basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Psalm 78:56-72

56  Maar zij daagden God uit en tergden hem, namen de Allerhoogste en zijn richtlijnen niet ernstig, 57  ze werden afvallig en ontrouw zoals hun voorouders,  ze faalden als een bedrieglijke boog, 58  griefden hem met hun offerdienst op de hoogten en wekten met hun godenbeelden zijn afgunst. 59  Toen God dit hoorde, werd hij verbolgen en wierp hij Israël ver van zich af. 60  Hij gaf zijn woning in Silo op, de tent waar hij woonde onder de mensen. 61  Hij liet zijn volk gevangen wegvoeren, leverde zijn sieraad uit aan de belager, 62  gaf zijn sterke mannen prijs aan het zwaard. Hij was verbolgen op zijn eigen bezit. 63  Het vuur verslond zijn jonge mannen, zijn jonge vrouwen werden niet bejubeld, 64  zijn priesters kwamen om door het zwaard, zijn weduwen vonden geen tranen meer. 65  De Heer ontwaakte als uit een slaap, als een strijder uit de roes van de wijn, 66  hij joeg zijn belagers terug, bedekte hen met eeuwige smaad. 67  Hij verwierp de tent die bij Jozef stond, de stam Efraïm koos hij niet, 68  nee, de stam Juda koos hij, de Sionsberg heeft hij lief. 69  Hij bouwde zijn heiligdom, hoog als de hemel, en zette het vast als de aarde, voor eeuwig. 70  Zijn keuze viel op David, zijn dienaar, hij riep hem weg bij de schapen, 71  haalde hem achter de zogende ooien vandaan en maakte hem herder van Jakob, zijn volk, van Israël, zijn eigen bezit. 72  Hij was een herder met een zuiver hart, met vaste hand heeft hij hen geleid.(NBV)

De geschiedenisles die in deze Psalm bezongen wordt begint met de uittocht uit Egypte en eindigt met de bouw van de Tempel in Jeruzalem. Het is een les in de vorm van een gedicht en je moet af en toe even door de regels heen weten te lezen om het te zien. Maar er is een volk dat een geschenk heeft gekregen, de richtlijnen voor een samenleving van heb je naaste lief als jezelf. Dat volk verwerpt dat geschenk voortdurend. Steeds weer moet het opnieuw beginnen met het invoeren van die richtlijn. Steeds weer mag dat ook weer opnieuw. Door de Woestijn heen naar het beloofde land. Daar verdeelde Jozua het land tussen de families van het volk. Zo kon iedereen voor zichzelf zorgen en zou er geen armoede in het land zijn. Dat zou natuurlijk niet zo blijven maar elke vijftig jaar werden de stukken land die verloren waren gegaan weer aan de oorspronkelijke familie teruggegeven en kon iedereen weer opnieuw beginnen.

Dat was de verdeling van het land met het meetlint. Dit teruggeven en opnieuw beginnen is volgens veel geleerden nooit in de praktijk gebracht. Toch vindt je door de hele Bijbel heen sporen van dit bijzondere idee. Het volk werd echter ontrouw aan de richtlijn eerlijk te delen. Ze volgden afgoden van vruchtbaarheid, de goden van Winst en Profijt heten ze in onze dagen. In plaats van het anti-egoïsme van de Bijbel hangen we de god van het Egoïsme aan. Het kan er niet mooi genoeg uitzien. Zelfs ons lichaam, van top tot teen, modeleren we tegenwoordig naar de wetten van schoonheid en succes. De les van de ondergang die dat meebrengt hebben we dus nooit willen leren. De echte God woonde in Silo, daar was de Tent van de Ontmoeting opgericht na de intocht in het beloofde land, daar waren dus de richtlijnen voor de menselijke samenleving waar iedereen zich naar zou moeten richten. Maar pas toen vreemde volken de oogsten kwamen roven herinnerden sommigen zich weer die richtlijnen en riepen ze God te hulp.

Uiteindelijk werd Israel een Koninkrijk onder David, kwam er vrede en werd onder Salomo te Tempel gebouwd op de berg Sion in Jeruzalem. Daar hebben we het nog steeds over. Het zou volgens Joden en Christenen nog steeds het hart van de Wereld moeten zijn. Overigens is het ook voor Moslims een zeer Heilige stad, vanuit Jeruzalem kun je volgens moslims de hemel bereiken. Voor ons gaat het niet om de stenen en gebouwen die er te vinden zijn maar om de Geest van God die er van uitgaat. Als je je went tot Jeruzalem, ziet op de berg Sion, dan kijk je naar de minsten op aarde, dan leef je volgens de richtlijnen van eerlijk delen, van heb je naaste lief als jezelf. Dan zorg je dat iedereen op hele aarde daaraan kan meedoen, dat niemand achterblijft, vergeten wordt of sterft van honger en ellende. Dan wordt je als David een herder van het volk. Dan accepteer je geen andere regering dan één die zich opstelt als herder van het volk. Een herder met een zuiver hart die het niet om eigen roem of macht te doen is maar om de zorg voor de allerminsten.

Reacties

Psalm 78:40-55

40 ¶  Hoe vaak tergden zij God in de woestijn, kwetsten zij hem in dat dorre land, 41  hoe vaak keerden zij zich af en daagden zij hem uit, krenkten zij de Heilige van Israël! 42  Zij dachten niet aan zijn helpende hand,  aan de dag dat hij hen verloste van hun belager 43  en in Egypte tekenen verrichtte, wonderen in de vlakte van Soan. 44  Hij veranderde hun rivieren in bloed, uit geen waterstroom was meer te drinken. 45  Hij stuurde de steekvlieg die hen opvrat, en de kikvors die verderf bracht. 46  Hij gaf hun gewas aan de sprinkhaan, aan de kaalvreter hun oogst. 47  Hij doodde hun wijnstokken met hagel, hun vijgenbomen met ijzel. 48  Hij gaf hun vee aan de hagel prijs, hun kudden aan het vuur van de bliksem. 49  Hij liet zijn woede op hen los, toorn, razernij, verschrikking, en zond hun rampen en onheil. 50  Hij baande een weg voor zijn toorn, hij behoedde hen niet voor de dood, gaf hun leven prijs aan de pest. 51  Hij doodde in Egypte elke oudste zoon, de eerstgeboren mannen in de tenten van Cham. 52  Maar zijn volk liet hij wegtrekken als een kudde, hij voerde hen door de woestijn als schapen en geiten, 53  hij leidde hen veilig, zij hadden niets te vrezen, het water van de zee had hun vijanden bedekt. 54  Hij bracht hen naar zijn heilig domein, naar de berg, met eigen hand verworven, 55  hij joeg vreemde volken voor hen uit, verdeelde hun land met het meetlint en liet Israëls stammen wonen in hun tenten. (NBV)

De Verenigde Naties hebben steeds meer moeite de mensen in de vluchtelingenkampen in Jordanië en de Libanon te helpen en zelfs van voedsel te voorzien. Natuurlijk, verschillende grootmachten hebben zo hun eigen belangen. Er is een extremistische religieuze organisatie die anders gelovigen dood en daarom moet worden bestreden. Daar is een grote coalitie tegen gevormd waar zelfs voormalige vijanden in samenwerken. Maar een alternatief voor die Extremistische staat wordt niet geboden. De God van Israël die bij de zwaksten is, bij de vluchtelingen in de kampen in het Midden Oosten wordt getergd. Bommen en militairen zijn de enige gereedschappen die de rijke landen van de wereld lijken te hebben.  Maar wat zou het toch een indruk maken als de landen van de wereld niet alleen samen een eind aan deze oorlog zouden maken maar ook de slachtoffers van die oorlog een menswaardige bestaan zouden bieden.

 Maar ze aarzelen zoals eens het volk Israel in de vlakte van Soan zoals in deze psalm staat. Het was de vlakte in zuid Egypte waar het volk verzameld was en wachtte op toestemming te vertrekken. Eerst moesten echter al die plagen nog plaatsvinden want de Egyptenaren waren niet van plan hun slaven te laten vertrekken. Die plagen staan nu de onschuldige burgers in de Libanon en Jordanië te wachten. Nu zijn het nog honger en onderling geweld maar hoe meer er verwoest wordt hoe meer ook besmettelijke ziekten spoken staan te wachten. En met de armoede komen de mislukte oogsten en komen de ziekten die ook de oorspronkelijke en inmiddels verarmde bevolking kunnen teisteren. De rijken en de machtigen die deze oorlog uitroepen en laten voortduren zullen er geen last van hebben.

Het zijn altijd de armen en de zwakken die er het slachtoffer van worden. Door de hele wereld heen zijn er protesten tegen het voortduren van de oorlog. Het wordt tijd dat de gewone mensen, de armen en de zwakken dus, zich verbinden met elkaar, met hun broeders en zusters in Libanon en Jordanië, de slachtoffers in Irak en Syrië en de straat op gaan om de vrede uit te roepen. Ook wij kunnen dat. De kerken gaan ons voor en enkele politieke partijen. Nu nog een massa's sms'jes en e-mails aan de regering. Geen hekken en oorlogsschepen maar voedsel en medicijnen, onderwijs en huisvesting voor de slachtoffers. Wellicht dat hun hart niet langer verhard blijft en hun oren doof. Dat er vrede moet komen is inmiddels wel duidelijk, maar vrede zal er nooit komen als we onze hand niet uitsteken naar de machteloze slachtoffers van deze oorlog.

Reacties

Psalm 78:32-39

32  Toch bleven zij zondigen, op zijn wonderen vertrouwden zij niet. 33  En hun dagen eindigden in leegte, hun jaren liepen uit op een verschrikking. 34  Zodra er doden vielen, zochten zij God, zij kwamen tot inkeer en verlangden naar hem, 35  dachten eraan dat God hun rots was, God, de Allerhoogste, hun bevrijder. 36  Maar zij bedrogen hem met hun mond, met hun tong logen zij hem voor, 37  hun hart was niet aan hem gehecht, zij waren zijn verbond niet trouw. 38  Uit erbarmen bedekte hij hun zonde, hij wilde geen dood en verderf, dikwijls bedwong hij zijn toorn en joeg hij het vuur van zijn woede niet aan. 39  Dan dacht hij: Ze zijn maar vlees, adem die gaat en niet terugkeert. (NBV)

Het is moeilijk op vrede te vertrouwen. Er zijn filosofen die er voor gepleit hebben dat kracht het uitgangspunt moet zijn van het menselijk handelen. Vrede en geweldloosheid wordt door hen gezien als teken van zwakheid. En dat oordeel, dat etiket voor vredestichters, wordt maar al te graag overgenomen. Wie wil immers voor een zwakkeling gehouden worden. Israel en de Hesbollah geven daarom vandaag de strijd nog niet op. Ook al kost die strijd nog zoveel onschuldige mensenlevens en is er met die strijd weinig te winnen. Ook in de veiligheidsraad is veel aarzeling om onverkort voor de vrede te kiezen. Als de vrede immers nu aan anderen opgelegd kan worden kunnen die anderen zich straks gedwongen zien de vrede aan jou op te leggen.

Het zal nog wel even duren voor alle volken zich naar Jeruzalem keren. Dat is een gezegde uit de Bijbel dat het begin van de eindtijd aanduid. Dan zal het Koninkrijk van God zich op de aarde vestigen. Er wordt mee bedoeld dat alle volken de wet van vrede en recht als uitgangspunt zullen nemen. Dat liefde en eerlijk delen voorop komen te staan. In dit gedeelte van de psalm van Asaf leren we dat zelfs het volk Israel niet in staat was die richtlijn als uitgangspunt te nemen voor de inrichting van hun samenleving. Zij hadden er zelfs een verbond over gesloten met de God van Israël maar iedere keer in de geschiedenis ging het mis. Toch kunnen we er hoop uit putten. Het volk Israel was toen net als alle andere volken, en nu zijn ook al die volken gelijk. Toch zijn er iedere keer weer nieuwe kansen. Iedere keer roept God op terug te keren tot de oorsprong van het land van melk en honing, de richtlijnen uit de woestijn, de richtlijnen voor een samenleving van vrede en liefde.

Vandaag wordt die oproep aarzelend en stamelend onderschreven door de Veiligheidsraad en wellicht dat landen zich willen inzetten om het waar te maken. Er kan veel kritiek zijn op de Verenigde Naties maar we hebben niet anders. Het zijn de Verenigde Naties die zich verantwoordelijk hebben gemaakt voor de opvang van vluchtelingen in Libanon en Jordanië. Maar of ze die opdracht kunnen vervullen hangt af van de medewerking van de rijke landen op aarde. Wij lijken liever hekken en oorlogsschepen in te zetten om de vluchtelingen voor honger, armoede en geweld buiten de deur te zetten. Er wordt door onze politici wel gezegd dat opvang van vluchtelingen in eigen regio moet plaatsvinden maar er zijn maar heel weinig politici die wijzen op de noodzaak daar dan voedsel en hulpverleners naar toe te sturen. Als je in een lekkende tent woont in een omgeving waar je vrouw en je dochters worden verkracht en je kinderen al jaren geen kans op onderwijs hebben dan vertrek je, zeker als het eten in het vluchtelingenkamp op raakt. Hoe  lang blijven wij nog zondigen?

Reacties

Psalm 78:17-31

17  Maar zij bleven tegen hem zondigen, de Allerhoogste tergen in de woestenij. 18  Met opzet daagden zij God uit en riepen om eten zoveel als ze wilden. 19  Zij beledigden God en zeiden: ‘Zou God in staat zijn een tafel te dekken in de woestijn? 20  Toen hij op de rots sloeg, vloeide er water, stroomden er beken-maar zou hij zijn volk ook brood en vlees kunnen geven?’ 21  Toen de HEER dat hoorde, ontstak hij in woede, een vuur laaide op tegen Jakob, tegen Israël ontbrandde zijn toorn. 22  Want zij hadden God niet geloofd, niet vertrouwd op zijn hulp. 23  Hij gaf een bevel aan de hoge wolken en de deuren van de hemel gingen open, 24  manna om te eten regende op hen neer. Hij schonk hun het koren van de hemel, 25  zij aten het brood van de engelen, hij stuurde voedsel dat hen verzadigde. 26  Hij liet uit de hemel de oostenwind los, de zuidenwind wakkerde hij aan, 27  en vlees regende als stof op hen neer, vogels zo talrijk als zandkorrels aan de zee, 28  hij liet ze vallen midden in zijn kamp, in een kring om zijn tabernakel. 29  Zij aten en werden meer dan verzadigd, hij gaf hun zoveel ze begeerden. 30  Maar nauwelijks was hun honger gestild, hun mond was nog vol eten, 31  of tegen hen ontbrandde Gods toorn, hij sloeg de vraatzuchtigen dood en bracht de sterksten van Israël om. (NBV)

De leer van Mozes, die je vindt in de eerste vijf boeken van de Bijbel, heeft natuurlijk ook het verhaal van de woestijn. In deze Bijbelpassage kun je ook spreken van het lied van de Woestijn. Hoe ging het daar met de bevrijding van de armen, met het onvoorwaardelijk delen en alles voor elkaar over hebben? Dan blijkt er nog veel te leren te zijn in het leven. Vanaf het vertrek uit het dal van Soar tot de intocht in het beloofde land was er één groot leerproces. Soar betekent “plaats van vertrek”, in het Grieks Tanis, het was een bekende verblijfplaats van de Farao. Daar vond volgens deze psalm de doortocht door de Rode Zee plaats, de ontsnapping uit de slavernij. En waren ze toen blij? Welnee, Mozes moest op de rotsen slaan om water tevoorschijn te brengen.

Toen het ongezuurde brood op was moesten ze leren brood te maken van het Manna dat ze elke morgen voor de tent vonden. En toen ze dachten nooit meer vlees te eten kregen ze kwartels in een zo grote overvloed dat de gulzigaards, de onverzadigbaren, dood gingen van het schrokken. Nooit waren ze tevreden. De dichter van deze Psalm heeft de verhalen uit het boek Numeri niet alleen op een rij gezet maar ook in verband gebracht met de les die je moet leren. De les is dat egoïsme normaal is, de mens zorgt eerst en meestal ook maar alleen voor zichzelf. De Bijbel leert je anti-egoïsme, niet jij mens alleen staat voorop, maar de mensen samen met iedereen. In het anti-egoïsme staat het delen voorop en moet er voor iedereen een plaats zijn in de samenleving. Dan zorg je er voor dat van overvloed wat bewaard wordt voor tijden van schaarste, dan rust je niet voordat iedereen mee kan doen met de gemeenschap.

Het recht van de sterkste betekent dan onrecht en voert regelrecht tot de dood, maar ieder mens tot zijn recht doen komen verzekert je van leven. In die samenleving zouden we geen moment rusten voor iedereen in Afrika bevrijdt zal zijn van de zorg om voedsel als we een anti-egoïsme beleid zouden hebben. Dan zouden we elke regering wegjagen en elke Europese Commissie, die weigert de Europeese markten open te stellen voor producten uit de armste landen zodat we onze welvaart kunnen delen met de mensen daar. Dan mislukt er geen enkele Wereld Handels conferentie meer omdat eerlijk delen en de zorg dat iedereen in de wereld mee kan doen voorop staat. Dan zijn er geen eigen belangen meer die eerlijk delen verhinderen omdat juist dat eerlijk delen het enige eigen belang is dat we nog kennen. Dan verdrinken er geen armen meer in de zeeën rond Europa, wanhopig op weg naar een beetje welvaart omdat wij onze welvaart met hun eigen land hebben gedeeld. Dan kunnen we samen dit lied zingen als bewijs dat we de les hebben willen leren.

Reacties

Psalm 78:1-16

1 ¶  Een kunstig lied van Asaf.  Luister, mijn volk, naar wat ik leer, hoor de woorden uit mijn mond. 2  Ik open mijn mond voor een wijze les, spreek uit wat sinds lang verborgen is. 3  Wij hebben het gehoord, wij weten het, onze ouders hebben het ons verteld. 4  Wij willen het onze kinderen niet onthouden, wij zullen aan het komend geslacht vertellen van de roemrijke, krachtige daden van de HEER, van de wonderen die hij heeft gedaan. 5  Hij stelde een richtlijn vast voor Jakob en kondigde in Israël een wet af. Onze voorouders gaf hij de opdracht die aan hun kinderen te leren. 6  Zo zou het volgende geslacht ervan weten, en zij die nog geboren moesten worden, zouden het weer aan hun kinderen vertellen. 7  Dan zouden zij op God vertrouwen, Gods grote daden niet vergeten en zich richten naar zijn geboden. 8  Dan zouden zij niet worden als hun voorouders,  een onwillig en opstandig geslacht, onstandvastig van hart en geest, een geslacht dat God ontrouw was. 9 ¶  De mannen van Efraïm, bewapend met pijl en boog, trokken zich terug op de dag van de strijd. 10  Zij hielden zich niet aan het verbond met God en weigerden te leven naar zijn wet. 11  Zij vergaten zijn grote daden, de wonderen die hij had getoond. 12  In het land Egypte, in de vlakte van Soan zagen hun voorouders hoe hij een wonder verrichtte: 13  hij spleet de zee en voerde hen erdoor, als een dam hield hij het water tegen. 14  Hij leidde hen met een wolk overdag, in de nacht met een lichtend vuur. 15  Hij spleet de rotsen in de woestijn en leste hun dorst met een watervloed,  16  uit de steen ontsprongen beken, het water stroomde als rivieren. (NBV)

Vandaag zingen we mee met Psalm 78, het eerste gedeelte daarvan. Een kunstig lied zet de Nieuwe Bijbelvertaling er boven. Die Asaf was waarschijnlijk iemand die belangrijk is geweest in de Tempeldienst. Misschien had die wel een aantal liederen verzameld en in een bundel gezet. Maar dat kunstig lied dan. Ons doet het denken aan de Rederijkers, dichters rond de Middeleeuwen die volgens strakke regels gedichten maakten. Maar dat is hier toch ook niet helemaal van toepassing. In de Bijbelvertaling van 1951 en in de Statenvertaling wordt gesproken van onderwijzing of leerdicht. Ook de Naardense Bijbel noemt deze Psalm een onderwijzing. En over leren en onderwijzen gaat het in dit lied in elk geval. De Psalm is een les op zich, waard om naar te luisteren. Niet nieuw, maar het moet worden doorverteld. En wat moet er dan worden onderwezen en geleerd. De Psalm noemt het een wonder, de richtlijnen voor de menselijke samenleving die in de woestijn waren ontvangen, de richtlijn voor Jakob, de richtlijnen voor de samenleving van Israel.

Jakob staat hier niet voor een meneer maar voor het volk dat uit hem was voortgekomen, het volk dat zijn nieuwe naam had gekregen, Israel. Die richtlijnen hadden de nakomelingen van Jakob gekregen in de woestijn toen ze de slavernij van Egypte waren ontvlucht. Samengevat luidde die  dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat is God liefhebben boven alles. Dan pas valt er te overleven. Nu hebben wij onderwijs geleerd te zien als het uit het hoofd leren van kennis. Rijtjes woorden, wetten over taal en rekenen, formules uit natuur en scheikunde en woorden en zinnen uit vreemde talen. Het leren van die richtlijnen van God gaat anders. Het is een richtlijn die je moet doen en aan je kinderen leren. Maar hoe leren ouders iets aan hun kinderen. Dat wat ouders in onze dagen aan hun kinderen leren hebben ze niet in een boekje, ze overhoren hun kinderen niet en ze geven geen proefwerken over dat wat ze aan hun kinderen hebben geleerd. Ze doen dat door het hun kinderen voor te leven. En dat geldt ook voor de les die hier wordt bedoeld. Je moet je naaste liefhebben als jezelf wil je dat ook aan je kinderen leren. Je moet bereid zijn onvoorwaardelijk te delen met de minsten wil je je kinderen duidelijk kunnen maken waar het in het leven om gaat.

Dat je zelf vreemdeling bent en niet doet zoals in de huidige wereld gewoon is moet je zelf voelen wil je het op je kinderen kunnen overbrengen. Dat bleek al toen het volk werd bedreigd. De mannen van Efraïm hadden geen zin in een gevecht voor mensen die ze niet kenden. Zoals velen de ontwikkelingssamenwerking, de hulp aan de Grieken en de bescherming van vluchtelingen maar onzin vinden, ver van ons bed. Dat het in verbinding met God gaat om je in te zetten voor de zwaksten, voor de minsten wordt dan vergeten. Dat niet vergeten en dus jezelf wel inzetten is de manier waarop je het je kinderen leert. Dan gaat dat verhaal door, dan komt het lied niet tot zwijgen. Even doet de Psalm ons herinneren hoe het ook al weer ging toen dat groepje slaven uit Egypte werd bevrijd om een volk te worden dat de grootheid van de God van Israël zou uitdragen. Het water van de zee spleet uiteen zodat de vluchtelingen droog konden oversteken. Zouden wij dat vandaag de dag ook niet proberen met de Middellandse zee? God heeft ons schepen gegeven en mensen om te helpen. Bouw geen hekken en muren om vluchtelingen tegen te houden, dat helpt niet, maar zorg dat ze een land krijgen waar ze in vrede en vrijheid zelf hun leven kunnen opbouwen. Daar mag dit begin van deze Psalm ons toe oproepen.

Reacties

Leviticus 25:47-55

47  Wanneer mensen die als vreemdeling bij jullie wonen, rijkdom vergaren en een van jullie tot armoede vervalt en zich aan zo’n vreemdeling of een afstammeling van een vreemdeling verpandt, 48  behoudt hij het recht op lossing. Hij kan worden vrijgekocht door een broer, 49  een oom of een neef of een andere bloedverwant, of hij kan, wanneer hij weer over voldoende middelen beschikt, zich zelf vrijkopen. 50  Samen met degene aan wie hij zich verpand heeft, moet hij nagaan hoeveel jaren er liggen tussen het jaar van de pandstelling en het eerstvolgende jubeljaar; de pandsom wordt berekend naar het aantal dienstjaren, volgens het tarief van een loonarbeider. 51  Als er nog veel jaren resten, moet een evenredig deel van het bedrag als losgeld worden betaald; 52  als er volgens de berekening nog weinig jaren resten tot aan het jubeljaar, moet een evenredig deel worden afgelost. 53  Zo iemand moet op dezelfde manier behandeld worden als een loonarbeider die per jaar in dienst wordt genomen; jullie mogen niet toestaan dat hij als een slaaf wordt afgebeuld. 54  Wanneer hij niet op de een of andere manier wordt vrijgekocht, komt hij in het jubeljaar met zijn kinderen vrij. 55  Want de Israëlieten behoren mij toe; ik heb hen uit Egypte weggeleid. Ik ben de HEER, jullie God. (NBV)

Wat jij niet wil dat jou geschied doe dat ook een ander niet. In het gedeelte van vandaag laat Israël zien hoe je met onderdanen om moet gaan die tot armoede vervallen zijn. Uiteindelijk moeten we er voor zorgen dat die weer een volwaardige plaats in de samenleving kunnen innemen. Er zijn landen waar mensen zo arm zijn dat ze hun kinderen verkopen in de hoop dat die kinderen het dan op den duur als slaaf of slavin beter zullen krijgen dan die hongerende ouders zelf. In Israël kan dat dus niet. Geen burger kan slaaf worden want ze zijn het eigendom van de God van Israël. Ze houden het recht op vrijkopen. Als er een familielid is die de schuld wil aflossen, of als dat te veel is het bedrag wil betalen dat een loonarbeider zou verdienen tot aan het eerstvolgende jubeljaar dan kan de werkgever van de schuldenaar dat niet weigeren, zelfs niet als die werkgever een vreemdeling is en niet bij het volk Israël, bij de richtlijnen van de God van Israël, hoort. Burgers van Israël kunnen volgens de Bijbel alles verliezen maar ze verliezen nooit hun waardigheid. Ze verliezen ook nooit het recht zelfstandig weer aan de samenleving te gaan deelnemen.

Opmerkelijk is dat er in dit gedeelte van wordt uitgegaan dat de vreemdeling rijker is dan de burger van Israël. Over het algemeen lees je in de richtlijnen voor de samenleving de vreemdeling in één adem met de weduwe en de wees of met de armen in Israël. Bij het er voor zorgen dat iedereen zelfstandig aan de samenleving kan deelnemen moet je de vreemdeling niet uitsluiten zegt de Bijbel. Die heeft de dezelfde rechten als een inwoner van Israël, die mag ook meedelen daar waar gedeeld wordt. Die moet ook de Sabbat houden en drie maal per jaar mee gaan naar de Tempel in Jeruzalem voor de voorgeschreven maaltijd. Maar die vreemdeling als een van de armen is een opdracht voor de inwoners van Israël. Het is geen voorschrift voor de vreemdelingen om arm te blijven. De profeet Jesaja prijst zelfs vreemdelingen die rijk genoeg zijn maar uit zichzelf de Sabbat houden. Het zijn in dit gedeelte van Leviticus dus niet alleen de rechten van burgers van Israël die onder woorden worden gebracht maar het zijn ook oproepen aan de vreemdelingen in Israël om zich te houden aan de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Behandelen ze de burgers van Israël als slaven dan komen ze aan het bezit van de God van Israël en dat kan niet ongestraft blijven.

Er zijn er die beweren dat Paulus ons heeft bevrijd van regels als deze. Maar in de brief aan Filemon, die over de slavernij gaat, schrijft Paulus heel uitdrukkelijk dat Onesimus de slaaf bevrijd is door Christus en daarmee eigendom is geworden van Christus. Ook die slaaf valt dus onder de bepalingen uit Leviticus en Filemon moet zich daar aan houden. Het zal voor de gemeenten in het Romeinse Rijk een revolutionaire benadering zijn geweest. Slaven waren bezit en je kon er mee doen wat je wilde. Slaven die Christen waren geworden werden ineens vrije burgers, bezit immers van Christus. Geen wonder dat er ook hier en daar slaven wordt opgeroepen vooral trouw aan hun heer te blijven en bekend te staan als vriendelijk en verdraagzaam. Ze zouden anders een bloedige bestrijding van Christenen hebben uitgelokt. Wij moeten onszelf ondertussen afvragen hoe we naar vreemdelingen kijken. Ook in onze samenleving lijkt het soms dat vreemdelingen de armen zijn die op de arbeidsmarkt concurreren met andere armen. Dat vreemdelingen ook hoog opgeleide rijken kunnen zijn, soms zelfs kinderen van arme vreemdelingen, die onze samenleving versterken dat hoor je nauwelijks. Toch zijn er vele van aan te wijzen. Elk mens als broeder of zuster zien kan ons behoeden voor het achter stellen van vreemdelingen. Onze samenleving wordt er een stuk menselijker door, ook vandaag nog.

Reacties

Leviticus 25:35-46

35  Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven, moet je hem bijstand verlenen, zoals je ook een vreemdeling zou helpen die bij je te gast is; je mag hem niet laten verkommeren. 36  Toon ontzag voor je God en laat je volksgenoten niet verkommeren. Wanneer je een volksgenoot iets leent, mag je hem vooraf noch achteraf rente vragen. 37  Je mag van hem geen rente vragen als je hem geld leent, en geen winst maken als je hem voedsel geeft. 38  Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie Kanaän in bezit te geven en jullie God te zijn. 39 ¶  Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zichzelf aan jou verpandt, mag je hem niet als slaaf behandelen. 40  Je moet hem beschouwen als een loonarbeider of als een vreemdeling die bij je woont. Tot aan het jubeljaar zal hij voor je werken, 41  dan hoeft hij je niet meer te dienen en kan hij met zijn gezin terugkeren naar zijn eigen familie en naar de grond van zijn voorouders. 42  Het volk dat ik uit Egypte heb weggeleid behoort mij toe, Israëlieten kunnen dus niet als slaaf verkocht worden. 43  Toon ontzag voor je God en beul hen niet af als slaven. 44  Als slaven en slavinnen kun je mensen kopen uit de omringende volken, 45  of vreemdelingen die bij jullie wonen of de nakomelingen die zij in jullie land hebben gekregen. Die slaven en slavinnen zijn je eigendom,46  je kunt hen als erfelijk bezit aan je nakomelingen nalaten; zij zullen voor altijd als slaaf voor je blijven werken. Maar je volksgenoten, de Israëlieten, je eigen verwanten, mag je nooit als slaven afbeulen. (NBV)

Met een groot deel van wat er vandaag gelezen wordt  uit Hij Roept, wat wij het boek Leviticus zijn gaan noemen zijn we het volstrekt oneens. Zelfs de Christenen die de Bijbel zogenaamd letterlijk nemen en alle voorschriften van kaft tot kaft volgen zullen het wel uit hun hoofd laten om de geboden te volgen zoals ze hier staan. Zij hebben dan de smoes dat Paulus ons bevrijd heeft van deze geboden en een onderscheid maakt tussen wat voor de Heidenen geld en wat voor het volk Israël geld. Het is een smoes want we zijn het niet oneens met een deel van dit Bijbelgedeelte omdat wij ons er niet aan zouden hoeven te houden. Wij vinden dat ook het volk Israël zich er volstrekt niets aan gelegen moest hebben. Slavernij is verkeerd, door en door verkeerd. Dat is niet zo sinds de negentiende eeuw toen na lang aarzelen de slavernij werd afgeschaft maar dat is al zo vanaf de schepping van de hemel en de aarde. In de Tora is te lezen dat alle mensen Gods kinderen zijn, alle mensen mogen we aannemen stammen van dezelfde voorouders af. Alle mensen horen dus tot één volk en van je eigen volk mag je volgens deze bepalingen geen mens tot slaaf nemen. Al die mensen zijn al slaven, eigendom van de God van Israël.

Natuurlijk vinden we dat iemand die in nood is geraakt geholpen moet worden. Onze broeders en zusters die gedwongen zijn door oorlogsgeweld, onderdrukking en uitbuiting te vluchten uit landen als Syrië, Eritrea en zo zullen we moeten behandelen alsof het volksgenoten zijn en in ons midden opnemen. Christenen doen dat ook graag. Tegelijk wordt ruimhartig bijgedragen aan de opvang van vluchtelingen die ergens in de eigen regio een onderkomen hebben gevonden. Ook aan het einde maken van oorlogsgeweld, onderdrukking en uitbuiting wordt hard gewerkt. Ieder mens behoort in vrijheid en veiligheid te kunnen leven nietwaar. Waarom staat dit gedeelte dan op deze manier in de Bijbel? Waarom is het er niet uitgescheurd? Ook de huidige staat Israël kent toch wetten tegen slavernij en stelt het in slavernij houden van mensen strafbaar? Dat begint er mee dat de Bijbel erkent dat er volken zijn. God heeft ooit de mensen in verwarring gebracht door hen verschillende talen te geven en als antwoord daarop hebben de mensen niet geprobeerd toch de ander te verstaan maar hebben ze volken gesticht en grenzen getrokken rond gebieden.

Die volken hebben elk hun eigen manier van doen. Die volken vinden ook allemaal dat hun manier van doen de beste is. Geen van die volken volgt de God van Israël maar koopt eigen en eigengemaakte goden om, om voor hen te zorgen. Dat die goden niet werken blijkt pas als die volken overwonnen zijn, dan verdwijnt hun god en verdwijnt meestal ook dat volk als zelfstandige eenheid. De God van Israël doet het anders en wil het anders. Daarom heeft die God een groep slaven uitgekozen en bevrijd uit Egypte. Die groep slaven werd tot een volk gemaakt dat een begin maakte in de woestijn. Daar kreeg het richtlijnen van die God om in het nieuwe land dat ze kregen een echte menselijke samenleving in te richten. Ze zouden namelijk een voorbeeld moeten worden voor alle andere volken. Ze kregen dan ook de overtuiging dat er ooit een dag zou komen dat alle volken hun samenleving zouden inrichten volgens de richtlijnen die aan Israël waren gegeven. Daarom zijn we het met een deel van de richtlijnen uit het gedeelte van vandaag niet eens. Wij willen dat onze samenleving zo is ingericht dat iedereen in nood geholpen wordt, dat niemand meer slaaf is. Wij willen dat iedereen gaat beseffen tot hetzelfde volk te behoren waarvoor de God van Israël met Noach een verbond heeft gesloten. Wij kunnen dat verhaal vertellen aan iedereen op aarde, aan ieder in zijn eigen taal, totdat de aarde voltooid is. Slavernij is dus overal en altijd verkeerd en onmenselijk, ook vandaag en ook in onze geschiedenis.

Reacties

Leviticus 25:23-34

23 ¶  Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand, want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn. 24  In heel jullie land moet voor grond altijd het lossingsrecht blijven gelden. 25  Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en een deel van zijn grond moet verpanden, kan zijn losser, zijn naaste verwant, zich aanmelden om het pand voor hem in te lossen. 26  Gebeurt dat niet, maar beschikt hij na verloop van tijd zelf over voldoende middelen om het pand in te lossen, 27  dan moet hij nagaan hoeveel jaar het verpand is geweest en het resterende deel van het oorspronkelijke bedrag terugbetalen aan degene aan wie hij het verpand had. Dan kan hij naar zijn eigen grond terugkeren. 28  Vindt hij niet voldoende middelen om het pand in te lossen, dan blijft het tot aan het jubeljaar in handen van de pandnemer. Maar in het jubeljaar valt het aan hem terug en kan hij naar zijn eigen grond terugkeren. 29  Als iemand een woonhuis in een ommuurde stad verpandt, geldt het lossingsrecht niet langer dan een jaar na het moment van verpanding; in dat geval geldt het lossingsrecht dus tijdelijk. 30  Wordt het pand niet binnen het jaar ingelost, dan vervalt het huis-indien het dus in een ommuurde stad staat-voorgoed aan de pandnemer en diens nakomelingen. Het valt in het jubeljaar niet aan de oorspronkelijke eigenaar terug. 31  Huizen in dorpen die niet ommuurd zijn, worden gerekend bij het land waarop ze staan. Daarvoor geldt het gewone lossingsrecht en in het jubeljaar vallen ze aan de oorspronkelijke eigenaars terug. 32  In de door de Levieten bewoonde steden, die zij als grondgebied toebedeeld hebben gekregen, geldt voor hen onbeperkt lossingsrecht voor huizen. 33  Zo’n huis kan door een Leviet worden ingelost en valt-indien het op hun grondgebied staat-in het jubeljaar aan de oorspronkelijke eigenaar terug, want de huizen in de steden die bij de verdeling van het land onder de Israëlieten aan de Levieten zijn toegewezen, gelden als hun grondbezit. 34  De akkers en weidegronden bij die steden mogen helemaal niet verpand worden, want die vormen hun onvervreemdbaar bezit. (NBV)

Zo gaan wij niet met het land om. We kijken wel uit. Als we zo met land om zouden gaan als hier wordt beschreven zou er niemand rijk kunnen worden van grondspeculatie. In de Bijbel is het land van God en zijn de mensen daar te gast als vreemdelingen. De Bijbel kent het verschil dan ook niet zo erg tussen autochtonen en allochtonen. Dat maken wij mensen er van en als dat gebeurt zegt de Bijbel dat we de vreemdelingen lief moeten hebben. Maar waar mensen wonen moeten ze ook eten. En daar gaat dit gedeelte uit Leviticus over. Hij roept als het ware tegen ons dat we er altijd op bedacht moeten zijn dat iedereen mee kan eten. En dan niet omdat de rijken aalmoezen geven waar de armen van kunnen leven maar iedereen moet zelfstandig mee kunnen aan de samenleving. In Israël had iedere familie daarvoor een stuk land gekregen. Daar kon je als het nodig is ook een boerderij op bouwen. Als je gedwongen werd je bezit te gelde te maken dan kreeg je familie na vijftig jaar weer een kans opnieuw te beginnen. Geen wonder dat juist de armen konden zeggen dat God bevrijd en dat er aan de armoede een einde zou komen. Het hoort bij de richtlijnen voor een menselijke samenleving.

De Levieten zijn als voorbeeld gesteld van die bevrijding. Levieten zijn de nakomelingen van Levi. De stam levi neemt een aparte plaats in in de geschiedenis van Israël. Toen het wat lang duurde voordat Mozes de richtlijnen van God voor de menselijke samenleving had gekregen maakte het volk zich een gouden kalf om te aanbidden. Aäron de hogepriester hield hen daarbij. De Levieten deden er niet aan mee. Zij bleven wachten op Mozes en toen die eindelijk van de berg af kwam met de stenen platen hielpen zij Mozes het volk te straffen. Als beloning kregen ze de taak de priesters te helpen in de Tabernakel, de voorloper van de Tempel, en ze mochten recht spreken in Israël. Bij de verdeling van het land Israël onder Jozua kregen de Levieten geen deel van het land maar werden in elk deel, dus bij elke stam, steden bestemd voor de Levieten. Daar kon je je recht halen. Maar ook de Levieten moeten leven en gewoon hun geld verdienen. De Levieten hadden daarom rond die steden gemeenschappelijke akkers en hun huis in die steden werd beschouwd als de bron van inkomsten. Als ze die te gelde hadden moeten maken dan viel het de familie na vijftig jaar weer toe.

Radicaal wordt in dit Bijbelgedeelte een nieuwe orde voor de samenleving geschetst. De invoering van die nieuwe samenleving gaat niet vanzelf. Wij houden nu eenmaal van winst maken, rijk worden en macht over anderen uitoefenen. Er zijn mensen die dat de meest normale gang van zaken vinden. Het volk Israël was zich daarvan zeer bewust. Elk jaar moest men daarom opnieuw beginnen met de inrichting van de samenleving volgens de richtlijnen van God. Op grote verzoendag gebeurde dat als alle ongerechtigheden uit het volk werden verwijderd en alle zonden weggedragen. Het aanhoren van richtlijnen zoals we vandaag lezen gaf de armen weer hoop en wees de rijken op hun verantwoordelijkheid. Als iemand zijn bezit te gelde had moeten maken dan moest je er eigenlijk met elkaar voor zorgen dat die situatie werd opgeheven en dat het niet meer voor hoefde te komen. Een verwant kon dus de schuld aflossen en de verpanding opheffen. Wij zijn zover nog niet. In ons systeem van schuldhulpverlening zit wel een stuk bevoogding waardoor een ander de schuldenaar helpt de schulden af te lossen en de schuldeiser er altijd van verzekerd is een deel van zijn bezit terug te krijgen maar de schuldenaar helpen te voorkomen dat er opnieuw schulden ontstaan is er nog niet bij. Misschien moeten ook wij onze samenleving anders inrichten, uitgaan van de waarde van de medemens en gaan denken over bezit als over een geschenk dat bestemd is om met anderen te delen. Vandaag zouden we kunnen beginnen.

Reacties

Leviticus 25:13-22

13  In het jubeljaar zal ieder naar zijn eigen grond terugkeren. 14  Wanneer je een stuk grond aan een ander verpandt of van een ander in pand neemt, mag je elkaar niet benadelen. 15  Het aantal jaren dat na een jubeljaar verstreken is, bepaalt de prijs die de pandnemer moet betalen; het aantal jaren dat de pandgever heeft kunnen oogsten, bepaalt de prijs die hij mag vragen. 16  Hoe meer jaren er nog resten, des te hoger de prijs; hoe minder jaren, des te lager, want wat verhandeld wordt is het aantal oogsten. 17  Benadeel je volksgenoten niet. Toon ontzag voor je God; ik ben de HEER, jullie God. 18  Leef mijn bepalingen na, houd je aan mijn regels en handel ernaar, dan zul je onbezorgd in je land kunnen leven. 19  Het land zal vruchtbaar zijn en jullie zullen volop te eten hebben. Je zult er onbezorgd kunnen wonen, 20  en mochten jullie je afvragen waarvan je het zevende jaar moet leven als je niet mag zaaien en oogsten, 21  bedenk dan dat ik jullie het zesde jaar zal zegenen met een oogst die voor drie jaar toereikend is, 22  zodat je in het achtste jaar weer kunt zaaien en tot in het negende jaar kunt leven van de oude oogst, totdat je dat jaar de oogst kunt binnenhalen. (NBV)

Uitgangspunt is dus dat ooit te eniger tijd je naar je eigen grond mag terugkeren. Het noodlot dat de ouderen treft mag nooit  blijvend gevolgen hebben voor de kinderen. Iedereen kan ziek worden, een ongeluk krijgen of veroorzaken. Daar is ook in onze dagen niets aan veranderd. Maar als je in onze dagen een erfenis aanvaard dan moet je de schulden op de koop nemen. Een nieuwe start maken is er niet bij. In Israël was dat anders. Ooit werd het land dat God had gegeven weer het land van jouw familie. Dat was de plaats die God jou had toegewezen. Eeuwen en eeuwen later bleek dit woord van God nog steeds te leven in Israël. Dat teruggeven van het land is vermoedelijk nooit gebeurd. Nooit hield de samenleving het zo lang voor dat er werkelijk een jubeljaar zou aanbreken. Zeker na de ballingschap en de bezettingen door Grieken en Romeinen die er op volgden was de regel over het jubeljaar uit Hij Roept niet uit te voeren.

Toch kennen juist Christenen nog de werking van de herinnering aan juist dit stukje van het boek Hij Roept. Toen de Romeinse Heidense Keizer Augustus het volk beschreven wilde hebben. Wie woonde waar en met hoeveel. Met natuurlijk tot doel van iedereen belasting te heffen, het zogenaamde kopgeld, met als gevolg dat de armen het zwaarst getroffen zouden worden. Toen waren er inwoners van Galilea en Judea die zich herinnerden dat niet Keizer Augustus hun plaats in het land had bepaald maar de God van Israël. Wij kennen een verhaal over twee van die mensen die uit Nazareth kwamen. Daar woonden ze, daar waren ze van plan te trouwen. Zij was al zwanger en hij had nog getwijfeld. Maar de liefde had overwonnen. Zij herinnerden zich waar God hun een plaats had toegewezen. Zij waren uit het huis en geslacht van David. En David was de zoon van Isaï die de zoon van Ruth en Boaz was. Die laatste hadden elkaar op de akker van Boaz leren kennen, de akker die de familie gekregen had van God bij de verdeling van het land. Naar die akker in Bethlehem trokken ze dus, niet dat daar een herberg was, toen hun kindje geboren werd legden ze hem in een voederbak. Maar ze noemden hem Jehosjoea, Jozua vertaald uit het Hebreeuws, Jezus in het Grieks.

Dat jubeljaar was niet zomaar een dagdroom. Het was een geschenk. Het staat er bij. Een jaar er voor zou je voor drie jaar kunnen oogsten. Ooit was het volk van Jacob gered door een zoon die in Egypte het overschot van de oogst bewaarde voor slechte tijden. In de Tora staat ook het voorschrift in elke stad en in elk dorp een bewaarplaats voor graan te bouwen. Zorg voor de armen, zorg ook voor de mensen die in de problemen waren gekomen staat in de Bijbel hoog in aanzien. Bij het delen van het voedsel moeten overigens ook altijd de vreemdelingen meedelen. Maar de armen uit het dorp hadden tenminste het vooruitzicht dat zij of hun kinderen ooit weer een zelfstandige en daarmee volwaardige plaats in de samenleving zouden kunnen innemen. In de tijd van de Romeinen bleek het een effectief wapen tegen onderdrukking te zijn. De eerste volkstelling slaagde volgens Lucas pas toen Quirinius stadhouder over Syrië was en dat was twaalf jaar na de geboorte van Jezus. Of die de belasting van het kopgeld wel betaalde bleef dan ook de vraag. Eigenlijk is de richtlijn die we vandaag uit de Bijbel lezen ook de aanleiding om onszelf de vraag te stellen of er niet een tijd moet zijn dat schulden uit het verleden kwijt worden gescholden en mensen weer een nieuwe start kunnen maken. Wie aan schulden van andere verdient zal het een onzinnige vraag vinden, maar gelovigen in de samenleving die God ons wil geven zullen er verder over denken en naar een antwoord zoeken, vandaag al.

Reacties

Leviticus 25:1-12

1 ¶  De HEER zei tegen Mozes, op de Sinai: 2  ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik je zal geven, moet het land rust krijgen, een sabbatsrust gewijd aan de HEER. 3  Zes jaar achtereen mogen jullie je land inzaaien, je wijngaard snoeien en de oogst binnenhalen. 4  Maar het zevende jaar moeten jullie het land laten rusten. Het is een sabbatsjaar dat aan de HEER gewijd is. Je mag dan je land niet inzaaien, je wijngaarden niet snoeien, 5  het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. Het moet een jaar zijn van volstrekte rust voor het land. 6  Wat er in dat jaar op het land groeit is voor jullie allen. Je mag er zelf van eten, maar ook je slaven en slavinnen, je loonarbeiders en de vreemdelingen die bij je te gast zijn; 7  ook voor je veestapel en voor de in het wild levende dieren kan het als voedsel dienen.8 ¶  Na verloop van zeven sabbatsjaren, na zeven maal zeven jaar, wanneer er negenenveertig jaren verstreken zijn, 9  moeten jullie op de tiende dag van de zevende maand de ramshoorn luid laten schallen. Op Grote verzoendag moet in heel het land de ramshoorn schallen. 10  Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn, waarin kwijtschelding wordt afgekondigd voor alle inwoners van het land. Dit is het jubeljaar, waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren. 11  Elk vijftigste jaar zal voor jullie een jubeljaar zijn. Je mag dan niet zaaien, het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. 12  Het is een jubeljaar, dat als heilig beschouwd moet worden. Jullie zullen dat jaar leven van wat er vanzelf opkomt. (NBV)

Het staat er niet voor niks: " De HEER zei tegen Mozes, op de Sinaï  " Het gaat niet om regels die door een volksvergadering, zoals in het boek Jozua is beschreven, of later door een Koning als David zijn uitgevaardigd. Het gaat om de richtlijnen voor een menselijke samenleving. Richtlijnen die ons zeker in onze dagen raar zullen voorkomen. Het geloof is immers voor elk individu, je moet je hartje in alle vroomheid aan de Here Jezus schenken en er veel over vertellen of  je moet je geloof achter de voordeur houden, het geloof is een particuliere zaak. Buiten de deur moet er gewerkt worden. Zeven dagen in de week en vierentwintig uur per dag. Natuurlijk mag er rust zijn maar dat is net als geloof voor iedereen particulier en dus apart. Als je de verdedigers van de inrichting van onze economie hoort lijkt het er soms op dat het vormen van een samenleving van mondige mensen sterk bestreden moet worden. Samen sporten, samen van de natuur genieten, samen buurt of dorp zijn moet eigenlijk onmogelijk gemaakt worden. Maar de Bijbel gaat altijd twee stappen verder.

Voor de Bijbel is een  menselijke samenleving een samenleving waarin het hele volk om de zeven jaar samen vakantie neemt. Niemand en niets werkt meer. Je leeft van wat er op het land spontaan groeit, dat zou je dus samen kunnen inzamelen, maar verder ga je samen na hoe een samenleving onder de richtingwijzers van God er hoort uit te zien en wat je zou moeten doen om van je samenleving een nog betere samenleving te maken. Een heel jaar  vakantie, er zijn werkgevers en politici die bij een dergelijk wetsvoorstel spontaan een hartverlamming zouden krijgen. De narren in onze samenleving zouden extra zendtijd krijgen om het voorstel te bespotten. Niemand kan immers zomaar een jaar er tussenuit, laat staan een heel volk. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd het idee van het Sabbatsjaar weer ontdekt en in sommige beroepen namen enkelen zomaar een sabbatsjaar. Ze ervoeren dat ze slaaf geworden waren van hun werk en dat ze weer bevrijd moesten worden van die slavernij. Daar is die regel dan ook voor bedoeld, het geldt den arbeid te bevrijden. Maar daarvoor zouden we samen moeten durven werken.

We lezen in het gedeelte van vandaag ook een stukje van de achtergrond van het kerstverhaal dat Lucas in zijn Evangelie verteld. Eén maal in de vijftig jaar dat is er ook een vakantiejaar. Maar dat vakantiejaar is een jubeljaar. Dan houdt niet alleen het werken op maar dan worden ook alle slaven vrijgelaten. Israëlieten die schulden hadden gemaakt raakten hun bezittingen kwijt en moesten als slaaf werken voor hun schuldeisers. Dat ging soms generaties zo door. Maar het ging niet eindeloos door. Aan elke ellende komt uiteindelijk een eind belooft de God van Israël. In het boek Jozua kunnen we lezen hoe het land onder de families van het volk werd verdeelt. Dat stuk familieland zou een eeuwig erfdeel zijn. Als het verloren ging dan kwam het in het Jubeljaar weer terug. Duidelijk is dat deze regel al helemaal niet werkt. De rijken zullen afzien van het door hen verworven bezit. Dan maar geen menselijke samenleving maar je moet van het bezit van de rijken afblijven. Toch is dat stuk grond, die akker van groot belang in Israël. Het is de plek die God je gegeven heeft om er een menselijke samenleving van te maken. Als Jozef en Maria dan ook het bevel van de Keizer krijgen om thuis te blijven teneinde geteld te kunnen worden dan gaan ze naar het huis dat God heeft gegeven, de akker van Isaï, de akker van de familie van Koning David. Daar begint voor hen het Jubeljaar. Wij zouden eens kunnen beginnen met het kwijtschelden van alle schulden die mensen hebben. De mensen bevrijden van hypotheken en leningen die ze niet meer kunnen dragen. De komende kerst zou daar een mooi moment voor kunnen zijn.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl