basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Rechters 14:1-20

1 Op een keer ging Simson naar Timna. Daar viel zijn oog op een Filistijns meisje. 2  Toen hij thuiskwam vertelde hij zijn ouders: ‘Ik heb in Timna een Filistijns meisje gezien. Ik zou willen dat u haar voor mij ten huwelijk vraagt.’ 3  Maar zijn ouders zeiden: ‘Waarom zoek je een bruid bij die onbesneden Filistijnen? Er is onder de dochters van je verwanten toch wel een vrouw voor je te vinden, of in elk geval onder de meisjes van ons eigen volk.’ ‘Nee, vader, ‘antwoordde Simson. ‘Dit meisje moet u voor me vragen, want zij bevalt me.’ 4  Zijn ouders wisten niet dat het de HEER was die hierop aanstuurde, omdat hij een aanleiding zocht om de strijd met de Filistijnen aan te gaan. De Filistijnen waren in die tijd namelijk heer en meester in Israël. 5  Simson ging met zijn vader en moeder op weg naar Timna. In de buurt van de wijngaarden van Timna kwam opeens een leeuw brullend op hem af. 6  Toen voer de geest van de HEER in hem en met zijn blote handen verscheurde hij de leeuw, alsof het een geitenbokje was. Maar tegen zijn vader en moeder sprak hij er met geen woord over. 7  Hij vervolgde zijn weg en sprak met het meisje, en zij beviel hem nog steeds. 8  Niet lang daarna maakte hij de reis opnieuw, nu om haar tot vrouw te nemen. Onderweg verliet hij even het pad om naar de dode leeuw te kijken. Daar zag hij dat zich in het kadaver een zwerm bijen had genesteld, en dat er honing in zat. 9  Met zijn blote handen haalde hij de honing eruit, en al etend liep hij terug naar zijn ouders. Hij gaf hun er ook wat van te eten, maar hij zei er niet bij dat hij die honing uit het kadaver van een leeuw had gehaald. 10 Zijn vader ging naar het ouderlijk huis van het meisje. Simson gaf daar een feest, want zo hoorde dat wanneer een jongeman ging trouwen. 11  Na de kennismaking werden dertig van zijn leeftijdsgenoten uitgekozen om het feest bij te wonen. 12  Simson zei tegen hen: ‘Laat ik jullie een raadsel opgeven. Als jullie me binnen de zeven dagen van dit feest de oplossing vertellen, krijgen jullie alle dertig een stel onder- en bovenkleren van mij. 13  Maar als jullie de oplossing niet kunnen vinden, krijg ik van jullie dertig stel onder- en bovenkleren.’ ‘Afgesproken!’ antwoordden ze. ‘Laat je raadsel maar horen.’ 14  Toen zei Simson: ‘Het is sterk en het verslindt altijd, nu biedt het een maal van zoetigheid.’  Na drie dagen hadden ze de oplossing nog niet gevonden. 15  Daarom zeiden ze op de vierde dag tegen Simsons vrouw: ‘Jij moet je man overhalen om ons de oplossing van het raadsel te vertellen, anders steken we jullie huis in brand zodat jij en je familie in de vlammen omkomen. Wat denken jullie wel! Hebben jullie ons soms uitgenodigd om ons tot de bedelstaf te brengen?’ 16  Snikkend viel Simsons vrouw haar man om de hals en verweet hem: ‘Je houdt niet van me, het lijkt wel of je een hekel aan me hebt. Je hebt mijn stadsgenoten een raadsel opgegeven maar mij niet eens de oplossing verteld.’ ‘Die heb ik zelfs niet aan mijn eigen vader en moeder verteld, ‘zei Simson. ‘Waarom zou ik het dan aan jou verklappen?’ 17  Maar de hele feestweek door bleef ze hem in tranen verwijten maken, en op de zevende dag gaf hij ten slotte toe, zo had ze hem met haar verwijten bestookt. Ze vertelde de oplossing van het raadsel door aan haar stadsgenoten, 18  en die stelden op die zevende dag, vlak voor zonsondergang, aan Simson de wedervraag: ‘Wat zou er zoeter zijn dan honing en sterker dan de leeuwenkoning?’  ‘Ja ja, ‘zei Simson. ‘Jullie hebben met mijn vaars geploegd, anders waren jullie er nooit achter gekomen.’ 19  De geest van de HEER voer in hem en hij ging naar Askelon en doodde daar dertig man. Hij nam hun kleren mee en gaf die aan de jongemannen die de oplossing van het raadsel hadden gegeven. Hij was zo kwaad dat hij terugging naar het huis van zijn vader. 20  Zijn vrouw werd aan een ander gegeven, aan degene die bij zijn huwelijk als getuige was opgetreden. (NBV)

Iedereen weet natuurlijk waar het Bijbelgedeelte van vandaag op uit gaat lopen. Op raadseltjes en op moord en doodslag.  Men heeft zich lang afgevraagd hoe het nu kon dat een man die van jongs af aan gewijd is aan de dienst van de God van Israël zich afgeeft met tuig. Een mooi meisje wordt aan het begin van dit verhaal verteld, maar toch een Filistijnse, een dochter van het volk dat Israël uitbuit, vernederd en jaarlijks de oogst van de velden komt stelen. Simson wilde ondanks alles met haar trouwen. De Rabbijnen wijzen dan ook nog op de wetsovertredingen die Simson pleegt. Dat hij een leeuw doodt is natuurlijk prima maar dat eten van honing uit een dood dier lijkt toch aardig in strijd met de wetten van Mozes.  Simson zelf lijkt, wel heel gevoelig voor de verleiding van de buitenlandse vrouwen. Dat begint in het klein, dat begint als Simson zijn oog laat vallen op een meisje in Timna en niet wil kijken naar de meisjes in zijn eigen volk. Dat je laten verleiden door wat je ziet brengt Simson ook tot zijn eerste wetsovertreding, eten van honing uit het lijk van een dier.

Het gaat dus niet om het verliefd worden op een buitenlandse of een relatie aangaan met iemand uit een vreemd land. De reis die Simson opnieuw maakte was samen met zijn ouders en we zullen zien dat de bedoeling was dat zijn ouders de bruiloft zouden regelen met de ouders van het meisje. Maar het gaat om de verleiding. Is het vreemde, het exotische dat ons verleidt, of zijn we werkelijk verliefd geworden op een persoon die we als gelijke kunnen zien. Houden we vast aan de geboden van de God van Israël, heb uw naaste lief als uzelf, of streven we naar eigen lustbevrediging en gebruiken we de ander als voorwerp om onze lusten te bevredigen. Die vragen hadden ook aan Simson mogen worden gesteld.  Het loopt in elk geval verkeerd af. "Julie hebben met mijn vaars geploegd" is een spreekwoord dat in heel veel talen ingang heeft gevonden.

Simson zelf schept niet op over zijn daden. Over het doodslaan van de leeuw vertelt hij zelfs niet tegen zijn ouders. Het gaat in deze verhalen over het verzet tegen plunderaars en onderdrukkers, tegen oneerlijkheid ook. De Filistijnen beheersen het land, zij zijn met geweld de baas geworden over het volk Israel en daar moet een einde aan komen. Als Simson wil trouwen met een Filistijnse wordt hij voor de gek gehouden. Ze hadden hem als gelijke kunnen beschouwen. Ze hadden met hem kunnen delen. In plaats daarvan jagen ze hem op kosten door een grote hoeveelheid mannen op hem af te sturen. Vier daar maar eens een week feest mee. Vrienden of verwanten van Simson zelf waren kennelijk niet welkom. Nog geeft Simson ze de kans om het goed te maken, toegeven dat je de oplossing van het raadsel niet weet is geen schande, en wie 2 mantels heeft kan er makkelijk 1 geven aan wie er geen heeft.

Reacties

Rechters 13:15-25

15 Toen zei Manoach tegen de engel van de HEER: ‘Wij zouden graag zien dat u nog bleef, zodat we voor u een geitenbokje kunnen klaarmaken.’ 16  Maar de engel van de HEER antwoordde: ‘Ik wil nog wel even blijven, maar ik zal niet eten van wat u mij aanbiedt. Als u echter een brandoffer aan de HEER wilt opdragen, mag u dat doen.’ Manoach wist nog altijd niet dat hij met een engel van de HEER te maken had. 17  ‘Zeg ons uw naam, ‘vroeg hij, ‘zodat wij u eer kunnen bewijzen wanneer uw woorden uitgekomen zijn.’ 18  Maar de engel van de HEER antwoordde: ‘Waarom vraagt u naar mijn naam? Die is voor u toch te wonderbaarlijk.’ 19  Manoach nam een geitenbokje en wat brood en bracht dit op een rotsblok ten offer aan de HEER. Toen gebeurde er voor de ogen van Manoach en zijn vrouw iets wonderbaarlijks: 20  in de vlam die van het altaar opschoot naar de hemel steeg de engel van de HEER op. Manoach en zijn vrouw zagen het gebeuren; ze vielen op hun knieën en bogen diep voorover. 21  De engel van de HEER zou zich niet meer aan hen laten zien. Nu besefte Manoach dat het een engel van de HEER was geweest. 22  Hij zei tegen zijn vrouw: ‘We hebben God gezien. Dat wordt onze dood!’ 23  Maar zijn vrouw antwoordde: ‘Als God ons had willen doden, had hij vast ons offer niet aanvaard en ons niet laten zien wat we nu gezien hebben. En dan had hij ons daarnet zeker niet zulke beloften gedaan.’ 24 De vrouw bracht een zoon ter wereld en noemde hem Simson. De jongen genoot de zegen van de HEER en groeide voorspoedig op. 25  Tussen Sora en Estaol, waar de Danieten hun tenten hadden opgeslagen, werd hij voor het eerst door de geest van de HEER tot daden aangezet. (NBV)

De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Er komt een boodschapper op visite en die verteld je dat jouw droom eindelijk uit zal komen. Je had die droom al bijna uit je hoofd gezet. Natuurlijk ben je blij met een dergelijke boodschapper. Zo iemand wil je wel verwennen. Dan is het gemakkelijk als je ook de naam kent van de boodschapper. Maar de boodschapper kiest er voor anoniem te blijven. Ook na  de geboorte van de zoon zal hij zich niet laten vereren of aanbidden. En dan komen de richtlijnen uit de leer van Mozes aan de orde. Dat de boodschapper zich niet laat verwennen ligt toch niet aan Manoach en zijn vrouw. Dat je bereid bent te delen van wat  je hebt doe je in de traditie van Israël door een offer te brengen, door wat je gekregen hebt van God  ook met God te delen. En het werkte, in het vuur van het offer neemt de boodschapper afscheid. Zoals het offer van Abel door God was aanvaard wordt ook dit offer aanvaard.

Van wonderen kun je geweldig schrikken. Wonderen zijn dus niet bovennatuurlijke zaken, vaak zijn wonderen gewoon te verklaren. Maar daarom blijven het nog steeds wonderen. Wij maken zelf vaak wonderen en hebben daar zelfs in onze taal een werkwoord voor, het werkwoord verwonderen. Zeker als het gaat om de geboorte van kinderen speelt de verwondering een belangrijke rol. De wetenschap weet echt alles over de geboorte van een kind. Van de conceptie tot en met de geboorte is elk stadium bekend en soms zelfs ingrijpend te beïnvloeden. Toch roept iedereen die een pasgeboren baby ziet dat het een wonder is, en dat is het ook. Maar een wonderlijke gebeurtenis kan je ook bang  maken. Wie God ziet gaat immers dood. Zelfs  Mozes had alleen de glans van God gezien en Elia moest zijn gezicht bedekken toen God in het ruisen van de wind aan hem voorbijtrok. Maar als God beloften doet hoef je niet bang te zijn.

En het gebeurde zoals de boodschapper het had gezegd, ze kregen eindelijk een zoon en die groeide voorspoedig op. De zoon kreeg de naam Simson. Hij was apart gezet, hij zou een voorbeeld moeten worden van het houden van de richtlijnen van God. Dat betekent samen delen, houden van je naaste als van jezelf, dat zou de gewoonte moeten zijn in het land, dat zou gewoon moeten zijn voor iedereen. We kennen het verhaal van Simson natuurlijk, het land werd geplunderd en dat plunderen was heel wat meer gewoon dan het delen. De Bijbel roept ons dan op na te gaan hoe het bij ons zit. Is de zorg voor elkaar belangrijker dan de winst die we voor onszelf kunnen maken? Is de zorg voor de zwaksten voorop stellen de gewoonte bij alle beslissingen of de wens alles voor onszelf te mogen bepalen? Elke dag opnieuw wordt ons de vraag gesteld en elke dag opnieuw mogen we antwoord geven.

Reacties

Rechters 13:1-14

1 Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom leverde de HEER hen veertig jaar lang over aan de Filistijnen. 2  In die tijd leefde er in de omgeving van Sora een zekere Manoach, die tot de stam Dan behoorde. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had nooit kinderen gekregen. 3  Op een dag verscheen bij haar een engel van de HEER. ‘Tot nu toe was u onvruchtbaar en hebt u geen kinderen gekregen, ‘zei hij. ‘Maar nu zult u zwanger worden en een zoon baren. 4  Onthoud u daarom van wijn en andere drank en eet geen voedsel dat onrein is. 5  U zult zwanger worden en een zoon krijgen. Zijn haar mag nooit door een scheermes worden aangeraakt, want hij zal al vanaf de moederschoot als nazireeër aan God gewijd zijn. Hij zal een begin maken met de bevrijding van Israël uit de greep van de Filistijnen.’ 6  De vrouw ging naar haar man en vertelde hem dat er een godsman bij haar was geweest. ‘Hij zag er bijzonder ontzagwekkend uit, ‘zei ze, ‘het leek wel een engel van God. Ik heb hem niet gevraagd waar hij vandaan kwam en hij heeft me zijn naam niet gezegd. 7  Hij zei tegen me dat ik zwanger zou worden en een zoon zou krijgen. Van nu af aan mag ik geen wijn of andere drank drinken en niets onreins eten, want onze zoon zal vanaf de moederschoot tot aan de dag van zijn dood als nazireeër aan God gewijd zijn.’ 8 Manoach bad tot de HEER: ‘Mag ik u vragen, Heer, laat de godsman die u gezonden hebt toch opnieuw bij ons komen, om ons te vertellen wat we moeten doen wanneer de jongen eenmaal geboren is.’ 9  God verhoorde hem en de engel van God kwam opnieuw naar de vrouw toe. Zij was bezig op het land, Manoach was op dat moment niet bij haar. 10  Ze haastte zich naar haar man: ‘Hij is er weer, ‘riep ze, ‘die man die laatst bij me was!’ 11  Manoach ging meteen met haar mee. Bij de vreemdeling aangekomen vroeg hij: ‘Bent u degene die met mijn vrouw gesproken heeft?’ ‘Inderdaad, ‘antwoordde hij, 12  en Manoach vroeg: ‘Wanneer uw woorden uitgekomen zijn, hoe moet de jongen zich dan gedragen en wat moet hij doen?’ 13  De engel van de HEER antwoordde: ‘Uw vrouw moet zich onthouden van alle dingen die ik heb genoemd: 14  ze mag niet eten van de vruchten van de wijnstok en geen wijn of andere drank drinken of iets eten dat onrein is; ze moet zich nauwkeurig houden aan wat ik haar heb opgedragen.’ (NBV)

Soms is een eenvoudig advies eenvoudig weg zo goed dat het te simpel lijkt en daardoor ongeloofwaardig. Dat gebeurde de vrouw van Manoach ook. Het volk van Israel liep weer eens vreemde goden achterna. Dat waren vruchtbaarheidsgoden. Die moesten zorgen voor een goede oogst en voor nageslacht. Nou dat liep verkeerd af. De oogst werd geroofd en kinderen kwamen er niet. Dat haalt je de koekoek was een oud gezegde, het ligt voor de hand. De vreemde streken die je soms moet uithalen om gelukkig te worden, paragnosten, babyfluisteraars, water instraalsters tot helderzienden die de gedachten van je huisdier kunnen lezen toe. We kunnen er, net als in de dagen van de Rechters, tegenwoordig ook nog wat van. Botox, schoonheidsoperaties, elke week nieuwe kleding, benzineslurpende auto's, eindeloze vakanties, wisselende relaties, alles om te voldoen aan de eisen van de goden van jong en succes.

Of een eeuwig leven te verkrijgen is door steeds maar te verjongen. We weten wel dat het niet kan maar we laten het ons aan alle kanten wijs maken. Bij het gezin van Manoach kwam een boodschapper langs die een eenvoudig recept had. Ga je weer aan de Wet van God houden, die Wet over wat je wel en niet moet eten die in de woestijn was gegeven. Spijswetten die je weer bewust maken van wat je eet en waarom. En bij bewustzijn blijven was klaarblijkelijk belangrijk want er volgt ook een verbod op het drinken van alcohol, wijn of andere drank. Het zijn adviezen die ook vandaag hun nut bewijzen. Hoeveel ouders hebben hun kinderen niet aan drank verloren, en hoeveel kinderen hun ouders niet aan drank, overgewicht en bijbehorende welvaartsziekten. Elk jaar begint ook in ons land de Ramadan, ook alleen eten als het donker is maakt je bewust van de waarde van voedsel.

En we zullen ons bewust moeten zijn hoe we met het leven omgaan, met het voedsel dat we eten, met de vreemdelingen met wie we moeten delen, met de naaste van wie we moeten houden. Het offer was dus gewoon voor de boodschapper, die de ouders van Simson er nog eens op had gewezen dat het je houden aan de regels, die waren afgesproken in de woestijn, beter zou bevallen dan al die poespas rond de vruchtbaarheidsgoden. En zo gebeurde, ze kregen eindelijk een zoon en die groeide voorspoedig op. Hij was apart gezet, hij zou een voorbeeld moeten worden van het houden van de Wet van God. Dat betekent samen delen, houden van je naaste als van jezelf, dat zou de gewoonte moeten zijn in het land, dat zou gewoon moeten zijn voor iedereen.

 

Reacties

Deuteronomium 16:1-17

1 Ieder jaar in de maand abib moet u voor de HEER, uw God, het pesachoffer bereiden. Hij heeft u immers op een nacht in die maand uit Egypte weggeleid. 2  Voor het pesachoffer ter ere van de HEER moet u geiten, schapen of runderen slachten op de plaats die hij zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. 3  Bij dat vlees mag u geen gedesemd brood eten, maar alleen ongedesemd brood, gedurende zeven dagen. Het is het tranenbrood dat u, zolang u leeft, zal herinneren aan de dag waarop u wegtrok uit Egypte, aan dat overhaaste vertrek. 4  Zeven dagen lang mag er in het hele land bij u geen stukje zuurdesem te vinden zijn. En van het vlees dat de slacht van de eerste avond oplevert, mag niets tot de volgende dag bewaard worden. 5  U mag de dieren voor het pesachoffer niet slachten in elk van de steden die de HEER, uw God, u zal geven, 6  maar u moet dat op de ene plaats doen die hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen, en wel ‘s avonds, bij zonsondergang, het tijdstip waarop u uit Egypte vertrok. 7  Daar moet u het vlees bereiden en eten; de volgende morgen kunt u weer naar uw eigen woonplaats terugkeren. 8  Zes dagen lang moet u ongedesemd brood eten, en de zevende dag is er een feestelijke samenkomst voor de HEER, uw God; dan mag u niet werken. 9  Zeven weken moet u aftellen: zeven weken nadat de eerste sikkel in het koren is gezet 10  moet u voor de HEER, uw God, het Wekenfeest vieren, zo uitbundig als uw vrijwillige gaven het toelaten, naar de mate waarin de HEER, uw God, u zegent. 11  Ten overstaan van hem moet u dan feestvieren, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, de Levieten die bij u in de stad wonen, en de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. Doe dat op de plaats die de HEER, uw God, zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. 12  Bedenk dat u zelf in Egypte slaaf bent geweest; houd u daarom zorgvuldig aan deze voorschriften. 13  Wanneer het graan is gedorst en de druiven zijn geperst, moet u gedurende zeven dagen het Loofhuttenfeest vieren. 14  Vier dan uitbundig feest, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de stad wonen. 15  Zeven dagen lang moet u voor de HEER, uw God, feestvieren op de plaats van zijn keuze. Hij zal immers al uw werk zegenen en u een rijke oogst geven. Vier daarom uitbundig feest. 16  Driemaal per jaar moeten alle mannen dus voor de HEER, uw God, verschijnen op de plaats die hij zal kiezen: voor het feest van het Ongedesemde brood, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Ze mogen daar niet met lege handen komen; 17  ieder moet geven naar de mate waarin de HEER, uw God, hem heeft gezegend. (NBV)

Voor Christenen is dit gedeelte uit het boek Deuteronomium niet zonder betekenis. Twee van de grote Christelijke feesten konden ontstaan door de voorschriften uit dit gedeelte. Sinds het bewind van Koning Josia was het volk Israël zich bewust van deze feesten en als men niet in ruime mate de vreemde Kanaänitische feesten volgde dan vierde men het Pesach feest, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Het Pesachfeest en het Wekenfeest kennen we in het Christendom. Het  Pesach als Paasfeest en het Wekenfeest als Pinksterfeest. Het Pesachfeest was het feest waarop de uittocht uit Egypte werd herdacht en het Wekenfeest was een oogstfeest waarop ook het sluiten van het verbond op de Horeb werd herdacht. Dat was bij de inrichting van die feesten dan ook goed te merken. Bij het Pesachfeest werden ritueel de gewoonten uit de slavernij weer tot leven gebracht. In het hete woestijnzand van Egypte moest je geen vers geslacht vlees tot de volgende dag bewaren, dan is het bedorven. Daarom mag het ook niet in de zeven dagen van het Pesachfeest.

Tijdens de slavernij, die voorafgaande aan de bevrijding steeds erger werd, had je geen tijd om het brood te laten rijzen voor je het ging bakken. Daarom heet het ongezuurde brood dat met Pesach wordt gegeten het tranenbrood, het is het brood uit de slaventijd. Dat het niet zo snel bedierf en daarom ideaal was om tijdens de vlucht uit Egypte mee te nemen was een gelukkige bijkomstigheid. Ook vandaag de dag herinnert het Pesachfeest van de Joden aan het lijden dat het volk heeft moeten doormaken. Daarom staan er op de Pesachtafel ook de bittere kruiden waarvan gegeten wordt, na de Tweede Wereldoorlog met haar Holocaust, hebben deze kruiden een extra bittere betekenis gekregen. Bij het vieren van het Verbond met als centrale wet het Heb Uw Naaste Lief als Uzelf, staat dat liefhebben centraal. Dan wordt er uitbundig feest gevierd, maar dat feest moet je delen. Aan je feest moeten naast je familieleden ook je slaven en slavinnen, je knechten en de vreemdelingen die je helpen deelnemen, ook moet er plaats zijn voor de armen. Het feest wordt gevierd bij het centrale Heiligdom, in de loop van de geschiedenis is dat de Tempel in Jeruzalem geworden, maar oorspronkelijk had elke stam een eigen heiligdom. Alleen de Samaritanen hadden dat nog over tijdens het leven van Jezus van Nazareth.

In de Tempel werkten de Levieten die ook in alle steden van Israël de rechtspraak verzorgden. Ook zij moesten mee mogen doen in de maaltijd van het Wekenfeest. Het Pesachfeest, het feest van Bevrijding is voor Christenen het feest van de bevrijding van de dood geworden. Niet langer was de angst voor de dood, angst voor een dodende overheid, bepalend voor je gedrag, maar de liefde voor allen. Daarom werd een maaltijd als op het Wekenfeest, waarop brood en wijn werd gedeeld, de centrale rite uit het Christendom, ter herinnering aan Jezus van Nazareth die de liefde door de dood heen vol wist te houden. Aanvankelijk werd op dat Pesachfeest ook de herinnering aan de uitstorting van de Geest en de Hemelvaart gevierd. Je kunt dat op het eind van het evangelie van Lucas nalezen. Later werd de oogst die de Geest aan de Christelijke gemeente had gebracht gevierd op het Wekenfeest en nog later kreeg de Hemelvaart haar bijzondere plaats. Bij al die feesten gaat het niet om offers te brengen aan een God om die gunstig te stemmen, maar om te delen van wat je hebt, wat je hebt gekregen uit dankbaarheid voor die God, voor het leven in vrijheid dat we mogen leven en dat we ook anderen mogen geven, ook vandaag weer.

 

Reacties

Deuteronomium 15:12-23

12 Wanneer iemand uit uw volk, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf of slavin aan u verkoopt, moet deze u zes jaar lang dienen; in het zevende jaar moet u hem of haar de vrijheid teruggeven. 13  Wanneer u dan de betreffende persoon in vrijheid laat vertrekken, mag u hem niet met lege handen laten gaan. 14  U moet hem met gulle hand een deel geven van uw kudde, van uw graan en uw wijn, of van wat de HEER u ook maar heeft toebedeeld. 15  Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u bevrijdde. Daarom geef ik u vandaag dit gebod. 16  Maar indien hij niet bij u weg wil, omdat hij het goed bij u heeft en aan u en uw familie gehecht is geraakt, 17  moet u een priem door zijn oor in uw deur steken. Daarmee wordt hij voorgoed uw slaaf. En met een slavin moet u hetzelfde doen. 18  Laat het u niet hard vallen als u hen moet laten gaan, want zij hebben in zes jaar trouwe dienst hetzelfde gedaan als een dagloner, voor de helft van het geld. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet. 19 ¶  Elk eerstgeboren mannelijk dier dat uw koeien, geiten en schapen werpen, moet u aan de HEER, uw God, wijden. Zo’n eerstgeboren kalf mag u niet voor u laten werken en zo’n lam of bokje mag u niet scheren. 20  U moet die eerstgeboren dieren elk jaar samen met uw familie eten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij uitkiest. 21  Maar als zo’n dier een gebrek heeft, als het kreupel of blind is of wat dan ook, dan mag u het niet ter ere van de HEER, uw God, slachten. 22  In dat geval moet u het in uw eigen stad eten, net zoals iedereen, rein of onrein, gazellen of herten mag eten. 23  Onthoud u alleen wel van het bloed; laat het als water op de grond weglopen.  (NBV)

We hebben al enige tijd een maatschappelijke discussie over het verschijnsel bonussen. De bestuurders van grote banken en bedrijven krijgen aan het eind van het jaar, of aan het eind van hun dienstverband, exorbitant grote beloningen die ze dan bonussen noemen. Sommigen hebben het zelfs zo georganiseerd dat als het met hun bank of bedrijf slecht gaat er toch een bonus gegeven moet worden. Mensen die in recht en gerechtigheid geloven vinden over het algemeen dat het geven van die exorbitant grote bonussen aan leidinggevenden onrechtvaardig is, de rest van de werknemers krijgen ze over het algemeen niet. De verenigingen van banken en grote bedrijven hebben daarom een code opgesteld waarin staat dat die bonussen niet groter mogen zijn dan een jaarsalaris, anders moet je het kunnen uitleggen. Die code bevalt niet helemaal, salarissen moeten gematigd, pensioenen worden gekort. Daarom was er een aantal  jaren geleden een wet in de maak die zelfs die bonussen helemaal verbiedt.

Het gedeelte dat we vandaag uit het boek Deuteronomium lezen kent ook zo'n bonusregeling. We zijn meestal onder de indruk van hetgeen er in het begin staat over slaven en slavinnen. Die moet je na zes jaar in het zevende jaar in vrijheid stellen. Alleen als die slaaf of die slavin zelf wil blijven dan moet je die in je huishouden opnemen, aan je deurpost spijkeren staat er letterlijk. Dat is natuurlijk mooi om een slaaf of slavin in vrijheid te stellen. Maar nog mooier is dat je die slaaf en die slavin dan ook nog een bonus mee mag geven, met gulle hand een deel van de kudde, van het graan en de wijn of van hetgeen je met je werk, met je slaaf en slavin dus, verdient hebt. Zo ver zijn we nog niet. Het zou natuurlijk mooi zijn onze loonslaven ook een dergelijke bonus te geven als ze vertrekken, als ze met pensioen gaan of na een aantal jaren naar een andere werkgever of voor zichzelf gaan beginnen.

De reden van deze regels staat er ook bij. Slaven en slavinnen verschillen niet van jou die in staat is slaven en slavinnen te houden. Je bent ook slaaf geweest, je stamt ook van slaven af. Het volk Israël wordt direct bepaald bij de slavernij in Egypte, het land van de dood. Zoals de Egyptenaren voor hun slaven zorgden zo kan ook Israël voor zijn slaven zorgen en zo moet het dus niet. De zorg voor slaven en slavinnen moet als zorgen voor een gelijke zijn. Daarom wordt hier ook nog even teruggekomen op de rituele maaltijden die zijn voorgeschreven. Die moet je bij het Heiligdom houden. Daar moet je het beste voor reserveren. O ja, je zou het bijna vergeten, daar horen naast je familie en de tempeldienaren dus ook je slaven en slavinnen bij, net als de vreemdelingen die je geholpen hebben. Zo zouden we dus ook vandaag nog onze samenleving moeten inrichten. Van hoog tot laag behandeld worden als gelijken, daar staat pas echt een bonus op, voor iedereen, iedere dag weer opnieuw, ook vandaag.

Reacties

Deuteronomium 15:1-11

1 Elk zevende jaar moet u algemene kwijtschelding verlenen. 2  Dat houdt het volgende in: elke schuldeiser moet iedereen die iets van hem heeft geleend zijn schuld kwijtschelden; hij mag zijn volksgenoot, zijn broeder, niet tot afbetaling dwingen, want de kwijtschelding is afgekondigd in de naam van de HEER. 3  Van een buitenlander mag u wel betaling vorderen, maar wat u van een volksgenoot te goed hebt moet u kwijtschelden. 4  Overigens zal niemand van u in armoede leven, zozeer zal de HEER u zegenen in het land dat hij u in bezit zal geven, 5  tenminste, als u hem gehoorzaamt en de geboden die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig naleeft; 6  dan zal de HEER, uw God, u zeker zegenen, zoals hij beloofd heeft. U zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf hoeft u niet te lenen. U zult over veel volken macht uitoefenen, maar zij niet over u.  7  Zou er in een van de steden in het land dat de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de zak houden, 8  maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft. 9  Wees niet zo berekenend om bij uzelf te denken: Het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, komt eraan-waardoor u zich afsluit voor de ellende van uw volksgenoot en hem met lege handen laat gaan. Als hij dan de HEER zijn nood klaagt om wat u hem hebt aangedaan, zal het u als zonde worden aangerekend. 10  Geef hem dus ruimhartig en zonder spijt, en de HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet en onderneemt. 11  Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is. (NBV)

Het idee dat geloven alles goed maakt en dat je tegenslagen in meevallers veranderen en dat je geen problemen meer tegenkomt wordt door de Bijbel zeer tegengesproken. Er zijn altijd armen en altijd moeten we daarvoor openstaan en daarvoor zorgen. Juist in de richtlijnen die voor het volk van God worden gegeven wordt voor de armen gezorgd. Niet alleen in de oproep om ruimhartig te geven maar ook in de oproep om schulden kwijt te schelden in het zevende jaar. Dat zevende jaar was namelijk een belangrijk jaar. Dan moest de akker rusten en mocht er niet gezaaid en geoogst worden. Er groeit dan nog wel wat vanzelf en daar moest men dan maar van leven. Maar voor de armen zou dat een probleem geven. Die mochten het graan plukken aan de rand van de akker. In het zevende jaar was het maar de vraag of daar wat zou groeien. Door de kwijtschelding werden ze van een last verlost waardoor ze ook dat jaar konden doorkomen en een nieuw begin konden maken. Dat nieuwe begin is ook in onze dagen van groot belang. Mensen met een laag inkomen heel lang in schuldenlast laten maakt dat er steeds meer kapot gaat, kwijtschelding kan dan helpen ook nieuwe schulden te voorkomen.

Er zijn mensen die de regels van het volk Israël ook van toepassing laten zijn op het verkeer tussen landen in de huidige wereldsamenleving. En daar is natuurlijk wel wat voor te zeggen. Israël wordt geschilderd als een voorbeeld voor alle volken. Zoals de God van Israël wil dat het met dat volk gaat zou het met alle volken moeten gaan. En als de volken in de wereld nu eens zouden zien hoe goed het kan gaan met het volk Israël als het doet wat ze met God hebben afgesproken dan gaan alle volken luisteren naar de God van Israël. Want stel eens voor dat er geen armen meer zijn op de wereld. En volgens het deel dat we vandaag lezen hoeven er geen armen in het land te zijn, hoeven er dus geen armen op de wereld te zijn. Omdat we niet altijd willen delen, omdat we de lasten van schulden ook na zeven jaar laten bestaan, omdat we vanuit onze rijkdom zo machtig zijn dat we geen eerlijke prijs betalen voor de producten van de armen, blijven er armen in het land, blijven er arme volken. De regels voor het volk Israël zijn geen regels die je af en toe, als het uitkomt, kan toepassen. De richtlijnen van de God van Israël horen het hart van elke samenleving te zijn.

Nu zijn de voorschriften voor het zevende jaar heel mooi. Maar wat nu in de andere jaren, met name in het jaar voordat het zevende jaar aanbreekt, als de last van de armoede, de last van schulden het zwaarst is. Je kunt dan natuurlijk denken dat men maar even de tanden op elkaar moet zetten, dat de tijd tot het kwijtschelden van schulden niet ver meer is, maar de Bijbel roept op tot iets anders. Juist als de last het zwaarst is en de verlossing nabij dan zullen we de handen uit moeten steken en de armen helpen. Daarom zijn er voedselbanken in ons land die steun nodig hebben. Zij helpen op dit moment de armen door de tijd heen die nodig is om schuldsanering voor elkaar te maken. Daarom zijn de Fair Trade winkels nodig, zodat er ook mensen in arme landen zijn die wel een eerlijke prijs voor hun producten krijgen en wij leren welke prijs we eigenlijk zouden moeten betalen als we rechtvaardig willen handelen. We kunnen de armoede pas opheffen als iedereen en als alle landen de armoede ook echt willen opheffen. Daar lijkt het niet op, wie rijk is krijgt meer moeite met delen naarmate men rijker is, tot men heel erg rijk is. We zullen het delen daarom tot een vaste regel in onze samenleving moeten maken. Zelf delen en anderen daarin meenemen is het begin, ook vandaag weer.

 

Reacties

Deuteronomium 14:22-29

22 Ieder jaar moet u het tiende deel van de opbrengst van uw akkers afdragen. 23  Van de tienden van uw koren, wijn en olie en uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten moet u een feestmaal aanrichten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen. Zo leert u steeds opnieuw te leven in ontzag voor de HEER, uw God. 24  Voor het geval u niet in staat bent om uw tienden en uw offergaven die hele afstand mee te nemen-zeker wanneer de HEER u rijk gezegend heeft-omdat de plaats die hij uitkiest te ver weg is, 25  moet u uw afdracht te gelde maken en met dat geld in een buidel naar de plaats van zijn keuze gaan.26  Daar mag u het uitgeven aan alles wat u maar wilt: runderen, schapen en geiten, wijn en andere drank en wat maar in u opkomt, en daarvan richt u dan, ten overstaan van de HEER, uw God, een feestmaal aan met uw hele familie. 27  En vergeet daarbij de Levieten die bij u in de stad wonen niet, want zij bezitten geen eigen grond zoals u. 28  Elk derde jaar moet u het tiende deel van de opbrengst in zijn geheel afstaan en het opslaan in de stad. 29  De Levieten, die geen grond bezitten zoals u, en de vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de stad wonen, mogen daarvan dan nemen zo veel als ze nodig hebben. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt. (NBV)

In Israël kende men klaarblijkelijk de vlaktaks. Een belasting waarbij iedereen tien procent van de opbrengst moest afdragen. Een mooi bedrag. Toen Hertog Alva dat in de zestiende eeuw namens de Koning van Spanje ook in Nederland wilde introduceren kwam de opstand in de Nederlanden direct in een stroomversnelling. Een tiende deel van ons inkomen reserveren om bij te dragen aan de samenleving? Bekijk het maar. Ook vandaag de dag is het betalen van belasting voor velen een vervelende zaak. Natuurlijk moet er goed onderwijs zijn, een goede gezondheidszorg, een politie die ons beschermd tegen misdadigers, een leger dat ons land beschermd tegen vreemde overheersing een bestuur dat in gemeente, provincie en het land de zaak goed regelt en waterschappen die de dijken onderhouden. Maar er voor betalen? Dat laten we liever aan anderen over en de rijken weten het zo te krijgen dat naar verhouding de armen nog het meeste bijdragen aan het in stand houden van de samenleving.

Maar gaat het in het gedeelte van vandaag eigenlijk wel om een belasting? In het boek Deuteronomium vertelt Mozes hoe het volk het beste kan gehoorzamen aan het gebod van de God van Israël de naaste lief te hebben als zichzelf en daarmee God lief te hebben boven alles. Dat gaat door te delen van wat je hebt. En delen met anderen is een feest. Daarom moet je niet alles oppotten maar elk jaar een tiende van de koren, wijn en de olie afzonderen om er een feestmaal mee aan te richten, Ook de eerstgeboren schapen, geiten en runderen moeten voor dat feestmaal worden bestemd. We hebben al eerder gelezen dat het feestmaal gegeven moet worden bij het heiligdom voor de God van Israël. Als je daar ver vandaan woont dan verkoop je dat tiende deel en de eerstgeboren dieren en koop je van de opbrengst nieuwe in de buurt van het heiligdom. Daar houd je dan het feestmaal met de familie, de levieten, de slaven en slavinnen, de armen en met de vreemdelingen die je hebben geholpen.

Maar de zorg voor hen die niets hebben gaat verder. Je moet een opslagplaats inrichten. En er voor zorgen dat elk derde jaar daar een tiende van de hele opbrengst van je oogst en je fokprogramma terecht komt. Die opslagplaats hoort in de stad waar je bij hoort. En die opbrengst is voor de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. Die vreemdelingen die zetten we hier niet zomaar in, die worden in dit rijtje in de Bijbel voortdurend genoemd. Wat zetten wij voor hen op zij? Die Levieten zijn eigenlijk de bestuurders van nu. Zij zorgen voor het handhaven van het recht. Daarbij mochten ze van niemand afhankelijk zijn en dus bezaten ze niks, geen land, geen oogst. Dan wisten ze gelijk hoe het is arm te zijn en bij geschillen tussen arm en rijk konden ze de juiste, de rechtvaardige, kan kiezen. Onafhankelijkheid van rechtspraak en bestuur is dus een groot goed. Ook wij mogen bij de inrichting van onze samenleving daar wel eens op letten. Dan wordt belasting betalen een feest, voor de rechtvaardige bestuurders, voor de armen, en voor de vreemdelingen die onder ons zijn. Allen mogen de lof zingen van onze God die het ons heeft gegeven en wij mogen weten dat met het betalen van belasting we laten zien dat we God lief hebben boven alles.

 

Reacties

Deuteronomium 14:1-21

1 Omdat u kinderen van de HEER, uw God, bent is het u niet geoorloofd als teken van rouw uw lichaam te kerven of het haar op uw voorhoofd weg te scheren. 2  Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd: u heeft hij uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn. 3  U mag niets eten dat door de HEER wordt verafschuwd. 4  De volgende dieren mag u eten: runderen, schapen, geiten, 5  herten, gazellen, reeën, steenbokken, spiesbokken, antilopen, wilde schapen, 6  en alle andere dieren die gespleten hoeven hebben-dus hoeven die helemaal gedeeld zijn-en bovendien hun voedsel herkauwen. Dat zijn de dieren die u wel mag eten. 7  Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten. Kamelen, hazen en klipdassen zijn herkauwers, maar hebben geen gespleten hoeven; daarom gelden ze voor u als onrein. 8  En zwijnen hebben wel gespleten hoeven, maar herkauwen niet; daarom moet u ook die als onrein beschouwen. Eet geen vlees dat van zulke dieren afkomstig is en raak hun kadavers niet aan. 9  Alles wat in het water leeft en vinnen en schubben heeft mag u eten, 10  maar dieren zonder vinnen of schubben niet; die gelden voor u als onrein. 11  Alle vogelsoorten die rein zijn mag u eten. 12  De volgende vogels mag u niet eten: de vale gier, de lammergier, de zwarte gier, 13  de rode wouw en de verschillende soorten buizerds, 14  alle soorten kraaien en raven, 15  de struisvogel, de velduil, de bosuil, alle soorten valken, 16  de steenuil, de ransuil, de katuil, 17  de dwergooruil, de visarend, de visuil, 18  de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. 19  Ook gevleugelde insecten moet u als onreine dieren beschouwen, die u niet mag eten, 20  met uitzondering van enkele reine soorten. 21  U mag geen vlees eten van dieren die dood gevonden zijn. Laat het aan de vreemdelingen die bij u in de stad wonen, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een volk dat aan de HEER, zijn God, gewijd is. U mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder. (NBV)

We lezen vandaag weer in de Hebreeuwse Bijbel. En we lezen daar wat er was voorgeschreven voor het volk Israël en hoe het met dat volk is gegaan. Maar waarom eigenlijk? Wat we lezen is al heel oud en het gaat over een volk waar wij niet bij horen. En als u als lezer er toevallig wel bij hoort dan leest u hier hoe dat verhaal door een Christelijke bril gelezen wordt. In het begin van het verhaal van vandaag lezen we waarom we zo bezig zijn met dat volk Israël. Via de volgelingen van de Israëliet Jezus van Nazareth hebben we dat verhaal over Israël leren kennen. En dat verhaal over Israël was er niet voor niets. Dat was omdat het volk Israël anders was als alle volken op de aarde. Niet omdat het uit zichzelf zo goed was, het was niet beter of slechter dan andere volken, maar het was uitgekozen door hun God om een voorbeeld te zijn voor alle andere volken.

Dit volk had een aantal regels die het zo anders maakten. Hun God viel niet samen met natuurkrachten. Hun God was ook niet in diergestalten te vangen. Hun God ging alle verstand te boven. De regels die ze hadden gekregen maakten dat duidelijk. Ze hadden 153 van die regels. Die lieten zich samenvatten in "Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf". In het gedeelte dat we vandaag lezen komen 153 dieren voor. Dieren die het volk wel mocht eten en dieren die het volk niet mocht eten. Er is heel lang geprobeerd te begrijpen waarom het ene dier wel en het andere dier niet gegeten mocht worden. De menselijke logica bleek echter ontoereikend om er een verklaring voor te vinden. Tot men ontdekte dat er 153 dieren worden genoemd. Elk dier staat kennelijk voor een regel die de samenvatting van de regels tot leven kan brengen. En bij die regels gaat het ook om wat je wel hoort te doen en wat je niet hoort te doen.

Dat wat duidelijk wordt is dat er een grote eerbied behoort te zijn voor dieren, voor het leven van dieren. Natuurlijk is het slim om dieren die je dood in het wild vindt niet te eten, ze kunnen giftig zijn of bedorven, maar de eerbied komt misschien het nog het duidelijkst naar voren in de laatste regel van het gedeelte van vandaag het geitenbokje dat je niet in de melk van zijn moeder mag koken. Die melk behoort het bokje leven te geven en niet de dood om ons te plezieren. Al die dieren zijn er niet voor ons plezier. Al die dieren zijn er om ons in de gelegenheid te stellen de God van Israël te eren. Allereerst door ze te delen, daar zullen we de komende dagen ongetwijfeld op terug komen. Maar dat voorbeeld kunnen we dus volgen. Eerbied hebben voor het leven van dieren, zorgen dat ze een dierwaardig leven hebben, vrij van hokjes, leed en ellende, en dat ze op een eerbiedwaardige manier aan hun einde komen. Ook het leven van een dier laat ons niet onverschillig. Elk dier dat we eten moeten we als het ware eerst even aankijken of we dat wel mogen willen eten. Daarbij staat de liefde voor de God van Israël voorop, ook vandaag nog, ook voor ons Heidenen.

 

Reacties

Romeinen 16:17-27

17 Ik spoor u aan, broeders en zusters, op te passen voor degenen die tweedracht zaaien en anderen in de weg staan, en die daarmee ingaan tegen alles wat u hebt geleerd. Ga hun uit de weg, 18  want zulke mensen dienen niet Christus, onze Heer, maar alleen hun eigen lusten, en door fraaie en welluidende woorden misleiden ze argeloze mensen. 19  Uw gehoorzaamheid is overal bekend geworden; ik ben dus vol blijdschap over u en zou graag zien dat u de wijsheid hebt om het goede te doen en dat u standhoudt tegen het kwaad. 20  De God van de vrede zal Satan nu spoedig vertrappen en aan u onderwerpen. De genade van onze Heer Jezus zij met u. 21 Timoteüs, mijn medewerker, laat u groeten, evenals Lucius, Jason en Sosipatrus, mijn volksgenoten. 22  Ook ik, Tertius, die deze brief heb opgeschreven, groet u als iemand die in de Heer met u verbonden is. 23  Gajus, die mijn gastheer is en die zijn huis voor de hele gemeente openstelt, laat u groeten. Erastus, die de gelden van de stad beheert, en mijn broeder Quartus laten u groeten. 24 25 Aan hem die bij machte is u kracht te geven, overeenkomstig het evangelie van Jezus Christus dat ik verkondig, overeenkomstig de onthulling van het geheim waarover eeuwenlang gezwegen is, 26  maar dat nu is geopenbaard en op bevel van de eeuwige God door de geschriften van de profeten bij alle volken bekend is geworden om ze tot gehoorzaamheid en geloof te brengen 27  aan hem, de enige, alwijze God, komt de eer toe, door Jezus Christus, tot in eeuwigheid. Amen. (NBV)

Wees gewaarschuwd. Er zijn altijd godsdienstige leiders, voorgangers, praiseleiders die hun opvattingen tot absolute waarheid verheffen. Ze kunnen mooi praten. En het lijkt zo fraai Christelijk, dat je door het bloed van Christus gered bent en dat je de beloning daarvan krijgt in een leven na de dood. Kijk uit zegt Paulus over zulke predikers. Ze misleiden argeloze mensen. Bij hen gaat het niet over het te eten geven van de hongerenden, het laven van de dorstigen, het kleden van de naakten, het bezoeken van de gevangenen en het begraven van de doden. Bij hen gaat het over de offers die gelovigen aan hen moeten brengen. Hoe meer ze geven hoe meer het woord van de voorganger verspreid kan worden.

De waarschuwing tegen het afdwalen van de woorden van Christus klinkt door de hele brief aan de Romeinen heen. Paulus heeft het over het voortdurend en geheel gericht zijn op de liefde van Christus die zich vertaald in de liefde voor de naaste. Liefde voor jezelf of zelfs voor je eigen gemeente is er niet bij. Je vreugde haal je uit de vreugde van mensen die tot hun recht komen, die weer mee kunnen doen aan de samenleving als zelfstandige mensen. Dat lukt niet altijd. Paulus zegt wel duizend keer op een dag dood te gaan om ook duizend keer met Christus op te staan.

Die eigenliefde en het scheppen van een eigen wereldje voeren tot de dood, van jezelf en je gemeenschap gaat niets meer uit dan fraai zingen, geen arme wordt geholpen, geen zieke  verzorgd. Alleen door het navolgen van Jezus in zijn liefde voor het  zwakke brengt weer leven. Paulus maakt ook duidelijk dat hij niet alleen is bij het schrijven van de brief. Het zijn geen woorden van een studeerkamergeleerde. Nee het zijn de opvattingen van de gemeente waar Paulus in verblijft. Die opvattingen heeft hij op al zijn reizen gegeven. Hij was er trots op dat hij in eigen onderhoud voorzag. Hij hoefde niemand naar de mond te praten om zijn maag te vullen. Hij heeft de brief gedicteerd. Hij had een secretaris die het voor hem opschreef maar kennelijk ook zelf een inbreng had, net als al die mensen om hem heen. Laten ook wij met Christus opstaan en zijn liefde voor de naaste verspreiden.

Reacties

Romeinen 16:1-16

1 Ik beveel onze zuster Febe bij u aan, die in dienst staat van de gemeente in Kenchreeën. 2  Ontvang haar in de naam van de Heer, op een wijze die bij de heiligen past. En sta haar bij wanneer ze uw hulp ergens voor nodig heeft, want ze is velen tot steun geweest, ook mij. 3  Groet Prisca en Aquila, mijn medewerkers in de dienst aan Christus Jezus, 4  die voor mij hun leven op het spel hebben gezet. Niet alleen ik ben hun dankbaar, maar ook alle gemeenten van de heidenen. 5  Groet ook de gemeente die bij hen in huis samenkomt. Groet mijn geliefde Epenetus, die als eerste in Asia tot het geloof in Christus is gekomen. 6  Groet Maria, die zich veel moeite voor u heeft getroost. 7  Groet Andronikus en Junia, mijn volksgenoten die met mij in de gevangenis hebben gezeten, die als apostelen veel aanzien genieten en die eerder dan ik één met Christus zijn geworden. 8  Groet mijn geliefde Ampliatus, die in de Heer gelooft. 9  Groet Urbanus, onze medewerker in de dienst aan Christus, en groet mijn geliefde Stachys. 10  Groet Apelles, wiens trouw aan Christus beproefd is. Groet de huisgenoten van Aristobulus. 11  Groet Herodion, mijn volksgenoot. Groet de huisgenoten van Narcissus die in de Heer geloven. 12  Groet Tryfena en Tryfosa, die zich hebben ingespannen voor de dienst aan de Heer. Groet onze geliefde Persis, ook zij heeft zich ingespannen voor de dienst aan de Heer. 13  Groet Rufus, die door de Heer is uitgekozen, en zijn moeder, die ook voor mij een moeder is. 14  Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas en de broeders en zusters die bij hen samenkomen. 15  Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas en alle heiligen die bij hen samenkomen. 16  Groet elkaar met een heilige kus. Alle gemeenten van Christus laten u groeten. (NBV)

Een lange lijst met mensen uit de gemeente in Rome die de groeten moeten hebben van Paulus. Is dat nu een Bijbelse boodschap? Is dit nu het woord van God? Dat je de groeten moet hebben? Om te beginnen leren we er van dat we binnen de gemeente van Jezus van Nazareth om elkaar moeten denken. Verder is die brief aan de Romeinen niet aan een uitverkoren klasse van mensen gericht maar aan gewone mensen die Paulus ontmoet had, waar hij van gehoord had of die hij speciaal wilde aanbevelen op grond van hun werk en belang voor de gemeente. Dat begint al met zuster Febe. In de Nieuwe Bijbelvertaling is ze in dienst van een gemeente, maar volgens alle andere vertalingen was ze ambtsdraagster, diacones, een collega van Stephanus. In de Naardense Bijbel is dat correct vertaald. In die hele lijst die Paulus groet staan overigens opvallend veel vrouwen, zo belangrijk zijn ze en in de dagen van Paulus vervulden ze dus kennelijk ook gewoon kerkelijke ambten, waar mannen ze later van uitgesloten hebben.

Die Febe was niet onbelangrijk volgens het verhaal van de Handelingen. Kenchrea was een havenstad waar Paulus doorheen was getrokken en zijn hoofd had laten kaalscheren op grond van een gelofte. Febe was dus ook getuige van de betrouwbaarheid van Paulus, als hij een belofte deed dan hield hij die ook. Prisca en Aquila had hij vlak daarvoor in Korinthe ontmoet. Zij waren uit Rome verdreven op een Keizerlijk bevel. We hadden al eerder gezien dat Paulus de brief aan de Romeinen heeft geschreven toen de verdreven Joden en Joodse Christenen weer naar Rome hadden mogen terugkeren. Daar hoorden dus ook Prisca en Aquila kennelijk bij. Het gaat te ver om de hele lijst hier te behandelen, we weten ook niet van iedereen wat mee te delen, Maar duidelijk is dat het hier gaat om Joden en Heidenen, mannen en vrouwen, slaven en vrijen, armen en rijken, Grieken en Romeinen, kortom een dwarsdoorsnede uit de gemeente zoals Paulus overal in het Romeinse Rijk gemeenten had gesticht.

In die Christelijke gemeenten waren de etiketten waar wij zo graag onderscheid mee maken verdwenen. Het waren broeders en zusters in Christus en onderscheid werd er niet gemaakt. Natuurlijk de een kon iets anders dan de ander, elk had eigen unieke eigenschappen. Maar Paulus had ze vergeleken met een lichaam. Daar kon de hand ook iets anders dan de voet maar zonder de hand was de voet niks en zonder voet de hand niet. Handicaps moeten altijd gecompenseerd worden en herinneren ons aan de gewenste eenheid tussen mensen met verschillende eigenschappen. Zo is een op het oog saaie lijst met onbekende namen ineens een les geworden waar we ook vandaag uit mogen leven. Samen het goede doen, samen gebruik maken van elkaars verschillende kwaliteiten, want samen aan de nieuwe wereld van God bouwen mogen we elke dag, ook vandaag weer.

 

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl