| |
 |
 Uw volk van de kikkers te bevrijden
Religie | media
|
15 Maart 2010 | 08:46:23
 |
Exodus 7:26-8:11
Dat de magiërs van Egypte hetzelfde kunnen veroorzaken als Mozes en Aäron maakt inmiddels geen indruk meer. Het was aanvankelijk een reden voor de farao om niet in te gaan op de eisen van Mozes en Aäron maar het blijkt dat die magiërs hetzelfde wel op gang kunnen brengen maar niet meer kunnen stoppen. En dan zit je er maar mee. Wij herkennen de betekenis van de plagen niet zo gemakkelijk meer. Dat het water van de Nijl in bloed veranderde snappen we nog wel als we weten dat het leven van Egypte afhankelijk was van het rijzen en dalen van de Nijl. Maar die kikkers? Daarvoor moeten we te rade bij de godsdienst van Egypte. Kikkers in de Nijl waren een teken van vruchtbaarheid en omdat je vruchtbaarheid nu eenmaal nodig hebt voor de landbouw werd de kikker het symbool van de godin van de vruchtbaarheid, de godin Heket. Daar waren tempels voor en daar waren priesters voor. En dan komen die twee Hebreeërs die de slaven maar vrij willen laten gaan naar de woestijn en die beginnen een spotversje te zingen op de vruchtbaarheid. Niet alleen zal de Nijl wemelen van de kikker, ze zullen uit het water komen en het paleis binnendringen, tot in uw slaapkamer en in uw bed toe, ze komen in de huizen van uw hovelingen en van uw hele volk, zelfs in de ovens en de baktroggen. Als daar overal vruchtbaarheid in komt dan wordt het volk ineens superrijk. Maar net zo min als wij kunnen leven van aardolie die onze honger niet kan stillen kan de farao van Egypte en kan zijn volk leven van kikkers en het wemelde van kikkers toen Aäron zijn arm uitstrekte en het wemelde nog meer van kikkers toen ook de magiërs van Egypte de kikkers lieten komen met hun toverformules. Langzaam aan begint in het verhaal van de plagen de farao te begrijpen dat het die Mozes en Aäron zijn die de rampen kunnen laten komen en weer laten verdwijnen, kennelijk zit er een God achter die de farao nog moet leren kennen. Maar als het onheil weer geweken is blijft alles bij het oude. Ze dronken een glas en deden een plas en alles was weer zoals het altijd al was. Wat dat betreft is er nog altijd niks veranderd. Natuurlijk, wij weten wel dat het klimaat veranderd. Wij weten best dat aardolie en aardgas niet in oneindige hoeveelheden in de bodem zitten en dat ze opraken. Maar als er weer eens een weercrisis is geweest, als er weer eens een hapering is geweest in de aanvoer van aardolie of aardgas dan praten we veel en heftig over wat we te doen hebben om het onheil af te weren. We weten wel dat we het net als de farao van Egypte zelf in de hand hebben, maar als de ergste crisis weer voorbij is, of als we aan hogere prijzen voor olie en aardgas gewend zijn dan vervallen we weer in ons oude gedrag. Dan staan onze snelwegen weer vol met auto's die de lucht vervuilen met CO2 en de kostbare aardolie opstoken voor het gemak en het plezier van het moment. Onze kinderen en kleinkinderen zullen blij zijn met ons egoïstische gedrag. Maar we gedragen ons als aanbidders van Heket, de godin van de vruchtbaarheid, de Egyptische kikker. Net zo min als haar kikkers een echt symbool van vruchtbaarheid waren zijn onze auto's een teken van mobiliteit. Het verhaal van de bevrijding uit de slavernij roept ook ons op onze verslavingen achter ons te laten en gaan leven in verantwoordelijkheid voor onze medemensen en zij die na ons komen. Daar kunnen we vandaag mee beginnen. |
|
|
 |
 |
 Laat mijn volk gaan
Religie | media
|
14 Maart 2010 | 08:33:17
 |
Exodus 7:14-25
Vandaag lezen we het verhaal van de eerste van 10 plagen die Egypte troffen voor ze bereid was om het volk Israël te laten gaan. Waarom zijn er eigenlijk 10 plagen en niet 3 of 5 of 7? Rabijnen vertellen ons dat 10 het getal is van de uiterste grens van geduld, dan kan het nog, zoals Sodom gespaard zou zijn als er 10 rechtvaardigen gevonden zouden zijn, daarom zijn er in de hoofdsom van de Wet ook 10 woorden, dat is nog te verdragen. Door de 10 plagen wordt een scheiding gemaakt tussen Egypte en Israël, eigenlijk tussen Israël en alle andere volken. De dood van Egypte betekent het leven voor Israël. In deze eerste plaag staat het bloed centraal, net als het in de tiende plaag centraal zal staan. In het bloed is het leven gevangen geloofden de Hebreeën. Zoals het bloed in de mensen stroomde stroomde het water van de Nijl door het land. Maar als de Nijl tot mens wordt gemaakt dan treed de dood in. En de Nijl werd aanbeden door de Egyptenaren, al het water van Egypte werd daardoor aanbeden. Daarom moest Aäron de staf van God boven al het water van Egypte houden, al het water veranderde in bloed. Zelfs het water van de rituele baden waarin de goden van Egypte werden aanbeden. De staf van God was het enige wapen dat is gebruikt in de bevrijding uit de slavernij van Egypte. Natuurlijk konden de magiërs van Egypte dezelfde truc als Aäron. De God van Israël heeft immers geen trucs nodig om de slaven te bevrijden tot eredienst voor God. Maar een truc is het niet als de Egyptenaren inderdaad zeven dagen lang, de volledige week, van Godsdag tot Godsdag, geen water kunnen putten maar naar water moeten graven. De hoorders van het verhaal zullen eeuwen later een glimlach niet hebben kunnen onderdrukken als ze zich realiseren dat die domme magiërs van die stijfkoppige Farao door hun truc het lijden van het volk van Egypte alleen nog vergroten. Want water in bloed veranderen dat kan nog maar bloed in water is een andere zaak. Hebben wij ook van die afgoden zoals de Egyptenaren hadden? Het lijkt er soms wel op. Het lijkt er soms zeer op dat wij de olie net zo heilig verklaren als de Egyptenaren de Nijl. Die olie moet ongehinderd naar ons land kunnen stromen en net als Egyptenaren toen voor hun water hebben wij nu een fijnmazig systeem om de olie over ons land te verdelen. Zuinig aan met de olie, minder auto rijden, minder verspillen in onze huizen is voor velen onbespreekbaar. Laat staan dat we willen delen met de armen in de wereld. De oorlog in Irak werd indertijd ook afgeschilderd als een oorlog om de stroom van olie blijvend te vezekeren en als dat zo is is ook onze olie in bloed veranderd. Wij hoeven er nog niet met onze handen naar te graven, maar heel langzaam lijkt het soms wel of ons dezelfde plagen treffen als die in Egypte, zeker als we halstarrig blijven vasthouden aan onze rijkdom en blijven weigeren die te delen met de armsten in de aarde. Bevrijding van de slavernij is ook voor ons nodig, maar de Hebreeen mopperden op z'n tijd tegen Mozes en Aäron over de last die de bevrijding met zich meebracht. Dat verzet kennen wij ook, maar die weerstand mogen ook wij opgeven opdat de hele aarde het land wordt overvloeiende van melk en honing. Het kan vandaag nog beginnen. |
|
|
 |
 Toch bleef de farao onverzettelijk
Religie | media
|
13 Maart 2010 | 08:46:00
 |
Exodus 7:8-13
Later in Israël hadden ze niet zulke woeste monsters als in de Nijl leefden. In de Jordaan kwamen die zeker niet voor. Daardoor zitten we nu met een vertaalprobleem. Want waarin veranderde die staf van Aäron en waarin die van de tovenaars. Er wordt tegenwoordig vertaald met "slang", dat doet ons een beetje denken aan het paradijs waarin een slang de mens verleidde tot ongehoorzaamheid aan God. Maar slang staat er niet in het Hebreeuws. De Statenvertaling heeft het over een draak en in de tijd van dat de Statenvertaling werd gemaakt waren mensen er van overtuigd dat draken bestonden en dat dat verslindende monsters waren. Huub Oosterhuis heeft samen met Alex van Heusden een vertaling van het boek Exodus gemaakt en daar vertaald met "monster". Het zou natuurlijk gewoon een krokodil geweest kunnen zijn. Maar dat die monsters die tevoorschijn werden getoverd de andere tovermonsters verslonden dat is een feit dat voor de luisteraars naar dit spannende verhaal vaststond. Want een verhaal als dit is geen journalistiek verslag, het is ook geen verslag van een gerenomeerd historisch instituut, het is een Bijbelverhaal. Hier wordt verteld hoe het gaat tussen de mensen en de God van Israël. Eigenlijk wordt hier dus ook verteld dat de God van Israël geen tovertrucjes nodig heeft om zich te laten gelden. Tovertrucjes, als in onze dagen genezingen op gebed of door instralingen, kan iedereen wel doen, die tovertrucjes waren ook te doen door de dienaren van de farao. Maar de God van Israël laat zich zien als het gaat om de mensen die in de knel zitten. Hoe dan? Door onophoudelijk te laten vragen naar gerechtigheid. Er komen geen bliksemschichten aan te pas die de farao vellen en iedereen dood laten vallen die zich waagt tegen Mozes te verzetten. Nog elke dag kun je mensen horen vragen waarom de ellende in de wereld niet is tegengehouden, voorkomen of beëindigd door de God van Israël. Dat die God dat niet doet is voor velen zelfs een bewijs dat die God niet bestaat. Maar die God heeft dat nooit gedaan. Dat werd altijd toegeschreven aan afgoden, die zouden een volk redden, tegenstanders doden met een bliksemschicht. Deze God roept op, pas als de farao zich zal overgeven dan wordt het volk bevrijd van de slavernij. Want ook het volk zal doordrongen moeten zijn van het doel van die bevrijding. Dat volk wordt niet bevrijd om vervolgens anderen te kunnen onderdrukken, om armen uit te buiten, akker aan akker te voegen en huis aan huis. Dat volk zal blijvend opgeroepen worden om zich te herinneren dat ze vreemdelingen en slaven zijn geweest in Egypte en dat de God van Israël ze heeft uitgeleid uit het slavenhuis met als doel een land te gaan bewonen waar recht en gerechtigheid geschied. Waar het land gedeeld wordt, waar voor de armen en de weduwe en de wees wordt recht gedaan. Dat is de liefde van die God die uiteindelijk zijn zoon stuurde, een zoon die liet zien dat die liefde zelfs door de dood heen vol te houden was. Door die zoon mogen wij die liefde nu over de hele aarde verspreiden. Op dezelfde manier, door dag en nacht te roepen om en te werken aan gerechtigheid. Zodat we een aarde krijgen waar voor iedereen te leven is en waar iedereen mag meedoen. Daar mogen we ook vandaag aan werken. |
|
|
 |
 Hij liet zijn volk vertrekken
Religie | media
|
12 Maart 2010 | 08:32:54
 |
Psalm 105:28-45
In het laatste deel van deze Psalm worden nog eens de plagen van Egypte opgesomd en de uittocht zelf bezongen. We kennen natuurlijk de plagen, de duisternis, het water dat in bloed veranderde, de kikkers, de steekvliegen en muggen, hagel en bliksem, wijnstokken en vijgebomen stierven, sprinkhanen die het land kaalvreten, de dood van de eerstgeborenen, Uiteindelijk mocht het volk vertrekken beladen met zilver en goud, die Hebreeën waren namelijk niet getroffen door de plagen. Hoe hard de farao zich had verzet blijkt al uit het eerste vers van het gedeelte dat we vandaag lezen. God zond duisternis en het werd duister, ofwel zelfs de natuur luisterde beter naar de Heer dan de farao. Geen wonder dat Egypte uiteindelijk vervuld was van angst. Maar met het vertrek uit Egypte was het volk er nog niet. Ze trokken door de woestijn met overdag een wolk stof achter zich, die stofwolk verborg hen voor achtervolgers, en in de nacht een vuurkolom voor zich, zo groot was het volk wel. Ze kregen kwartels voor het vlees en manna voor het brood. Deze veehoeders uit de Nijldelta leerden de woestijn kennen en zich in de woestijn in leven te houden. Dat het slaan op de rots door Mozes niet helemaal de bedoeling was blijft hier ongenoemd, dat je uit rotsen water kon laten stromen was voor de psalmdichter al wonderlijk genoeg. Uiteindelijk veroverde het volk dat beloofde land, dat land dat aan Abraham beloofd was. Elders in de Bijbel kunnen we lezen hoe hard en hoe zwaar de strijd was, in een loflied op die hele geschiedenis past alleen het uiteindelijke succes. Maar het slot van deze Psalm wijst naar het doel van de hele operatie. Het volk was niet zomaar het volk van de God van Israël geworden, het had niet zomaar dat land gekregen. Tegen de farao van Egypte die hen als slaven onderdrukte en tegen de volken van Kanaaän die hun vruchtbare land niet wilden delen stelt de God van Israël een volk dat zich houdt aan zijn geboden. In de woestijn hadden ze die geboden gekregen."Heb Uw naaste Lief als Uzelf" was de samenvatting van al die geboden. Dat gebod naleven was pas echt de God van Israël dienen. Zo konden ze nooit vergeten dat ze zelf ooit slaven waren geweest. Dat was niet een toevallig maar aangenaam slavernijtje, nee dat was langdurig en zwaar geweest. Er was heel wat moeite voor nodig geweest om het volk uit die slavernij te bevrijden. Ook de reis door de woestijn was geen snoepreisje geweest. Daar was zorg geweest om voedsel en water, maar het was er geweest, al die jaren lang. Ze waren als vreemdelingen gekomen in dat nieuwe land en alleen omdat de bewoners niet hadden willen delen konden ze hen overwinnen. Zelf zouden ze dus moeten delen, vreemdelingen moeten respecteren en slaven als hun eigen familie behandelen. Voor alle slaven was een maximum termijn van slavernij vastgesteld, daarna konden slaven gaan of lid worden van de huishouding. Het is het soort geboden dat ook in onze dagen ons nog in beweging kan zetten om weg te trekken uit een samenleving van ieder voor zich en het recht van de sterkste. Ook onze samenleving zal moeten veranderen in een land waar de zwaksten voorop staan en waar de rijkdom wordt gedeeld met de armsten op aarde. Naar die samenleving mogen we ook vandaag weer op weg gaan. |
|
|
 |
 De heerser der volken liet hem vrij.
Religie | media
|
11 Maart 2010 | 09:00:19
 |
Psalm 105:16-27
Men vraagt zich wel eens af waarom in Nederland niemand zich eigenlijk beter mag vinden dan een ander. Dat heeft een duidelijk Bijbelse achtergrond. Je kunt wel denken dat je iets voor elkaar gekregen hebt, maar niemand kan iets alleen, iedereen heeft anderen nodig om iets voor elkaar te krijgen. Uiteindelijk is het God die bepaald of het zal lukken of niet. Zo kan de farao van Egypte gedacht hebben dat hij besliste over de vrijlating van Jozef, omdat hij nu eenmaal de heerser over de volken was, maar de dichter van deze Psalm weet wel beter, het is God die het zo heeft gestuurd. Die farao zou door schade en schande er achter komen dat hij inderdaad nergens iets over te vertellen heeft. Het was diezelfde God die Mozes en Aäron er op uitstuurde om de vrijlating van zijn volk te krijgen. In deze Psalm keert Cham weer terug. Dat was een van de drie zonen van Noach, de man met wie God opnieuw de geschiedenis van de mensen is begonnen. Cham zou de dienaar van de andere twee zonen worden. Hij wordt beschreven als de voorvader van vele volken, onder die volken ook het volk van Egypte. Een mooie manier om op een voor buitenstaanders onbegrijpelijke manier te laten weten dat je dat machtige Egypte eigenlijk beschouwd als een ondergeschikt volk. In onze westerse cultuur is Cham vaak geschilderd als voorvader van Afrikanen en die vermeende ondergeschiktheid werd dan gebruikt als rechtvaardiging van de slavernij. Een onjuist gebruik van de Bijbel dus. Cham wordt in deze Psalm gebruikt als beeld door vreemdelingen en slaven. In hun positie is de behoefte aan omkering van verhoudingen verklaarbaar. Niet de uitbuiters en de slavenhouders zijn de baas maar de God van Israël en daarmee het volk van vreemdelingen en slaven, uiteindelijk zal dat volk uitmaken hoe het met de wereld zal aflopen. Als je de Psalm nauwkeurig leest zie je zelfs dat die God de harten van de Egyptenaren ging veranderen zodat ze zijn volk gingen haten. Die haat, die afkeer, die angst was nodig om de macht van die God te laten zien. Wellicht dat zij die bang zijn voor de Islam ons willen laten zien hoe machtig de God van de Islam is maar gelovigen in de God van Israël en in Jezus van Nazareth weten dus dat er geen enkele reden is om bang te zijn voor de Islam of een overspoeling van de cultuur door Moslims, integendeel. De machtige daden waarop deze Psalm attent maakt zijn bedoeld om hoop te geven aan verdrukten. Die vreemdelingen en slaven in Egypte was het land beloofd overvloeiende van melk en honing, dat land is hen uiteindelijk ook gegeven. Toen het volk veel later toch vreemde goden achterna liep en in ballingschap werd weggevoerd werd opnieuw dat land aan hen beloofd, de ballingen keerden dan ook weer en bouwden opnieuw de Tempel op. Toen als gevolg van een groot aantal opstanden uiteindelijk de Tempel verwoest werd zorgde het leven in liefde van Jezus van Nazareth en het volhouden van die liefde door de dood heen er voor dat het geloof in de God van Israël zich verspreidde over de hele aarde. En ons geloof en ons verder dragen van die liefde, onze bereidheid om te delen met de armsten kan er voor zorgen dat uiteindelijk die aarde er komt die ons beloofd is, een aarde waar geen tranen meer zullen zijn. Daar mogen we vandaag weer voor aan het werk. |
|
|
 |
 Wees blij van hart
Religie | media
|
10 Maart 2010 | 08:48:49
 |
Psalm 105:1-15
Vandaag zingen we een lofpsalm. Alsof daarvoor zo veel reden is. In veel kerken wordt vandaag de biddag voor gewas en arbeid gevierd. Want het gewas groeit niet vanzelf, we moeten maar afwachten of er ook dit jaar een goede oogst komt. En een baan heb je zeker niet vanzelf. Als er een paar mensen aan de top van banken en het bedrijfsleven besluiten te veel aan bonussen in hun zak te steken dan zijn honderduizenden ineens hun vaste baan weer kwijt. Er zal in de kerken vandaag dan ook voor de werklozen wel extra gebeden worden. Met elkaar zijn we er immers voor verantwoordelijk dat mensen weer een baan krijgen of in elk geval weer op een positieve manier mee mogen doen aan onze samenleving. Deze Psalm kan ons daar toch bij helpen. Er wordt opgeroepen te denken aan de wonderen die de God van Israël heeft gedaan. En er wordt ook gezinspeeld op die wonderen zelf en wat ze voor ons te betekenen kunnen hebben. Want moet je je voorstellen, die Abraham was maar een zwerver, die trok naar Kanaaän in de overtuiging dat zijn nakomelingen dat hele land zouden beërven. Zelf lukte het hem niet om meer dan een grafspelonk te kopen. Maar ook Izaaäk zijn zoon had dezelfde overtuiging. En diens zoon Jakob moest zelf vluchten, terug op de weg die Abraham ooit was gegaan. Die Jakob trouwde wel met verschillende vrouwen en werd een rijk man met grote kudden en veel personeel en twaalf zonen maar ook die Jakob bleef de nodige ellende niet bespaard. Toen hij eindelijk in dat beloofde land gevestigd was raakte hij een zoon kwijt, werd een dochter van hem verkracht door een aantal stedelingen en ging zijn lievelingsvrouw al in het kraambed dood. Toen er uiteindelijk een hongersnood uitbrak moest die Jakob met al zijn zonen en zijn hele hebben en houwen toevlucht nemen tot een vreemd land, Egypte, daar bleek zijn verloren zoon gezorgd te hebben voor het nodige voedsel en een stuk land waar ze als veetelers konden verder leven. Zo rijpte het idee dat die nakomelingen van Abraham, Izaaäk en Jakob een bijzondere bescherming genoten, dat men dit volk niet te na moest komen. Zeker niet hen die het woord van de vreemde God doorgaven. Die God die maar bleef beloven dat het volk een groot volk zou worden en dat ze een land zouden krijgen overvloeiende van melk en honing. Maar als wij deze Psalm meezingen dan mogen wij weten dat die belofte uiteindelijk zou uitkomen. Dat die belofte zelfs ging gelden voor de hele bewoonde wereld, dat er uiteindelijk een wereld zal komen waar alle tranen gedroogd zullen zijn en waar die God zelf zal komen wonen. Dat heeft het volk door de donkerste perioden van hun geschiedenis heengeholpen, te beginnen met de slavernij in Egypte uitlopend op een ballingschap in Babel en inlijving in het wereldrijk van Rome. Dan moet onze werkloosheid ook wel overkomelijk zijn. Dan moet een mindere oogst ons niet afschrikken. In onze samenleving is er altijd iets te betekenen voor mensen die het nog minder hebben. Wat wij ook wij hebben wij kunnen het altijd delen met hen die het echt nodig hebben. Want we weten dat dan ook die nieuwe wereld zal aanbreken, dat dan alle ellende voorbij zal zijn. Daar mogen we vandaag om bidden, daar mogen we ons vandaag op bezinnen maar het mooiste is dat we er vandaag ook weer aan mogen werken. |
|
|
 |
 Dat jij als een god voor de farao staat
Religie | media
|
09 Maart 2010 | 08:45:31
 |
Exodus 6:28-7:7
Goden zeggen niks, goden zwijgen. Merkwaardig om vast te stellen in een Bijbelgedeelte waar een voortdurend gesprek tussen Mozes en zijn God plaatsvindt. Maar dat is dus kennelijk een soort gesprek dat anders is als het gesprek tussen twee mensen. Want als Mozes echt naar de Farao moet dan verschijnt hij daar als een God, zwijgend. Zijn broer Aäron doet het woord. Niet dat de Farao luistert maar dat valt te verwachten. Aäron is de tweede die in het verhaal van de mensen, zoals het in de Bijbel wordt verteld, als profeet wordt aangeduid, aanzegger namens God, hij die vertelt hoe het af zal lopen. De eerste die zo werd genoemd was Abraham. Aäron moet de Farao duidelijk maken dat het slecht met hem zal aflopen en met zijn volk, als hij blijft weigeren het volk Israël te laten gaan. Maar waarom eigenlijk? Er staat dat God zelf het hart van de Farao verhardt, wat is dan nog zijn misdaad? Het is een vraag waar de geleerden zich eeuwen over hebben gebogen. Een enkeling stelt dat de Farao zoveel van de armsten had kunnen houden dat hij zich met veel berouw en scheuren van kleren tegen die verharding van zijn hart had kunnen verzetten. De grootsheid en de macht van de Liefde van de God van Israël moesten immers tot uitdrukking worden gebracht. Dat is in elk geval het doel van de hele geschiedenis. De bevrijding van Israël is niet zomaar iets. Daar zijn offers voor gebracht, daar is veel strijd voor gestreden en veel leed voor geleden. En hoe harder de Egyptenaren hun hart lieten verharden, hoe meer zij toegaven aan de weerstand hun slaven te laten gaan, hoe meer ze toegaven dat die goedkope arbeidskrachten uiteindelijk nog belangrijker waren dan de angst voor het vreemde in dit volk, de angst om door een volk met een ander geloof overheerst te gaan worden, hoe harder de Egyptenaren zelf moesten lijden onder het lijden van Israël. Ze zullen moeten leren ondervinden dat uiteindelijk alleen de liefde voor mensen het conflict kan oplossen. Die liefde van de God van Israël zal uiteindelijk de bevrijding blijken te brengen. Bevrijding dan niet alleen voor het volk van Israël maar ook bevrijding voor het volk van Egypte dat in haar eigen hardheid gevangen was geraakt. Zo gingen Mozes en Aäron dus op stap, twee eerbiedwaardige woestijnbewoners, Mozes van 80 jaar en Aäron van 83 jaar oud. Ze gingen in de wetenschap dat bevrijding van de armen geen gemakkelijke taak zou worden, dat van een bliksembevrijding geen sprake zou kunnen zijn. Dat is iets wat bij ons nog wel eens wordt vergeten. Als er dan een God is die van mensen houdt, waarom sterven dan zoveel mensen van de honger, waarom wonen mensen in Haïti weken na de aardbeving dan nog in kartonnen dozen, waarom zijn zelfs de wonden van veel kinderen nog niet verzorgd. Wij hebben toch veel geld gegeven? Maar ook in onze dagen kan van bliksemredding geen sprake zijn. Telkens wordt ook ons de vraag gesteld of we niet meer hadden kunnen doen, of we ons geven niet hadden afgestemd op onze eigen behoefte aan plezier in plaats van aan de nood die zich voordoet aan onze zusters en broeders. Die vraag wordt ons elke dag gesteld, tot wij niet ophouden te roepen om gerechtigheid, dan pas kan er een begin worden gemaakt. Laat ons hopen dat die dag vandaag komt. |
|
|
 |
 Deze Mozes en Aäron waren het
Religie | media
|
08 Maart 2010 | 07:29:23
 |
Exodus 6:13-27
Wie waren die Mozes en Aäron wel niet helemaal dat zij namens het hele volk Israël de vrijheid gingen vragen bij de Farao van Egypte? Die vraag zal in hun dagen ook wel gesteld zijn. Die Mozes kon dat volk immers nauwelijks verstaan. Hij sprak beter Egyptisch dan Hebreeuws. Hij gedroeg zich als een Egyptische prins en wie zich nog het verleden kon herinneren kende hem ook nog als Egyptische prins. Er ging dan nog wel ergens een gerucht dat hij ooit voor slaven zou zijn opgekomen maar dat zou ook uitgelopen zijn op moord en doodslag, daar wordt zo'n volk niet beter van. Dat was ook wel gebleken omdat het werk sinds het optreden van die Mozes en Aäron een stuk zwaarder was geworden. Hoorden die twee er eigenlijk wel bij? Om die vraag te beantwoorden kijken de Joden al eeuwenlang naar geslachtsregisters en ook op deze plaats staat zo'n geslachtsregister in het verhaal over de bevrijding van Israël uit de slavernij in Egypte. Dit is de enige plaats overigens en dat geslachtsregister gaat ook geen naam verder dan nodig is voor het verhaal. Niet verder dan nodig is om te vertellen dat Aäron de oudere broer van Mozes is, volle broers zijn het, die Aäron is drie jaar ouder dan Mozes, een echte oudere broer dus want drie staat nooit ergens in de Bijbel zomaar. Waarom die zonden van Aäron er dan ook bij staan? Aäron zou de eerste priester van de God van Israël worden en van hem zouden de priestergeslachten van de Tempel in Jeruzalem afstammen. Dan is het mooi om telkens weer te horen voorlezen dat op de vraag wie die Mozes en Aäron nu wel niet waren het antwoord is dat het jouw voorvaderen zijn. Maar er staat nog een bijzondere opmerking in dit geslachtsregister. Een opmerking die je ook kunt tegenkomen in het boek Genesis. Dat gaat over Saul de zoon van Simeon en een Kanaänitische. Die vrouw blijft ongenoemd maar wordt toch apart vermeld. Daar moet dus iets achter zitten. Iets wat de kenners van de eerste boeken van de Bijbel direct herkent zouden hebben en op deze manier gezegd toch geen afbreuk zou doen aan het deftige karakter van de Tempel en de priestergeslachten. Als je bij de rabijnen te rade gaat kun je lezen dat zij aannemen dat het gaat om Dina de dochter van Jakob en Lea. Volgens een verhaal in het boek Genesis zou zij zijn verkracht door een Kanaaäniet. Simeon was één van de broers die daar vreselijk wraak voor nam maar kennelijk ook zijn zuster heeft gehuwd en haar kind in zijn gezin heeft opgenomen. Hier staat dus eigenlijk ook de boodschap dat binnen dit volk de families elkaar niet in de steek laten, zo schrijven zij hun geslachtsregister en zo mogen zij dat ook lezen. Dat de zonen van Levi een sterk geslacht vormen springt er voor ons uit, ze werden oud of nog ouder. Maar oud betekent hier ook wijs en zeer gerespecteerd. Uit zulke oude eerbiedwaardige families stammen Aäron en Mozes. Dat mocht nog wel eens gezegd worden, dat moest ook naar het volk zelf nog wel eens gezegd worden. Die bevrijding uit Egypte was niet zomaar iets, de mensen die dat in gang hadden gezet waren niet zomaar mensen, ze hadden een opdracht van de God van Israël. Het was geen wilde aktie, in groepen geordend wilden ze vertrekken. Bevrijding van de armen is dus ook voor ons geen wilde aktie, daar is overleg voor nodig, daar is volharding voor nodig, daar zullen we met velen samen aan moeten zien te werken. Dan komt de dag dat het zal gebeuren, zeker als we er ook vandaag weer aan werken. |
|
|
 |
 Ik zal jullie God zijn
Religie | media
|
07 Maart 2010 | 08:34:20
 |
Exodus 6:2-12
Wat is dit voor God? Doet hij zijn volk leed aan door ze te willen bevrijden? Het lijkt er wel op, want de komst van Mozes betekent verzwaring van de arbeidsomstandigheden. Maar het verhaal zo lezen is niet juist, je slaat dan een hoop over. Het verhaal is immers begonnen met de twee vroedvrouwen die weigerden de jongetjes te doden, waarop de pasgeboren jongetjes in de Nijl geworpen moesten worden. Omdat Mozes in een biezen mandje werd gelegd, het stro dat voor de stenen bestemd was, werd zijn leven gered. Mozes zelf moest vluchten omdat de behandeling van de Hebreeën onmenselijk was. Maar dat de bevrijding niet een flitsbevrijding zou zijn moest eerst duidelijk worden. Als je het volk van deze God wilde zijn dan moest je er iets voor over hebben. Deze God was begonnen met Abraham, met Izaak en met Jakob. Met elk van hen was hij een verbond aangegaan. Zij hadden deze God leren kennen als een machtige God, Ontzagwekkende staat hier, maar de betekenis van het Hebreeuws is onzeker, het zou ook vruchtbare kunnen betekenen. In de Hebreeuwse tekst van het boek Genesis waarin de verhalen van Abraham, Izaak en Jakob worden verteld staat wel degelijk de naam van JHWH, waarom God hier vertelt dat die naam aan Abraham, Izaak en Jakob niet geopenbaard is was lange tijd niet duidelijk. Tot Rabbi Sjlomo ben Itschaqi opmerkte dat noch Abraham, noch Izaak, noch Jakob deze God hadden leren kennen in zijn oneindige trouw zoals het volk Israël die God zou leren kennen bij de bevrijding uit de slavernij en de tocht door de woestijn. Die God laat niet af, houdt niet op, blijft voortdurend hameren op het doorgaan van dat bevrijdingsproces, roept daarbij iedereen op om daaraan mee te doen, legt dat op als basisregels voor een heel volk, waarmee een heel volk in beweging kan komen en voert uiteindelijk dat volk binnen in een land overvloeiende van melk en honing. En zelfs dan houd het nog niet op want alle volken zullen deel moeten hebben aan dat bevrijdingsproces tot God zelf op deze aarde komt wonen en alle tranen gedroogd zijn en de dood er niet meer is. In de bevrijding die in Egypte is begonnen heeft die God zich dus laten kennen. Dat is niet een almachtige God die wel even de wereld naar zijn hand zal zetten. Dat is een God die meetrekt en meelijdt met de zwaksten, met de slaven. Het antwoord van dat volk op deze prachtige belofte, op dit groots visioen is tekenend: ze wilden er niet naar luisteren omdat ze moedeloos waren geworden door de zware dwangarbeid. Ze waren aangekomen op het dieptepunt van hun ellende. Zwaarder konden ze het niet krijgen. En was dat moedeloze, ongelovige, antwoord het teken om dan maar op te houden? Als niemand in God gelooft dan heeft die God toch geen zin? Nee, dus, het lijkt er op dat als niemand er meer in gelooft dat die God dan juist met verdubbelde ijver aan de bevrijding van de zwaksten gaat werken. Niet door één of ander wonder te doen, maar door te laten zien dat je de armsten maar beter als waardevolle mensen kunt behandelen omdat het anders tegen je zal keren. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en ook al komt hij slecht uit zijn woorden, de Farao zal moeten luisteren. Het is ook de boodschap aan ons, ook wij mogen ons afvragen of wij slaven hebben die we te kort doen. Als we onze handelsverhoudingen met de armsten in de wereld nog eens bezien dan ontdekken wij ze. Aan ons om daar iets aan te doen en ook die broeders en zusters te bevrijden van het onrecht door ons hen aangedaan. Aan ons instrumenten in Gods hand te worden.
|
|
|
 |
 U hebt uw volk niet bevrijd
Religie | media
|
06 Maart 2010 | 08:52:07
 |
Exodus 5:10-6:1
Als er over God gesproken wordt dan blijft het merkwaardig hoe gemakkelijk er over een almachtige God gesproken wordt. Alle rampen, alle ellende zal die God wel even voorkomen of in elk geval zorgen dat het leed niet al te groot wordt. Want als je almachtig bent dan zorg je er toch in de eerste plaats voor dat zwakke mensjes geen last hebben van tegenslag. Waar dat spreken over God vandaan komt blijft onbekend want in de Bijbel wordt er helemaal niet op die manier over God gesproken. Natuurlijk, God hoort het geschrei van zijn volk. Maar hij grijpt niet zelf in, hij stuurt een mens, een mens die ooit opkwam voor zwakken maar die daardoor heeft moeten vluchten, een mens die vervreemd was van zijn eigen volk maar het toch voor dat volk wilde opnemen. Een mens overigens die zichzelf te zwak vond om het woord te doen en dat maar aan zijn broer overliet. En kreeg die mens dan zo veel macht dat met een machtige zwaai van zijn Godsstaf de Farao tot vrijheid te bewegen was? Welnee, integendeel, die wonderen die Mozes deed maakten geen enkele indruk en de slaven van het volk van Mozes werden er ook geen haar beter van. Die slaven moesten dubbel zo hard werken. Ze bakten stenen van klei gemengd met stro. Die klei was gemakkelijk te vinden aan de oever van de Nijl maar dat stro moet je oogsten. Nu, dat oogsten mochten ze voortaan zelf doen. En wie kregen het hardst op hun kop? De mensen die voor die Farao hun best deden het werk zo goed mogelijk uit te voeren. De opzichters. Dat waren ook Hebreeën. Die pasten zich wonderwel aan aan de luimen van de Farao. Als de Farao slavenarbeid verlangde dan zal er slavenarbeid geleverd worden en als er harder gewerkt moest worden dan moet er harder gewerkt worden. Sommige commentatoren vergelijken deze opzichters met de Capo's uit de Tweede Wereldoorlog. Joden die in de concentratiekampen voor de Nazi's toezicht hielden op de gevangenen en zorgden voor een goed verloop. Maar dat zou wat al te eenvoudig zijn. Hoe vaak komt het niet voor dat chef's en opzichters in fabrieken arbeiders er van proberen af te houden aktie te voeren voor gerechtvaardigde looneisen. Hoe vaak raden ze hun medewerkers niet af lid te worden van een vakorganisatie. Ze verdedigen zelfs de exorbitante bonussen die aan de top van hun bedrijven kunnen worden uitgekeerd omdat hun werknemers zo goed gepreseteerd hebben. Aan dit gedrag ligt meestal angst ten grondslag. Als je net een treetje hoger bent geklomen dan de rest ben je o zo bang je positie te verliezen. Die angst is dezelfde angst als de Farao had voor de groei van de Hebreeën, dezelfde angst die er onder ons heerst voor allochtonen en hun vreemde godsdienst. Maar door de geschiedenis heen hebben we moeten leren dat als gerechtigheid niet vanzelf geschied, als gerechtigheid niet kan worden bereikt door redelijk overleg, als mensen niet met elkaar gaan leven door samenwerking en wederzijds respect, dan komt de bevrijding van onrecht en onderdrukking door geweld. Dan neemt het geweld in de samenleving toe en dan helpt het niet om daar met geweld tegen op te treden, het laat zich niet onderdrukken. We doen er goed aan om er van te leren en van dag tot dag onrecht op te sporen, angst achter ons te laten, en recht te laten overwinnen. Ook vandaag. |
|
|
|
|
|