verhaal dat God aan Mozes en Aäron heeft gezegd dat ook zij niet in het beloofde land zullen binnengaan. Een doortocht door Edom zou een kortere weg naar dat land betekenen en vragen om een doortocht is eigenlijk het negeren van de beslissing van de God van Israël. Ergens is de weigering van Edom wel te verwachten. Edom was ook afhankelijk van een vreedzame verhouding met Egypte, een grootmacht. Een vluchtende troep slaven kunnen zich dan wel presenteren als een broeder volk, je huis openstellen voor dit soort gelukszoekers ligt dan niet voor de hand. Er zitten voor ons twee lessen in dit verhaal. Wij hoeven niet bang te zijn voor machten en krachten die ons bedreigen als wij goed willen doen. Dat is wat het Evangelie, het verhaal over Jezus van Nazareth, ons heeft geleerd. Vluchtelingen opvangen hoeft geen angst op te roepen, misschien zijn ze wel bodes van God zelf. De tweede les is dat als je iemand altijd als slecht en niet deugend bestempeld dan moet je niet verwachten dat het een vriend wordt. En wij schelden mensen met een ander geloof nog wel eens uit om vervolgens verbaasd te zijn dat hun kinderen zich gaan gedragen zoals wij ze al hadden uitgescholden. Misschien moeten wel weer vaker "dienstwillige dienaar" schrijven in plaats van iedereen als de boze broer te beschouwen.

Reacties

Numeri 20:1-13

1 ¶  In de eerste maand kwamen de Israëlieten, het hele volk, in de woestijn van Sin, en ze bleven lang in Kades. Mirjam stierf daar en werd er begraven. 2  Toen er geen water meer was, liep het volk tegen Mozes en Aäron te hoop. 3  Ze maakten Mozes verwijten. ‘Waren wij ook maar omgekomen toen een deel van ons volk door het ingrijpen van de HEER stierf, ‘zeiden ze. 4  ‘Waarom hebt u het volk van de HEER naar deze woestijn gebracht? Om ons hier te laten sterven, met ons vee? 5  Waarom hebt u ons weggehaald uit Egypte en ons naar dit afschuwelijke oord gebracht? Er is hier geen koren, er zijn hier geen vijgenbomen, geen wijnstokken en geen granaatappelbomen. En drinkwater is er ook niet.’ 6  Mozes en Aäron verwijderden zich van de gemeenschap en gingen naar de ingang van de ontmoetingstent. Daar wierpen ze zich ter aarde. Toen verscheen de majesteit van de HEER. 7  De HEER zei tegen Mozes: 8  ‘Neem de staf en roep met je broer Aäron de Israëlieten bijeen. In hun bijzijn moeten jullie de rots daar bevelen water te geven. Jullie zullen water voor hen uit de rots laten komen, en mensen en vee te drinken geven.’ 9  Mozes nam de staf uit het heiligdom, zoals de HEER hem had opgedragen. 10  Hij en Aäron lieten iedereen bij de rots samenkomen. ‘Luister, opstandig volk, ‘zei Mozes, ‘zullen wij voor u uit deze rots water laten stromen?’ 11  Hij hief zijn hand op, sloeg tweemaal met zijn staf op de rots, en het water stroomde eruit, zodat iedereen te drinken had, en ook het vee. 12  De HEER zei tegen Mozes en Aäron: ‘Omdat jullie niet op mij vertrouwd hebben, en in het bijzijn van de Israëlieten geen ontzag hebben getoond voor mijn heiligheid, zullen jullie dit volk niet in het land brengen dat ik het geef.’ 13  Dit was het water van Meriba, waar de Israëlieten de HEER verwijten maakten en hij hun zijn heiligheid toonde. (NBV)

Veertig jaar had het volk door de woestijn gesjouwd. Nu waren de meeste mensen die uit Egypte waren bevrijdt gedood. Jozua en Kaleb leefden nog. En natuurlijk Mirjam en Mozes en Aäron. Een zuster en haar broers. Maar ook zij mogen niet het beloofde land in. Het verhaal over de volgende generatie begint dan ook met de dood van Mirjam, zij wordt in Kades begraven. Waar dat ligt weten we overigens niet. Gisteren hebben we gelezen over de rituelen die bij een begrafenis aan de orde zijn. Vaten vol reinigingswater zijn er nodig. In een woestijn is het dan niet zo vreemd dat het water opraakt. En in de hete woestijn heb je echt drinkwater nodig. Gelijk heeft de nieuwe generatie de gelegenheid om te laten zien dat zij een door de God van Israël uitverkoren volk zijn.

De Tent der Ontmoeting staat er en het volk kan zich in nood direct tot de God van Israël wenden. Doen ze dat? Welnee, ze zijn niet beter of slechter dan hun ouders. Niet beter of slechter dan wij zelf ook. Als ons een ramp overkomt zeggen we ook direct dat een God die ons liefheeft dat niet zou laten gebeuren. Eigen menselijk aandeel in de ramp wordt buiten beschouwing gelaten. Het volk van de tweede generatie trekt niet naar God maar naar Mozes en Aäron. Ze kenden de verhalen over Egypte, over korenvelden naast de Nijl, over vijgenbomen en wijnstokken, over granaatappels die symbolen zijn voor de liefde, dat was er in de woestijn allemaal niet. En nu was ook het drinkwater op. Dat beloofde land was in geen velden of wegen te zien en bovendien gingen daar allerlei spookverhalen over in het rond, over reuzen en versterkte steden.

Mozes en Aäron kennen de weg. Ze hadden die al vaak moeten gaan. Naar de Tent der Ontmoeting. Om overleg te plegen met de God van Israël. Die wijst hen op het water dat door de rots kan stromen. Spreek en er is water en spreken doe je dan in de naam van de God van Israël. Ook dat spreken is een ritueel waarbij de God van Israël centraal komt te staan. Die heeft immers de aarde geschapen voor de mensen. Dat spreken moest dus gebeuren met de staf van God, ze waren immers het volk van God ook al had elke stam haar eigen staf. Maar Mozes is het kennelijk zat. Na veertig jaar wordt er nog steeds gezeurd, nog steeds niet vertrouwd op de God van Israël. Hij slaat op de rots en ja, er komt water uit. Maar hij spreekt ook. Hij zegt dat hijzelf en zijn broer Mozes voor dat water zorgden. En daar gaat het mis. Alles wat we krijgen, zelfs als we er hard voor hebben gewerkt, krijgen we uit de hand van God. Als we dat ontkennen en ons beroemen op wat we wel niet aan rijkdom hebben verworven dan zullen we nooit dat land binnengaan waar alle tranen gedroogd zijn, waar alle leed geleden is. Mozes en Aäron gaan ons voor, ook zij mogen dat land niet binnen.

Reacties

Numeri 19:11-22

11 ¶  Wie het lijk van een mens aanraakt is zeven dagen onrein. 12  Zo iemand moet zich op de derde en op de zevende dag met het water laten reinigen, dan is hij weer rein. Als hij zich niet laat reiningen op zowel de derde als de zevende dag, blijft hij onrein. 13  Iedereen die een dode aanraakt, het lijk van een mens, en zich niet laat reinigen, verontreinigt de tabernakel van de HEER en moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden. Omdat hij niet met het reinigingswater besprenkeld is blijft hij onrein; zijn onreinheid blijft hem aankleven. 14  Wanneer iemand gestorven is in een tent geldt deze regel: iedereen die de tent binnengaat en alles wat zich in de tent bevindt, is zeven dagen onrein; 15  alle vaten die niet stevig met een deksel zijn afgesloten, gelden als onrein. 16  Iedereen die in het open veld het lijk aanraakt van iemand die door een ander gedood is of een natuurlijke dood is gestorven, of de beenderen van een mens, of een graf, is ook zeven dagen onrein. 17  Als iemand hierdoor onrein is geworden, moet men as nemen van het dier dat verbrand is om hen die onrein geworden zijn te reinigen, de as in een vat doen en er water uit een bron op gieten. 18  Iemand die rein is moet dan een majoraantak nemen, die in het water dopen en daarmee de tent, alle vaten en de mensen die in de tent geweest zijn besprenkelen. Hetzelfde moet gebeuren met degene die beenderen, het lijk van iemand die gedood of gestorven is, of een graf heeft aangeraakt. 19  De reine persoon moet de onreine op de derde en op de zevende dag besprenkelen. Nadat hij de onreine op de zevende dag gereinigd heeft, moet deze zijn kleren en zijn lichaam met water wassen. ‘s Avonds is hij dan weer rein. 20  Maar wie onrein is en zich niet laat reinigen, moet uit de gemeenschap gestoten worden, omdat hij het heiligdom van de HEER verontreinigd heeft. Omdat hij zich niet met reinigingswater heeft laten besprenkelen, blijft hij onrein. 21  Deze wet blijft voor altijd van kracht. Wie het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren wassen; wie het reinigingswater aanraakt, blijft tot de avond onrein. 22  Alles wat iemand die onrein is aanraakt, wordt onrein, en wie zo iemand aanraakt blijft tot de avond onrein.’ (NBV)

Begrafenissen zitten vol met rituelen. Bij crematies zijn dat vaak dezelfde. Als iemand overleden is dan wordt het stoffelijk overschot gewassen en opgebaard. Vaak in de beste kleren zodat het afscheid het afscheid wordt van een mens waarvan je hebt kunnen houden. Het stoffelijk overschot wordt bij ons in een kist gelegd. Vaak is er dan gelegenheid om nog een laatste groet te brengen. Dan wordt de kist gesloten, tegenwoordig ook wel door de nabestaanden, en plechtig naar de begraafplaats of het crematorium gebracht. Vaak in auto's die zoveel luxe uitstralen als de overledene in zijn leven nooit heeft meegemaakt. Al die rituelen drukken uit hoeveel waarde we hechten aan een mens, aan een levend mens.

Na de begrafenis of crematie is er dan nog een bijeenkomst met de aanwezigen. Koffie, thee en broodjes of cake worden geserveerd. Het leven moet immers doorgaan en er staan eigenlijk altijd anderen om je heen. Wat jammer is dat er vaak geen ruimte voor verdriet is. Natuurlijk bij het graf of in het crematorium vloeit er wel een traan, maar daarna moet het over zijn. Dat is eigenlijk in strijd met alle moeite die we hebben genomen om de waarde van de overledene tot uitdrukking te brengen. In het gedeelte van vandaag wordt een poging gedaan om er wat langer over te doen. Als je een stoffelijk overschot hebt aangeraakt dan ben je tenminste zeven dagen onrein. Je draagt de smet van het verlies van mensenleven tenminste zeven dagen met je mee.

Je moet rituelen ondergaan om van dat gevoel onrein te zijn af te komen. Gewoon je handen wassen is niet genoeg, daarvoor is een mensenleven te kostbaar. Er moet reinigingswater gemaakt worden en alles en iedereen die bij het stoffelijk overschot betrokken is moet met dat reinigingswater weer gereinigd worden. Door een persoon die rein is dus. Eén keer is niet genoeg, dat zou lijken op gewoon even je handen wassen. Nee op de derde dag moet er een begin van worden gemaakt en op de zevende dag moet de reiniging actief worden afgemaakt. Zelfs de reine mens die de besprenkeling heeft uitgevoerd moet zich ritueel wassen en is een dag onrein. Goed afscheid van de doden benadrukt de waarde van het leven, dat God regels heeft gegeven om die waarde tot uitdrukking te brengen mag ons dankbaar stemmen. Daarmee wordt elk levend mens van grote waarde, laten we zo met het leven omgaan.

Reacties

Numeri 19:1-10

1 ¶  De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 2  ‘Dit is een wet die de HEER heeft ingesteld: Zeg tegen de Israëlieten dat ze je een koe brengen, een gave rode koe zonder enig gebrek, die nog nooit een juk heeft gevoeld. 3  Geef die aan de priester Eleazar. Ze moet buiten het kamp worden gebracht en daar in zijn aanwezigheid geslacht worden. 4  De priester Eleazar moet zijn vinger in het bloed dopen en het zevenmaal in de richting van de voorkant van de ontmoetingstent sprenkelen. 5  De koe moet voor zijn ogen worden verbrand: de huid, het vlees, het bloed en de inhoud van de ingewanden. 6  De priester neemt cederhout, majoraan en karmozijn, en gooit dat midden in het vuur waarin de koe verbrand wordt. 7  Dan moet hij zijn kleren en zijn lichaam met water wassen. Daarna mag hij het kamp weer binnen, maar hij blijft tot de avond onrein. 8  Ook degene die de koe verbrand heeft moet zijn kleren en zijn lichaam met water wassen. Ook hij blijft tot de avond onrein. 9  Iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en op een reine plaats buiten het kamp leggen. Daar moet de as bewaard worden, omdat er reinigingswater mee moet worden bereid dat de Israëlieten van zonde reinigt. 10  De man die de as van de koe verzameld heeft moet zijn kleren wassen. Hij blijft tot de avond onrein. Deze wet blijft voor altijd van kracht, zowel voor de Israëlieten als voor de vreemdelingen die bij jullie wonen. (NBV)

Vandaag beperken we het lezen van een gedeelte uit de Bijbel tot een beschrijving van een compleet ritueel. Rituelen kennen we allemaal, van de beschuit met muisjes bij een geboorte, de witte bruidsjurk, de wensballon bij een overlijden. In de kerk kennen we nog een aantal rituelen, het Avondmaal, met brood en wijn, de doop, met water, de Paaskaars die vooraan in de Kerk brandt als je binnen komt. Rituelen vertellen een verhaal in voorwerpen en gebaren zonder dat er woorden bij te pas hoeven te komen. Als je na een geboorte een beschuit met blauwe muisjes krijgt weet je zonder te vragen dat er een jongen is geboren. Een ritueel heeft dus een betekenis en rituelen die hun betekenis hebben verloren krijgen of een nieuwe betekenis of sterven uit. Ook het ritueel dat we vandaag lezen heeft een betekenis. Rabbijnen, die de Hebreeuwse Bijbel kennen als geen ander, beginnen dan te vertellen dat elk detail van een ritueel zijn belang heeft. Een rode koe zonder gebreken moet dus een rode koe zijn, als er maar een paar haartjes zwart zijn dan is de koe ongeschikt.

Maar wat is de betekenis van dit ritueel dat ons toch vreemd voorkomt. Het staat op een bijzondere plaats in het verhaal dat in Nummeri wordt verteld. Het is namelijk de afsluiting van een serie verhalen over opstand tegen God, tegen het leiderschap van Mozes en Aäron. Bij die opstanden waren een heleboel mensen gedood. Het volk had bloed aan de handen en in bloed ligt in de traditie van Israël het leven besloten. Daarom lees je vaak bij offers dat het bloed van het offerdier uitgegoten moet worden over het altaar, het leven dat God gegeven heeft keert symbolisch weer terug naar God. Hier moet het volk gereinigd worden van het bloed dat vergoten is door mensen. Als wij ons reinigen zetten we de kraan open en wassen we ons, liefst met stromend water. In een ritueel is dat toch iets te eenvoudig. Kinderen die gedoopt worden krijgen een handje water over hun hoofd, maar dat water komt uit een fraai dopvont en tenminste de ouders staan rond dat doopvont en in Protestantse Kerken zit er een hele gemeente er bij om er getuige van te zijn. Hier moet dus een rode koe worden verbrand. Dat rode van die koe staat voor het bloed dat vergoten is.

Rood is in dit ritueel het belangrijkste gegeven. Cederhout, majoraan en karmozijn maken het ritueel nog roder. Nu is een hele koe verbranden niet echt een schoon werkje. Het moet dus ook buiten de legerplaats plaatsvinden. Contact met de as van de verbranding maakt je onrein, je raakt met het doden besmet en God wilde dat er niet gedood zou worden. Na de verbranding moet de Priester, Eleazar, dus eerst zijn kleren wassen en daarna zichzelf. Als hij eerst zichzelf zou wassen en daarna zijn kleren dan zou hij weer onrein worden door de as die in zijn kleren zit. Hetzelfde geld voor degene die het as heeft helpen verzamelen. Die is net zo onrein geworden als de Priester. Die as moet worden bewaard. Als er bloed vergoten is en er moet een reinigsritueel worden uitgevoerd dan wordt aan het water iets van deze as worden toegevoegd, dan wordt het reinigingswater. Voor ons is en blijft dit een raar verhaal. Maar voor ons is er in elk geval de boodschap dat het doden van mensen, ook al lijkt dat noodzakelijk, niet  ongemerkt mag gebeuren. De mensen die dat voor ons doen zullen gereinigd moeten worden. Zij zullen niet als doders, als nemers van mensenlevens in onze samenleving moeten kunnen terugkeren. Dat kan nu wel en met veel van hen gaat het dus niet goed, zij blijven steken in wat ze hebben gedaan toen het oorlog was. Wij zullen daar meer aandacht voor moeten hebben, misschien zelfs door een rituele reiniging.

Reacties

Numeri 18:21-32

21 Wat de Levieten betreft, hun geef ik alle tienden van de Israëlieten in bezit, als vergoeding voor de werkzaamheden die ze bij de ontmoetingstent verrichten. 22  De Israëlieten mogen niet langer in de buurt van de ontmoetingstent komen, ze zouden daarmee schuld op zich laden en sterven. 23  De werkzaamheden bij de ontmoetingstent worden verricht door de Levieten, en zij worden verantwoordelijk gesteld voor overtredingen. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, voor alle komende generaties. De Levieten krijgen geen grondbezit zoals de andere Israëlieten; 24  hun geef ik de tienden in eigendom die de Israëlieten aan de HEER afdragen. Daarom heb ik bepaald dat zij geen grondbezit krijgen zoals de andere Israëlieten.’ 25  De HEER zei tegen Mozes: 26  ‘Zeg tegen de Levieten: “Wanneer jullie van de Israëlieten de tienden in ontvangst nemen, die ik jullie in eigendom geef, moeten jullie van die tienden een tiende aan de HEER afdragen. 27  Dat wordt dan beschouwd als jullie bijdrage, alsof het graan was van jullie dorsvloer en wijn en olijfolie uit jullie perskuip. 28  Ook jullie moeten dus van alle tienden die je van de Israëlieten ontvangt, een vast deel aan de HEER afstaan en aan de priester Aäron geven. 29  Houd van alles wat je geschonken wordt een deel apart als bijdrage voor de HEER, het beste deel, als een heilige gave.” 30  Zeg hun ook: “Wanneer jullie, Levieten, het beste deel afstaan, wordt dat beschouwd als de opbrengst van jullie dorsvloer en perskuip. 31  Jullie mogen met je familieleden op elke willekeurige plaats van de tienden eten, want het is je loon, het is een vergoeding voor je werkzaamheden bij de ontmoetingstent. 32  Als je het beste deel afdraagt, laad je geen schuld op je en ontwijd je de heilige gaven van de Israëlieten niet, maar anders zullen jullie sterven.”’ (NBV)

Toen veel later het beloofde land verdeeld werd onder de stammen en van die stammen familie voor familie een stuk grond kreeg, kregen de Levieten niks. Zij moesten recht spreken in de dorpen en de steden. In een land dat geheel afhankelijk is van het bezit van een stuk land maak je de rechtspraak een stuk onafhankelijker als de rechters niet een eigen belang hebben op eigen land of uitbreiding van eigen land. Dat land was zo belangrijk dat elke familie die hun stuk land was kwijtgeraakt in het vijftigste jaar weer opnieuw mocht beginnen. Onafhankelijke rechtspraak is dus een groot goed. Als een politicus de onafhankelijkheid van de rechtspraak ter discussie stelt is er iets heel ernstigs aan de hand. Of de politicus wil wanhopig de rechters laten waarmaken dat ze onafhankelijk zijn, door het vonnis in zijn voordeel te laten uitvallen, of de politicus heeft gelijk. In onze samenleving hebben we rechters die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de rechtspraak, de leden van de Hoge Raad. Als er ook maar door een politicus de schijn van partijdigheid van rechters wordt gewekt zouden die direct een diepgaand onderzoek moeten instellen. Maar ja, we leven niet in een ideale samenleving.

De onafhankelijkheid van de rechtsprekende levieten blijkt ook uit de manier waarop ze beloond worden. Je kunt een rechtszaak immers ook in rekening brengen bij de partijen die de rechtszaak aanspannen. Je loopt dan de kans dat degene die het meeste geld heeft de zaak op voorhand al gewonnen heeft. De rechter wordt immers door de winnaar extra betaald. In Israël hadden de Levieten een vast inkomen. Tien procent van de opbrengsten van het land was voor de Levieten. Zij moesten daarvan nog tien procent afdragen aan de Priesters. Hun inkomen stond dus los van de vonnissen die werden gewezen. In onze rechtspraak is dat niet helemaal het geval. De griffierechten zijn zo hoog dat er voor de armen eigenlijk geen recht meer te halen valt. Zij staan daarom extra zwak als het gaat om geschillen met de overheid en grote bedrijven. Het is ook de reden dat deurwaarders zo gemakkelijk naar de rechter stappen als het gaat om mensen met een beperkt inkomen. De verdediging kost de armen zoveel geld dat ze daar niet aan toekomen. Veel mensen doen daarom betalingen die ze bij een eerlijke rechtspraak hadden kunnen vermijden. De schuldsaneringen nemen daardoor ook extra toe. Wellicht dat griffierechten en bijdragen voor advocaten weer in overeenstemming gebracht moeten worden met de draagkracht van de gedaagden.

Wie de bepalingen over de eigendom en de inkomsten van de Levieten goed leest moet het wel opvallen dat er voor de Priesters een andere regeling geldt. De Priesters leven van de offers die aan de God van Israël worden gebracht. Zij zijn niet de dienaren van het volk zoals de Levieten, maar zij zijn de dienaren van God zelf. In die woestijn moesten de Levieten er voor zorgen dat de Tent van de Ontmoeting het heilige, het centrum, van het volk zou blijven. Je moest er niet zomaar naar toe, er viel met het Heiligdom niet te spotten. Wie dat niet serieus nam kon doodvallen. Het was aan de Levieten om dat te voorkomen. Maar er moest ook geofferd worden. Het volk kreeg wel belasting opgelegd maar moest ook voortdurend laten zien dat alles wat ze hadden gekregen was van de God van Israël. Elke dag begon en elke dag eindigde met een offer voor God. Dat wat je die dag  verdiende en de vorige dag verdiend had was van God en diende gedeeld te worden volgens de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Daar stonden dus ook de Levieten niet los van. De weduwe en de wees, de arme, de zieke, de vreemdeling waren mensen die extra zorg moesten krijgen. Als daar te weinig aandacht aan werd geschonken ging het mis met de Godsdienst, dan hongerden de Priesters. God trok zich dan terug omdat God kennelijk niet meer hoefde. Rampen teisterden dan het land. Ook wij mogen ons best elke dag afvragen hoe wij delen met de zwaksten in de samenleving, hoe gastvrij wij willen zijn voor de vreemdelingen. We zijn immers een volk van Priesters en Koningen.

Reacties

Numeri 18:1-20

1 ¶  De HEER zei tegen Aäron: ‘Jij en je zonen en je hele familie zullen verantwoordelijk worden gesteld voor overtredingen die in het heiligdom worden begaan, en jij en je zonen alleen worden verantwoordelijk gesteld voor overtredingen die jullie bij het uitoefenen van het priesterschap begaan. 2  Laat je verwanten, de stam Levi, de stam van je voorvader, samen met jou naar het heiligdom komen; ze moeten zich bij je aansluiten en jou en je zonen behulpzaam zijn wanneer jullie voor de tent met de verbondstekst dienst doen. 3  Zij moeten de taken verrichten die jij hun geeft en zorg dragen voor de tent zelf. Maar ze mogen niet in de buurt van de heilige voorwerpen of het altaar komen, anders zullen ze sterven, en jullie ook. 4  Ze moeten zich bij je aansluiten en zorg dragen voor de ontmoetingstent, voor alle werkzaamheden die daar verricht worden. Onbevoegden mogen niet in jullie nabijheid komen 5  wanneer jullie de heilige voorwerpen en het altaar verzorgen. Zo kunnen jullie voorkomen dat de Israëlieten door mijn toorn getroffen worden. 6  Hierbij zonder ik jullie verwanten, de Levieten, van de andere Israëlieten af, en ik wijs hen aan jullie toe. Zij zijn afgestaan aan de HEER en moeten werkzaamheden bij de ontmoetingstent verrichten. 7  Maar jij en je zonen verrichten alle priesterlijke taken bij het altaar en in de ruimte achter het voorhangsel. Dat is jullie werk. Ik geef jullie het priesterschap als een geschenk. Iedere onbevoegde daarentegen die te dicht bij het heiligdom komt zal gedood worden.’ 8 ¶  De HEER zei verder tegen Aäron: ‘Hierbij vertrouw ik de geschenken die mij gebracht worden aan jou toe. Alle heilige gaven die de Israëlieten mij brengen, geef ik aan jou en je zonen. Ze zijn voor jullie bestemd, jullie hebben daar voor altijd recht op. 9  Wat van de allerheiligste gaven niet verbrand wordt, komt jou toe. Dit geldt voor alle gaven die de Israëlieten mij brengen bij hun graanoffers, hun reinigingsoffers en hun hersteloffers. De allerheiligste gaven komen jou en je zonen toe. 10  Eet ze op de allerheiligste plaats. Al je mannelijke nakomelingen mogen ervan eten. Respecteer de heiligheid ervan. 11  Ook komt jou een vast deel toe van alle offergaven van de Israëlieten die omhooggeheven worden. Dit geef ik voor altijd aan jou, je zonen en je dochters. Iedereen in je familie die rein is mag ervan eten. 12  Ik geef je het beste van de olijfolie en het beste van de wijn en het graan, de allereerste opbrengst, die de Israëlieten aan de HEER afstaan. 13  De eerste opbrengst van hun land, die ze aan de HEER geven, is voor jou. Iedereen in je familie die rein is mag ervan eten. 14  Alles in Israël waarop mijn ban rust, is voor jou. 15  Alles wat het eerst de moederschoot verlaat en aan de HEER wordt aangeboden, hetzij mens of dier, is voor jou, maar de eerstgeborenen van de mensen moet je laten vrijkopen, en ook de eerstgeboren onreine dieren. 16  Zodra een eerstgeborene een maand oud is, moet je hem laten vrijkopen voor een vast bedrag van vijf sjekel zilver, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel. 17  Het eerstgeboren jong van een rund of het eerste jong van een schaap of geit mag echter niet worden vrijgekocht, want die zijn heilig. Hun bloed moet je tegen het altaar gieten en hun vet op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt. 18  Maar hun vlees komt jou toe, zowel het borststuk als de rechterachterbout. 19  Van alle heilige gaven die de Israëlieten aan de HEER brengen, geef ik jou, je zonen en je dochters voor altijd een vast deel. Voor de HEER geldt dit als een eeuwigdurend, met zout bekrachtigd verbond met jou en je nakomelingen.’ 20 ¶  Ook zei de HEER tegen Aäron: ‘Jij krijgt geen eigen grondgebied en geen andere bezittingen zoals de overige Israëlieten. Ik ben je bezit en je grondgebied. (NBV)

Er zijn mensen aan dood gegaan. Mensen die het beter dachten te weten dan de God van Israël. Zij stelden het priesterschap van Aäron ter discussie. Korach was de aanvoerder van de Levieten die het priesterschap ter discussie stelde. Met een heleboel levieten gewapend met vuurpannen waren ze naar de Tent der Ontmoeting gegaan, zij konden immers net zo goed de priesterlijke taken vervullen? Ook Datan en Abiram hadden de taakverdeling in Israël ter discussie gesteld. Zij stamden af van Ruben de oudste zoon van Jacob, van Israël en had die niet de oudste rechten? Ze waren er dood aan gegaan. Ze waren immers allemaal slaven geweest in Egypte? Nu moest er iets nieuws beginnen. Iets dat hoort bij het verbond dat het volk met die bijzondere God had gesloten. In die Tent stond niet een beeld van hun God, maar lag de tekst van het verbond. Dat verbond, die tekst was het allerbelangrijkste dat het volk bezat, dat was ook het meest volmaakte, het Heiligste en dat heilige moest tot uitdrukking worden gebracht.

Daarom een onderscheid. Tussen de Tent der Ontmoeting en het volk stond de stam van Levi. Bij een verhuizing moesten zij zorg dragen voor dat heilige. Bij een aanval op het legerkamp moesten zij de Tent der Ontmoeting verdedigen. Maar het Heilige is heiliger dan de levieten. Dat Heilige steekt overal bovenuit. Daarom is er één familie binnen de stam  van Levi die nog eens extra is afgezonderd. Dat is de familie van Aäron. Hij en zijn zonen en nakomelingen zijn de Priesters. Zij zorgen voor de offers, zij mogen in het Heilige komen, daar waar de godslamp brand, de zevenarmige kandelaar staat en de tafel der toonbroden. Maar het allerheiligste is de tekst van het verbond, daar mag alleen de hogepriester komen. Nu hoef je de God van Israël niet in leven te houden met offers, je hoeft hem ook niet gunstig te stemmen met offers. Die offers voor God zijn het voedsel voor de Priesters en de Levieten. Sommige offers moeten verbrand worden, de reuk is het teken dat er geofferd is, de rest is hun salaris. Letterlijk want het gaat over zout dat vlees conserveert en duurzaam maakt. Zout kregen de Romeinse soldaten als beloning, zout was kostbaar in de woestijn. Zout kregen de priesters en levieten dus.

Wat moeten wij nu hier mee? Wij hebben immers geen Tent der Ontmoeting of een Tempel meer? In de Protestantse Kerken zijn er ook geen Priesters meer. Waarom dan dit gedeelte uit de Hebreeuwse Bijbel gelezen? Omdat wijzelf een volk van Priesters en Koningen zijn. Zo noemt Paulus ons tenminste. En de tekst van dat verbond hoort ons in het hart geschreven te zijn. Daarmee zijn wij zelf het heiligste geworden, dat vergeten we nog wel eens. De offers in Israël werden gebracht als teken dat de richtlijnen uit het verbond te zorgen voor de minsten, je naaste liefhebben als je zelf ook werkelijk werden nagekomen. Wie al te zeer gesteld wordt op eigen bezit zoekt wegen om aan de zorg te ontkomen. Er was zelfs een Koning die de schapen van een arme buurman liet slachten om te kunnen delen. Wij zeggen dat de werklozen zelf schuldig zijn aan de werkloosheid, wie niet werkt wil niet werken klinkt het. Het pleit ons schijnbaar vrij om te zorgen. Werkgevers hebben geen enkele verplichting dat werk aan de minsten te geven, te zorgen dat iedereen deel kan nemen aan de economie. Maar dat ook de weduwen en de wezen, de vreemdelingen en de armen deel konden nemen aan de samenleving van Israël was het hart van hun wet, laat het dus ook de wet van ons hart zijn.

Reacties

Lucas 9:51-62

51 ¶  Toen de tijd naderde dat Jezus van de aarde zou worden weggenomen, ging hij vastberaden op weg naar Jeruzalem. 52  Hij stuurde boden voor zich uit. In een Samaritaans dorp, waar ze kwamen om zijn komst voor te bereiden, 53  wilden de dorpelingen hem niet ontvangen, omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was. 54  Toen de leerlingen Jakobus en Johannes merkten dat Jezus niet welkom was, vroegen ze: ‘Heer, wilt u dat wij vuur uit de hemel afroepen dat hen zal verteren?’ 55  Maar hij draaide zich naar hen om en wees hen streng terecht. 56  Ze gingen verder naar een ander dorp. 57 ¶  Terwijl ze hun weg vervolgden, zei iemand tegen hem: ‘Ik zal u volgen waarheen u ook gaat.’ 58  Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’ 59  Tegen een ander zei hij: ‘Volg mij!’ Maar deze zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’ 60  Jezus zei tegen hem: ‘Laat de doden hun doden begraven, maar ga jij op weg om het koninkrijk van God te verkondigen.’ 61  Weer een ander zei: ‘Ik zal u volgen, Heer, maar sta me toe dat ik eerst afscheid neem van mijn huisgenoten.’ 62  Jezus zei tegen hem: ‘Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.’ (NBV)

Jezus van Nazareth gaat zijn weg naar het einde en het Evangelie van Lucas vertelt ons dat dat einde ligt in Jeruzalem. Daar was het verhaal ook begonnen. Aan het begin van het Evangelie van Lucas staat Zacharias, de priester zonder hoop en verwachting die met stomheid geslagen wordt als hij ontdekt dat de verwachting die hij en zijn vrouw altijd gehad hadden toch nog uit zal komen. Maar ook het einde van het verhaal ligt in Jeruzalem. In Jeruzalem immers is de Tempel waar de leer van Mozes wordt bewaard. De leer van heb je naaste lief als jezelf. Daarom wijst Jezus zijn volgelingen streng terecht als zij vuur willen laten neerdalen op een dorp dat hen niet wil ontvangen. Samaria had ooit een eigen tempel voor de God van Israel en de wrijving daarover was altijd gebleven. De Samaritanen hadden hun eigen heiligdom op de berg Gerizim.

Denk ook niet dat het om een handjevol rondtrekkende mannen gaat, het is een hele menigte die Jezus volgt op zijn weg. Maar Jezus van Nazareth waarschuwt de volgelingen, geen hol, geen nest, geen huis of plaats om te rusten heeft hij, ze moeten maar afwachten of er iemand is die ze een plaats in de samenleving gunt. Daarmee gaat hij de weg van de lijdenden waarover vertelt wordt. De weg van de zieken, de weduwen, de armen, de vluchtelingen, de tollenaars en de hoeren. Juist de mens die anderen een plek in de samenleving geeft heeft die plek zelf niet. Zonder omkijken gaat het op die weg voort. De doden kunnen hun doden begraven, afscheid nemen van huisgenoten is er niet bij, wie geen huis heeft kent ook geen huisgenoten. Op de weg van Jezus van Nazareth wordt de armen het aangename jaar van God verkondigd, krijgen de hongerigen eten, worden naakten gekleed, gevangenen bevrijd. Dat is het programma van het Koninkrijk van God.

Wie tot dat Koninkrijk wil behoren moet de weg gaan van de lijdenden, moet met andere woorden het kruis achter Jezus aan opnemen. Wie bij dat Koninkrijk wil horen keert zich af van de wereld waar het gaat om winst en profijt, om aanzien en pracht en praal. Dat Koninkrijk is voor de levenden, voor echte mensen zou Paulus later schrijven. De onechtheid, het klatergoud, de schijnvroomheid, verdwijnen in het licht van dat Koninkrijk. Evangelie betekent blijde boodschap en voor armen die worden bevrijdt van de armoede is het natuurlijk een blijde boodschap, maar ook voor al die mensen die de schijn moeten ophouden dat streven naar geluk ook streven naar materiële welvaart is. Streven naar geluk in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth is het geluk in de ogen van de naaste die weer op weg geholpen is, die weer mee mag doen. Kijk vandaag maar eens goed in de ogen van je naaste.

 

Reacties

Lucas 9:37-50

37 ¶  Toen ze de volgende dag de berg afdaalden, kwam een grote menigte Jezus tegemoet. 38  Opeens begon een man in de menigte luid te roepen: ‘Meester, ik smeek u, help mijn zoon, want hij is mijn enige kind. 39  Telkens weer neemt een geest bezit van hem, en dan begint hij opeens te schreeuwen en krijgt hij stuiptrekkingen en komt het schuim hem op de lippen te staan. En de geest wil hem pas loslaten wanneer hij hem bont en blauw heeft geslagen. 40  Ik heb uw leerlingen gesmeekt om hem uit te drijven, maar dat konden ze niet.’ 41  Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik bij jullie blijven en jullie nog verdragen? Breng uw zoon hier.’ 42  Terwijl de jongen naar hem toe liep, gooide de demon hem op de grond en liet hem stuiptrekken. Maar Jezus sprak de onreine geest op strenge toon toe, genas de jongen en gaf hem terug aan zijn vader. 43 ¶  Allen waren met stomheid geslagen vanwege de grootheid van God. Terwijl iedereen nog onder de indruk was van zijn daden, zei Jezus tegen zijn leerlingen: 44  ‘Onthoud wat ik tegen jullie zeg: de Mensenzoon zal aan de mensen uitgeleverd worden.’ 45  Maar ze begrepen deze uitspraak niet; de betekenis bleef voor hen verborgen, en ze durfden hem niet naar de zin van die uitspraak te vragen. 46  Ze begonnen onderling te redetwisten over wie van hen de belangrijkste was. 47  Jezus merkte wat hen bezighield en hij nam een kind bij zich, dat hij naast zich neerzette. 48  Hij zei tegen hen: ‘Wie dit kind in mijn naam bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot.’ 49  Daarop zei Johannes: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.’ 50  Jezus zei tegen hem: ‘Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.’ (NBV)

Een ongelovig en dwars volk zijn we vaak. Bang voor geesten en demonen, bang voor tegenwerking en mislukking, bang voor ons eigen hachje. Is er een jongen die genezing behoeft, kennelijk van een epileptische aandoening, staan we met onze handen in het haar en raken we in paniek in plaats van die jongen een eigen plaats in onze samenleving te geven. Het kwade te negeren en het goede te doen, daar komt het ook voor ons op aan. Als God liefde is dan komt de grootheid van de liefde juist tot uiting in het liefhebben van mensen. Als je werkelijk van mensen houdt dan gebeuren er dingen die je niet voor mogelijk had gehouden. Dat betekent niet dat je altijd liefjes moet zijn. Jezus spreekt het kwade in dit verhaal streng toe, dat wat kwaad is moet worden bestreden. Daar kun je natuurlijk wel weerstand van ondervinden.

Mensen die uit gemakzucht of gewinzucht het kwaad bedrijven, groot of klein, zullen dat niet snel opgeven. Daar waar God vraagt het goede te doen voor de minste onder ons blijven wij een dwars volk, ongelovig in de mogelijkheden die mensen geboden zijn en bang voor de gevolgen. Jezus roept ons op het anders te gaan doen, voor de grootheid van God.  Alle mensen waren onder de indruk van wat Jezus van Nazareth had gedaan. De beweging die rondom die Jezus was ontstaan groeide en groeide. Jezus van Nazareth zelf relativeerde dat belang. Vandaag nog populair morgen in de gevangenis, zo was het Johannes vergaan zo zou het ook Jezus kunnen vergaan. Maar op het hoogtepunt van een beweging is het moeilijk voor te stellen dat er een eind aan komt, ja zelfs dat men er een afkeer van zou kunnen krijgen. Jezus van Nazareth zet echter de beweging niet centraal en zeker ook zichzelf niet. Hij zet de zwakken centraal in de samenleving.

Een kind wordt in dit verhaal als voorbeeld genomen. Als je voor een kind weet te gaan zorgen dan ben je pas belangrijk, wie zichzelf dienstbaar maakt, wie dus de kleinste is, is volgens Jezus van Nazareth pas groot. Daar kunnen ze in de Verenigde Staten van Amerika nog heel veel van leren. Iedereen is wel gelijk, maar het recht van ieder individu te streven naar geluk en voorspoed betekent ook dat iedereen dat mag doen ten koste van anderen. Het zogenaamd Christelijk karakter heeft dan ook een sterk buitenkant gehalte. Gevangenen worden niet bezocht, laat staan vrijgelaten, maar gedood, hongerigen worden niet gevoed en naakten niet gekleed aan de armen wordt niet de bevrijding verkondigd die Jezus van Nazareth zo benadrukte in zijn optreden. Voor velen zijn de Verenigde Staten van Amerika een voorbeeld Maar geen menselijke samenleving kan als voorbeeld dienen voor het Koninkrijk van God. Daar zullen alle tranen gewist zijn. Voor het zover is zullen wij ons dag in dag uit dienend moeten opstellen en ook anderen moeten oproepen daarin mee te gaan, ook onze Amerikaanse broeders en zusters.

Reacties

Lucas 9:28-36

28 ¶  Ongeveer acht dagen nadat hij dit had gezegd ging hij met Petrus, Johannes en Jakobus de berg op om te bidden. 29  Terwijl hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit. 30  Opeens stonden er twee mannen met hem te praten: het waren Mozes en Elia, 31  die in hemelse luister verschenen waren. Ze spraken over het levenseinde dat hij in Jeruzalem zou moeten volbrengen.32  Petrus en de beide anderen waren in een diepe slaap gevallen; toen ze wakker schoten, zagen ze de luister die Jezus omgaf en de twee mannen die bij hem stonden. 33  Toen de mannen zich van hem wilden verwijderen, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn, laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia, ‘maar hij wist niet wat hij zei. 34  Terwijl hij nog aan het spreken was, kwam er een wolk aandrijven, die een schaduw over hen wierp; ze werden bang toen de wolk hen omhulde. 35  Er klonk een stem uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar hem!’ 36  Toen de stem verstomd was, was Jezus weer alleen.  Ze zwegen over het voorval en vertelden in die tijd aan niemand wat ze hadden gezien.  (NBV)

In het Evangelie van Lucas staan de leer van Mozes en de Profeten centraal. En het is geen wonder dat Mozes en Elia hier verschijnen want van hen werd geschreven dat ze opgenomen in de hemel waren. Dat verteld het Evangelie van Lucas en de Handelingen later ook over Jezus van Nazareth. In het verhaal over de uittocht uit Egypte zoals je dat in het boek Genesis kunt lezen is het de wolk die overdag het volk beschermd, in de nacht is het een vuurkolom. Uit de wolk komt nu de stem die oproept naar Jezus te luisteren. Hij zal kennelijk de leer van Mozes en de Profeten nieuw leven inblazen. Voor ons lijken die richtlijnen voor de menselijke samenleving uit de leer van Mozes en die Profeten soms van wat minder belang. Die staan immers in wat wij noemen het Oude Testament en wij leven immers onder het Nieuwe Testament. Maar dat is toch een misvatting. Juist het Evangelie van Lucas benadrukt het belang van die leer van Mozes en de Profeten, trouwens ook van de Geschriften, met name de Psalmen worden genoemd.

Zonder de leer van Mozes en zonder de Profeten geen Jezus van Nazareth, ofwel zonder het Oude Testament kan het Nieuwe Testament helemaal niet bestaan. Het gaat in het verhaal van Jezus van Nazareth om het vervullen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving, de richtlijnen zoals die door de Profeten steeds opnieuw aan het volk is voorgehouden. Het is de  leer die in de Woestijn werd gepresenteerd, de leer van delen en van je naaste liefhebben als jezelf. Steeds als we lazen in de boeken van de Profeten, en we lazen dat van Jesaja, Jeremia, Micha, Hosea en Joël, komen we steeds weer die richtlijnen tegen als de maat waarmee de daden van het volk worden gemeten. Hoe wordt omgegaan met de zwakken, met de weduwen en de wees. Hoe doen de rijken met hun landgenoten die hun akkers zijn kwijtgeraakt, voegen zij akker aan akker samen of delen zij en weten ze de slaven te bevrijden en weer opnieuw een volwaardige plaats in hun samenleving te geven? Die bevrijding staat in het Evangelie van Lucas centraal.

Het is dus geen wonder dat je een dergelijke schijnbaar ideale samenleving wil behouden. Mozes had de richtlijnen opgeschreven en aan het volk gepresenteerd. Met vallen en opstaan had het volk geleerd de richtlijnen te respecteren en de tien regels als het Heiligste te beschouwen dat het volk had. Wie het verhaal over de Tent van de Ontmoeting, de Tabernakel, goed op zich laat inwerken zal merken dat wat het volk zag niet een beeld van de God was die het dan het aller kostbaarste van het volk, het allerheiligste was, maar die stenen platen met de 10 regels om mee op weg te gaan. Het is een fundamenteel verschil met alle andere volken, die hebben het beeld van hun God in hun Tempels. Boven die Tabernakel hing een wolk als het volk in rust was, en boven het visioen van Jezus met Mozes en Elia hangt ook een wolk, juist als Petrus voorstelt om tenten te bouwen, tenten van ontmoeting. Maar niet Mozes en Elia moeten worden aanbeden. God moet worden aanbeden, de Naam van de Vader moet groot gemaakt worden zou Jezus zeggen. Dat doen we dus met die richtlijn van hem uw naaste lief als uzelf. Daarom is Jezus de uitverkorene, luister dus ook vandaag naar hem.

Reacties

Lucas 9:18-27

18 ¶  Toen Jezus eens aan het bidden was en alleen de leerlingen bij hem waren, stelde hij hun de vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ 19  Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, maar anderen zeggen Elia, en weer anderen beweren dat een van de oude profeten is opgestaan.’ 20  Hij zei tegen hen: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘De door God gezonden messias.’ 21  Hij beval hun op strenge toon dat tegen niemand te zeggen. 22  Hij zei: ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden en door de oudsten, de    hogepriesters en de schriftgeleerden worden verworpen en gedood, maar op de derde dag zal hij uit de dood worden opgewekt.’ 23  Tegen allen zei hij: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn kruis op zich nemen en mij volgen. 24  Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden. 25  Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schade toebrengt? 26  Wie zich schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in de stralende luister die hemzelf, de Vader en de heilige engelen omgeeft. 27  Ik verzeker jullie dat sommigen die hier aanwezig zijn niet zullen sterven voor ze het koninkrijk van God hebben gezien.’ (NBV)

Het Evangelie van Lucas is geschreven lang na de kruisiging en opstanding van Jezus van Nazareth. Maar de woorden dat je jezelf moet verloochenen en dagelijks je kruis op moet nemen achter Jezus aan hebben tot veel misverstanden geleid. Deze woorden zijn geschreven in tijden van vervolgingen die vele eeuwen doorgingen. Er was een tijd dat Christenen zingend de martelingen ondergingen die tot de dood voerden. Ze stierven immers net als Jezus van Nazareth en zouden zo het Koninkrijk dichterbij brengen, het Koninkrijk waarin geen verdriet meer zou zijn. In die tijd is het Evangelie van Lucas geschreven en die tijd ligt lang achter ons. Heeft dit gedeelte van het Evangelie van Lucas dan geen betekenis meer voor ons? Integendeel. Wie je bent of wat je doet maakt in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth niet zoveel uit. Je bent nooit te belangrijk, te voornaam of te rijk om er aan mee te doen.

 Je bent ook nooit te onbelangrijk, te gewoon of te arm om er aan mee te doen. Al die etiketten die je in de wereld opgeplakt krijgt doen niet ter zake. Het leven dat je volgens anderen leidt moet je achter je laten en zoals Johannes de Doper riep moet je een ander leven gaan leiden. Dat leven is niet gericht op succes voor jezelf. In die zin neem je een kruis op je, je zet een kruis door het streven naar succes en aanzien, je zet een kruis door alles wat er in deze wereld van je wordt verwacht. Of je wordt uitgelachen, bespot en vervolgd misschien het maakt niet uit. Vervolgd zul je in onze samenleving niet direct worden maar bespot en uitgelachen misschien wel. Wie zich bekommerd om daklozen, asielzoekers, hongerigen, naakten, gevangenen wordt nog wel eens meewarig aangekeken. Op sommige dagen hebben we het soms wat gemakkelijker daarmee,

Majoor Bosshardt kon als voorbeeld opgevoerd worden. Haar unieke persoonlijkheid maakte zoveel indruk dat zo kort na de begrafenis iedereen die koos voor de weg van Jezus van Nazareth zich in haar licht mocht koesteren. Maar dat ging voorbij. Ook de inspiratie die de huidige Paus biedt zal voorbij gaan. We mogen ons koesteren in zijn pogen iedereen, ook de minsten, een plaats te geven in de samenleving. Maar blijvend zal die inspiratie niet zijn. Zeker als je om recht en gerechtigheid roept, als je ook vindt dat iedereen een plaats in onze samenleving verdient, dat Samen Werken en Samen Leven niet kan zonder Samen Delen. Dan komt het aan op volhouden, standvastig zijn hebben we pas gelezen. Dat komt er op aan je niet te schamen voor de boodschap van bevrijding voor alle mensen. Die boodschap heet het Evangelie, dat lezen we niet alleen elke dag, dat dienen we ook te doen, al dienend,elke dag opnieuw

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl