basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Deuteronomium 4:32-43

32  Ga de hele geschiedenis maar eens na, vanaf de dag dat God de mens op aarde schiep, en doorkruis de hele wereld van het uiterste oosten tot het uiterste westen: is zoiets geweldigs ooit voorgekomen, heeft men ooit iets dergelijks vernomen? 33  Is er ooit een volk geweest dat net als u vanuit een vuur de stem van een god heeft gehoord en dat heeft overleefd? 34  Is er ooit een god geweest die het heeft aangedurfd zich een volk toe te eigenen waarover een ander volk macht uitoefende, en die dat deed met grootse daden, met tekenen en wonderen en felle strijd, met sterke hand en opgeheven arm, en op angstaanjagende wijze-zoals u met eigen ogen de HEER, uw God, in Egypte hebt zien doen? 35  U bent er getuige van geweest opdat u zou beseffen dat de HEER de enige God is; er is geen ander naast hem. 36  Vanuit de hemel heeft hij zijn stem laten horen om u op te voeden, en op aarde heeft hij u dat grote vuur laten zien en vanuit het vuur zijn geboden bekendgemaakt. 37  De HEER heeft uw voorouders liefgehad en hun nageslacht uitgekozen, en hij zelf heeft u met zijn grote macht uit Egypte bevrijd 38  en ter wille van u volken verdreven die groter en machtiger waren dan u, om u hun land binnen te leiden en het u in eigendom te geven, zoals dat nu gebeurt. 39  Wees u er daarom van bewust en laat goed tot u doordringen dat de HEER de enige God is, boven in de hemel en hier beneden op de aarde; een ander is er niet. 40  Houd u altijd aan zijn wetten en geboden, zoals ik ze u vandaag geef. Dan zal het u en uw kinderen goed gaan, en zult u lang mogen leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 41 Toen wees Mozes in het gebied ten oosten van de Jordaan drie steden aan 42  waarheen iemand kon uitwijken die zonder opzet en zonder hem ooit te hebben gehaat een ander had gedood. Zo iemand kon in leven blijven als hij naar een van die steden vluchtte. 43  Voor de stam Ruben was het Beser op het onontgonnen deel van de hoogvlakte, voor Gad Ramot in Gilead, en voor Manasse Golan in Basan. (NBV)

Vandaag lezen we over het geloven in God. Niemand heeft ooit God gezien en toch geloven heel veel mensen in deze God van Israël. Dat is dus niet zo vanzelfsprekend. Want inderdaad heeft niemand ooit deze God gezien. Dat is heel anders met de afgoden. De dure auto's, bijna onbetaalbare jachten, huizen als kastelen, bonussen waar de rest van een bedrijf jaarlijks van betaald zou kunnen worden. We kijken om ons heen en zien de beloningen van de goden van winst en profijt. Je wordt voorgehouden dat het ook voor jou is weggelegd als je maar op 7 dagen in de week wil werken van zonsopgang tot zonsondergang. Dat de hogepriesters van het goede geld zelf drie maal per jaar een super-de-luxe vakantie nemen, die in geen verhouding staan met de tent op de camping in eigen land waartoe de loonslaven zijn veroordeeld wordt er niet bij verteld.

Waarom zouden we dan in de God van Israël geloven?  Mozes begint te vragen om gewoon om je heen te kijken. Is de aarde eigenlijk niet heel erg mooi? Die aarde met al wat daarin is kregen we als een geschenk van God. Dat de goden van winst en profijt ons hebben verleid tot het uitputten van de aarde en er nog steeds op uit zijn om grote delen van de aarde onbewoonbaar te maken maakt dat we dus beter in de God van Israël kunnen gaan geloven. Vervolgens wijst Mozes er op dat die God niet allerlei van boven af gegeven eisen als wetten heeft opgelegd maar een verbond heeft gesloten. Dat nadat die God het volk had bevrijd van de slavernij in Egypte. Tot dat verbond dat wederzijdse vriendschap beloofde hoorde ook de regel dat je echt geen slaaf meer  bent van werken en consumeren. Eén dag  in de week is iedereen vrij, één dag in de week lijkt de aarde al een beetje paradijs.

Die God neemt geen mensen in dienst, die God maakt van mensen geen slaaf. Zelfs als  je iemand gedood hebt krijg je nog een kans om je te beteren. De goden van de wereld maken van het doden van misdadigers graag een feest, of een gewoonte, iets dat je kan overkomen en waar je je nauwelijks tegen kunt verweren. Amnesty International heeft het druk met het opkomen voor mensen die ter dood zijn veroordeeld en die ook ter dood gebracht dreigen te worden. De God van Israël had daarvoor een uitweg gekozen. Elk deel van Israël kreeg een stad waarheen je kon vluchten en waar je onaantastbaar was. In de latere praktijk werd daar ook onderhandeld over een afkoopsom met de familie van het slachtoffer zodat je verder vrij kon leven. De eerste drie vrijsteden waren voor de stammen die het land tussen woestijn en Jordaan gingen bewonen. Als je leeft volgens de richtlijnen van God krijg je er een lang leven voor terug. Waarom zou je niet in die God gaan geloven?

Reacties

Deuteronomium 4:21-31

21  Door uw schuld is de HEER kwaad op mij geworden. Hij zwoer dat ik de Jordaan niet zou oversteken en het goede land niet binnen zou gaan dat hij u als grondgebied zou geven. 22  Ik moet hier sterven, ik zal de Jordaan niet oversteken, maar u mag wel oversteken en het land in bezit nemen. 23  Zorg er dan voor dat u het verbond dat de HEER, uw God, met u heeft gesloten niet vergeet door tegen zijn gebod in iets af te beelden en een godenbeeld te maken. 24  Want de HEER, uw God, is een verterend vuur, hij duldt geen andere goden naast zich. 25  Als u eenmaal in dat land geworteld bent en er kinderen en kleinkinderen hebt gekregen, en u gaat u misdragen door een godenbeeld te maken, een afbeelding van wat dan ook, en u tergt de HEER, uw God, door te doen wat slecht is in zijn ogen 26  ik roep vandaag de hemel en de aarde op als getuigen tegen u, dat u dan spoedig zult worden verdreven uit het land aan de overkant van de Jordaan, dat u in bezit zult nemen. Daar zal u dan geen lang leven beschoren zijn, integendeel, u zult worden weggevaagd. 27  De HEER zal u uiteenjagen en u wegvoeren naar vreemde volken, waar maar een klein aantal van u zal overblijven. 28  Daar zult u dan andere goden vereren, goden van hout en van steen, door mensen gemaakt, goden die niet kunnen horen en zien, niet eten en niet ruiken. 29  Maar ten slotte zult u de HEER, uw God, weer zoeken, en hem ook vinden, als u hem tenminste met hart en ziel zoekt. 30  Wanneer dit alles u overkomt zult u, door de nood gedreven, naar de HEER, uw God, terugkeren en naar hem luisteren. 31  Want de HEER, uw God, is een God van liefde. Hij zal u niet verlaten en u niet in het verderf storten. Wat hij uw voorouders onder ede heeft beloofd, vergeet hij niet. (NBV)

Mozes legt de schuld voor het verbod dat God hem had gegeven om de Jordaan over te steken bij de generatie die Egypte had verlaten en die een gouden kalf had opgericht en te bang voor reuzen was geweest om het land dat God hen wilde  geven ook in bezit te nemen. Het verbod op afgodsbeelden, op de aanbidding van andere goden dan de God van Israël, de God van wie je zelfs de naam niet mag zeggen uit eerbied, moet je onder alle omstandigheden in acht nemen. De generatie waar Mozes het tegen heeft kent de afgodendienst niet. Ze zijn geboren in de woestijn en hebben tenminste 38 jaar door de woestijn gezworven tot hun ouders en grootouders waren overleden. Ze komen straks in een totaal vreemde cultuur waar godenbeelden een hoofdrol spelen.

En het is moeilijk om je daarvan los te maken. Zelfs de meest strenge protestanten kijken graag  naar een Rooms Katholieke processie waarin beelden van zogenaamde heiligen worden rondgedragen, begeleid door priesters in prachtige gewaden, muziekkorpsen en gelovigen die menen scenes uit de Bijbel uit te beelden. Dat er Rooms Katholieken zijn die zelfs knielen als er  een door mensenhanden gemaakt beeld langskomt doet  dan niet ter zake. Het ademt een sfeer van geloof, van een verbondenheid met het hogere en het is gewoon mooi om te zien. Zelfs protestanten gaan soms naar Lourdes om bewonderend te kijken naar de zorg voor de zieken en die de beelden waarvoor geknield wordt en kaarsjes  worden aangestoken maar al te graag vergeten. Dergelijke religieuze uitingen kunnen diepen indruk maken. Het volk Israël zou er in het beloofde land ook kennis mee maken.

Een beeld bij elke akker, op de hoeken van de akkers palen om moeder aarde, Asjeera, gerust te stellen en haar tot vruchtbaarheid te verleiden.  Je zou bijna vergeten dat het goden zijn door mensen gemaakt en die niet kunnen horen en zien, niet eten of ruiken. Branden van wierook voor die beelden, aansteken van kaarsen, altaren met reuk en andere offers zijn allen vergeefs. Zelfs voorspraak bij de God van Israël kun je van  deze afgoden niet verwachten. Die pracht en praal zijn ook in onze dagen verleidelijk. Ooit sloegen de protestanten die  afgoden de kerken uit omdat de onderdrukking door wereldlijke en kerkelijke overheid hen te veel werd. Mozes waarschuwt dat pas in grote nood de gelovigen zich weer iets gaan aantrekken van de God van Israël. Die waarschuwing geldt ook voor ons, laten we voorkomen dat ook wij die crisis moeten doormaken.

Reacties

Deuteronomium 4:5-20

5  Zoals de HEER, mijn God, mij heeft opgedragen, leer ik u wetten en regels waarnaar u moet handelen in het land dat u in bezit zult nemen. 6  Leef ze strikt na, dan toont u wijsheid en inzicht. Alle volken die dat zien en van deze wetten horen, zullen zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’ 7  Want welk volk, hoe groot ook, heeft goden zo dichtbij als wij de HEER, onze God, telkens als wij hem om hulp roepen? 8  En welk volk, hoe groot ook, heeft wetten en regels zo rechtvaardig als het onderricht dat ik u nu geef? 9  Wees gewaarschuwd en neem u zorgvuldig in acht, zodat u nooit vergeet wat u met eigen ogen hebt gezien, maar de herinnering daaraan levendig houdt en alles aan uw kinderen en kleinkinderen doorvertelt. 10  Vertel ze hoe u bij de Horeb voor de HEER, uw God, verscheen, nadat hij tegen mij had gezegd: ‘Roep het volk bijeen, dan maak ik hun mijn geboden bekend. Dan leren ze ontzag voor mij te hebben zolang ze leven, en brengen ze dat ook hun kinderen bij.’ 11  Op die dag kwam u schoorvoetend naar de voet van de berg, waaruit vuur hemelhoog opvlamde, te midden van duisternis en dreigende, donkere wolken. 12  Toen sprak de HEER tot u vanuit het vuur. U hoorde een stem spreken, maar een gedaante zag u niet; er was alleen die stem. 13  Hij maakte de regels van het verbond bekend, de tien geboden. Hij schreef ze op twee stenen platen en eiste dat u zich eraan zou houden. 14  Mij droeg de HEER toen op om u de wetten en regels te leren die u moet nakomen in het land aan de overkant, dat u in bezit zult nemen. 15  Maar aangezien u geen gedaante hebt gezien toen de HEER u op de Horeb vanuit het vuur toesprak, moet u zich zorgvuldig in acht nemen: 16  misdraag u niet door een godenbeeld te maken, een afbeelding van welk wezen dan ook, man of vrouw, 17  of van een dier dat op het land leeft of van de vogels in de lucht, 18  van kruipende dieren of van vissen in het water onder de aarde. 19  En als u omhoog kijkt en de zon, de maan en de sterren ziet, al die lichten aan de hemel, laat u er dan niet toe verleiden daarvoor neer te knielen en te vereren wat de HEER, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd. 20  Want u bent door de HEER uitgekozen en uit de smeltoven van Egypte weggehaald om hem als zijn eigen volk toe te behoren, zoals nu het geval is. (NBV)

De leer van Mozes waarover we uit het boek Deuteronomium hebben gelezen is een verhaal dat aan kinderen en kleinkinderen moet worden doorgegeven. Mozes vertelt het verhaal aan het volk alsof ze er zelf zijn bij geweest. Zo eigen moeten we ons dus de verhalen uit de Bijbel maken. Want van de luisteraars zijn er maar twee die er echt bij waren. Kaleb en Jozua. Alle andere getuigen van hetgeen op de Horeb gebeurde waren inmiddels overleden en ook Mozes zou het beloofde land niet betreden. Er zijn aan het verhaal natuurlijk wel een paar bijzonderheden waar we van kunnen leren. God sloot een verbond met het volk. Wij denken dan gauw dat het gaat om het voor wat hoort wat, maar zo is het niet. De bepalingen van het verbond zijn er maar een paar, 10 stuks worden er meestal geteld. De overige bepalingen uit de Tora, de eerste vijf boeken van de Bijbel zijn de grondslagen voor het volk zelf, als je zo je samenleving inricht wordt het een menselijke samenleving.

Het is een blauwdruk voor het leven in een land waar men nog niet is. Dat betekent dat die verbondsregels algemeen geldend zijn maar dat de regels voor de inrichting van je samenleving in de praktijk best anders kunnen uitvallen maar dat de richting die de regels wijzen maatgevend moet zijn. Jezus van Nazareth zou die regels samenvatten uit twee bepalingen. Eén uit Leviticus en één uit Deuteronomium. Samen vormen ze het beroemde gebod dat Jezus ons gegeven heeft, heb God lief boven alles, en het tweede daaraan gelijk is heb uw naaste lief als uzelf. Wat krijgen we daarvoor terug? In de leer van Mozes is het de bevrijding van angst voor andere mensen en het onbekende. Die eerste generatie woestijnzwervers had het beloofde land niet bereikt omdat ze bang waren voor de reuzen die er waren gezien. De tweede generatie was begonnen met de reuzen die geregeerd hadden in Basan te verslaan en hun 60 steden in de nemen.

Het eerste dat het volk in acht moet nemen is het  verbod op afgoderij. Geen afbeeldingen die je kunt aanbidden, noch van mannen, noch van vrouwen. Zijn die gelijk dan? Volgens de Bijbel wel, beiden zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis en daardoor zijn ze nooit goden of godinnen. De manier waarop wij in de entertainmentindustrie met onze idolen omgaan zou ons aan het denken moeten zetten. Voeren die  idolen op de weg van de God van Israël of geven ze toe aan verleidingen die leiden tot de dood en geven ze daardoor voorbeelden die we niet willen hebben. In onze samenleving lijkt het net of wij niet op elke hoek van de straat een altaar hebben waar afgoden worden gediend. Het volk Israël zou dat uiteindelijk wel doen. Alles waar Mozes tegen waarschuwt zal uiteindelijk leiden tot de ballingschap. Maar hoewel  wij die afgoden niet zo zichtbaar hebben worden ze wel aanbeden. Vooral de goden van winst en profijt. Daar offeren we ons milieu, onze grond en onze landbouw aan op. Daarvoor tolereren we banken die de grootste criminelen van dienst zijn als er maar aan verdiend kan worden. Ook wij worden opgeroepen te stoppen met het aanbidden van deze afgoden.  

Reacties

Deuteronomium 3:23–4:4

23  En ik heb de HEER gesmeekt: 24  ‘HEER, mijn God, u bent begonnen uw dienaar uw grootheid en kracht te tonen. Welke god in de hemel of op aarde kan uw daden en uw macht evenaren? 25  Sta mij toch toe over te steken en dat goede land aan de overkant van de Jordaan te zien, die mooie bergen en de Libanon.’ 26  Maar door uw schuld was de HEER tegen mij in woede ontstoken en hij weigerde naar mij te luisteren. Hij zei: ‘Genoeg, zwijg hier verder over! 27  Beklim de Pisga en kijk vanaf de top uit naar het westen, het noorden, het oosten en het zuiden. Kijk goed om je heen, want je zult de Jordaan niet oversteken. 28  Draag het bevel over aan Jozua en bereid hem voor op zijn taak. Hij zal het volk voorgaan en hun het land in bezit geven dat jij zult zien liggen.’ 29  Zo bleven wij in de vallei, ter hoogte van Bet-Peor. 1 Luister dus, Israël, naar de wetten en de regels waarin ik u onderwijs en kom ze na. Dan blijft u in leven en kunt u het land in bezit nemen dat de HEER, de God van uw voorouders, u zal geven. 2  Voeg niets toe aan wat ik u voorschrijf en doe er niets van af. Houd u aan de geboden die ik u geef; het zijn de geboden van de HEER, uw God. 3  U hebt met eigen ogen gezien wat de HEER in Baäl-Peor heeft gedaan. Iedereen die zich met de Baäl van de Peor had afgegeven, heeft hij uit uw midden weggevaagd. 4  U daarentegen bleef de HEER, uw God, toegedaan en bent nu allemaal nog in leven. (NBV)

Rivieren leveren vruchtbare oevers op. Deze ervaring had het land van Egypte beheerst. Het meest vruchtbare deel ligt dan in de delta waar het meeste water langs stroomt en dus de meeste klei af zet. In die delta had Jacob met zijn zonen en zijn en hun huishouden mogen wonen. En geen wonder dat de overvloed aan klei gebruikt zou gaan worden voor het bakken van stenen. De overvloed aan vruchtbaarheid had voor het volk van Israël geleid tot de slavernij. En nu waren ze bevrijdt van de slavernij en hadden ze zich ontworsteld aan het meest onvruchtbare landschap dat je je kunt voorstellen, de woestijn. Het volk staat op het punt om ook de andere oever te gaan veroveren. Het oversteken van de Jordaan zou betekenen dat Israël een uitermate vruchtbaar land in bezit zou krijgen, een land dat overvloeide van melk en honing.

Mozes erkent dat hij en het volk dat niet zomaar voor elkaar had  gekregen. De God die bij de aanvang van de aarde al de chaos tot mensenland had geschapen heeft dat ook voor het volk Israël gedaan. De woestijn die woest en ledig was werd nu omgevormd tot een tuin waarin overvloed was. Het besef dat er geen andere god, kracht of macht in de wereld was die dit voor elkaar zou kunnen krijgen hernieuwt in Mozes het verlangen met het volk mee in dat vruchtbare land te gaan leven. Maar God had  besloten slechts twee mensen, Kaleb en Jozua, uit te sluiten van de straf die het volk opgelegd kreeg toen zij door angst verlamd het beloofde land niet durfden te veroveren. Ze vertrouwden minder op God dan op hun eigen kracht. En Mozes had ze kennelijk dat Godsvertrouwen onvoldoende bijgebracht. Hij mocht het land zien vanaf de Pisga maar het niet betreden.

Deuteronomium verkent de vraag waarom het volk dat uitermate vruchtbare land, dat God toch met grote stelligheid had beloofd en uiteindelijk gegeven, weer was kwijtgeraakt en zelfs in ballingschap was gevoerd. Mozes heeft het al meegemaakt, hij hield zich niet aan het blinde vertrouwen dat deze God vraagt. Onbevreesd mag je die God volgen. Dat was voor het volk het belangrijkste dat Mozes hen had geleerd. Die leer van Mozes zouden ze moeten houden, nauwkeurig moeten bestuderen en er niets aan afdoen of er aan toevoegen. De generatie die de leer die Mozes had gegeven ter discussie had gesteld was veroordeeld tot het kwijt raken van het land dat hen was beloofd. Ze waren allemaal gestorven. En zelfs Mozes zou het land kwijt raken. En ook wij lopen die kans. Als wij meer vertrouwen op wapens dan op vrede, als we blijven weigeren onze rijkdom te delen met de armsten in de wereld, dan lopen wij gevaar dat het land te vol wordt en dat de wapens zich tegen ons gaan keren. Leer dus van Mozes en heb de naaste lief als je zelf, elke dag opnieuw.

Reacties

Deuteronomium 3:12-22

12 Wij hebben dat land in bezit genomen, en ik heb het gebied met alle steden vanaf Aroër op de rand van het Arnondal tot halverwege het bergland van Gilead toegewezen aan de stammen Ruben en Gad. 13  De rest van Gilead en heel Basan, het rijk van Og, het hele gebied van Argob, heb ik aan de helft van de stam Manasse toegewezen. (Heel Basan wordt ook wel het land van de Refaïeten genoemd.) 14  Jaïr, een nakomeling van Manasse, veroverde het gebied van Argob tot aan de grens met Gesur en Maächa en noemde Basan de Dorpen van Jaïr, naar zichzelf, en zo heet het tot op de dag van vandaag. 15  Aan Manasses zoon Machir wees ik dus Gilead toe. 16  De stammen Ruben en Gad gaf ik het stuk ten zuiden van Gilead tot aan het Arnondal, vanaf het midden van de Arnon, die een natuurlijke grens vormt, tot aan het dal van de Jabbok, de grens met het land van de Ammonieten. 17  Verder de Jordaanvallei, met de Jordaan als natuurlijke grens, tussen het Meer van Kinneret en de Zoutzee, ofwel de Dode Zee, tot aan de rotskloven van de Pisga aan de oostkant daarvan. 18  Ik heb u toen het volgende opgedragen: ‘De HEER, uw God, heeft u dit land gegeven om het in bezit te nemen. Nu moeten uw weerbare mannen als voorhoede voor uw broeders, het volk van Israël, uit trekken. 19  Alleen uw vrouwen, kinderen en vee-ik weet hoeveel vee u hebt-mogen in de steden blijven die ik u heb toegewezen, 20  totdat de HEER ook uw broeders vrede heeft gegeven en ook zij het land in bezit hebben genomen dat de HEER, uw God, hun geeft aan de overkant van de Jordaan. Pas dan mag ieder van u teruggaan naar zijn eigen grond, die hij van mij heeft gekregen.’ 21 Jozua heb ik toen op het hart gedrukt: ‘Jij hebt met eigen ogen gezien wat de HEER, je God, met die twee koningen heeft gedaan. Precies zo zal de HEER doen met alle vorsten die je na de oversteek zult treffen. 22  Je hoeft niet bang voor hen te zijn, want het is de HEER, je God, zelf die voor jullie strijdt.’ (NBV)

In het verhaal over de verovering van Israël wordt  een onderscheid gemaakt tussen de verovering en het in bezit nemen. Mozes vertelt hier dat het land dat verovert werd op Sihon en Barak ook door het volk in bezit werd genomen. En wat doet het volk er vervolgens mee? Mozes laat zien wat de bedoeling is. Het land wordt gedeeld. Onder de stammen en onder de families. De stam Ruben en de stam Gad krijgen voldoende land om zich daar te vestigen. Machir, de zoon van Manasse krijgt het overblijvende deel. Manasse was geen zoon van Jacob maar een kleinzoon. Hij was een zoon van Jozef, de onderkoning van Egypte die het volk van Jacob van de hongerdood had gerecht. Die Jozef had twee zonen, Efraïm en Manasse die elk een stam binnen Israël hadden gevormd. Het nageslacht van Jozef kreeg daarmee meer dan de afstammelingen van de andere broers. Machir krijgt hier al bijna evenveel als Ruben en Gad.

Er staat dat God hen het land heeft gegeven om het in bezit te nemen. Maar het Hebreeuws speelt hier weer eens met woorden. De woorden die hier worden gebruikt kwamen we al tegen in Genesis 2 en 3. Daar wordt de aarde aan Adam gegeven om het in bezit te nemen. Maar dat in bezit nemen betekent ook om te rusten. De aarde moet dus een rustplaats voor de mens worden, een lusthof waarvan genoten kan worden. Natuurlijk genieten van de opbrengst van de aarde. Maar ook al zou de opbrengst achterwege blijven dan blijft er nog genoeg over om van de genieten. In de eerste vier boeken van Mozes kwam zelfs de richtlijn voor om elke zeven jaar het land een jaar rust te geven en te leven van wat er spontaan op groeit. Elke dwang om meer en nog meer te produceren blijft wordt het volk Israël ontnomen. Dat land, en dus ook de opbrengst is bedoeld om te delen. Als dat land dus een rustplaats is geworden voor Ruben, Gad en Machir moeten de weerbare mannen zich verzamelen en onder leiding van Jozua om ook het land aan de overzijde van de Jordaan in bezit te nemen.

Pas als dat is gebeurd dan mogen de mannen van Ruben, Gad en Machir terugkeren naar het land dat hen gegeven is. Vrouwen en kinderen mogen er alvast blijven. Daarom was het ook van belang geweest dat bij de verovering het voedsel niet werd verbrand of vernietigd maar dat ze het voedsel in bezit hadden genomen. Daar kunnen vrouwen en kinderen nu gebruik van maken. Ook hier speelt het delen dus een belangrijke rol. En dan de komende militaire campagne. Dat was tegen die reuzen die de verkenners van de eerste generatie  hadden gezien. Nu er waren al reuzen van de Refaïten verslagen en was hun land in bezit genomen. Angst is dus niet nodig. Ook niet voor ons als wij ons willen inzetten voor gerechtigheid, daar waar mensen ten onder dreigen te gaan aan onderdrukking en geweld. Op dit moment klinkt de roep van de Rohingia. Laten we om gehoor voor hen vragen. 

 

Reacties

Deuteronomium 3:1-11

1 Daarna zijn we verder getrokken, in de richting van Basan. Maar koning Og van Basan trok tegen ons ten strijde. Hij rukte met zijn voltallige leger op naar Edreï. 2  Toen zei de HEER tegen mij: ‘Je hoeft niet bang voor hem te zijn, want ik lever hem aan je uit, met heel zijn leger en zijn land. Doe met hem hetzelfde als wat je gedaan hebt met Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde.’ 3  En zo leverde de HEER, onze God, koning Og van Basan met zijn voltallige leger aan ons uit. We versloegen hem en doodden al de zijnen-niemand van hen bleef in leven. 4  We veroverden al zijn steden, zestig in getal, en bezetten het hele gebied van Argob, het rijk waarover Og in Basan heerste. Er was geen stad die we hem niet afnamen 5  zonder uitzondering steden die met hoge muren en poorten met grendels waren versterkt-, en verder een zeer groot aantal nederzettingen. 6  We doodden alle inwoners, zoals we eerder hadden gedaan bij Sichon, de koning van Chesbon. In elke stad doodden we de mannen, vrouwen en kinderen. 7  Het vee en de goederen van de steden maakten we echter voor onszelf buit. 8  Zo hebben wij toen het gebied aan de oostkant van de Jordaan, vanaf het Arnondal tot aan het Hermongebergte, op die twee Amoritische koningen veroverd. 9  (De inwoners van Sidon noemen de Hermon Sirjon, de Amorieten Senir.) 10  Het omvatte alle steden van de hoogvlakte, heel Gilead en heel Basan tot aan Salka en Edreï toe, kortom, alle steden in het rijk van Og. 11  (Koning Og van Basan was de enig overgebleven afstammeling van de Refaïeten. Zijn bed-te zien in Rabba, de hoofdstad van Ammon-is van ijzer en maar liefst negen el lang en vier breed, gemeten in de gewone el.) (NBV)

De eerste generatie van het volk dat uit Egypte was bevrijdt had verkenners laten sturen naar het beloofde land. Ze hadden daar reuzen gezien en waren zo bang geworden dat ze het land niet in durfden trekken. Het gevolg was dat het volk moest omkeren en nog 38 jaar door de woestijn trokken tot alle mensen van die eerste generatie waren gestorven. Nu stond de tweede generatie voor het beloofde land en de vraag is of er wel reden was om bang voor te zijn. Ze komen uit de woestijn en zullen pas plechtig dat beloofde land binnen te gaan als ze de Jordaan oversteken. Maar aan de woestijnkant liggen nog een paar rijken die willen voorkomen dat ze de Jordaan zullen bereiken. Aan koning Sichon hadden ze vriendelijk gevraagd om door zijn land te mogen trekken maar die had geweigerd. Vervolgens hadden ze zijn leger verslagen en zijn land veroverd.

De Koning van Basan  wachtte niet af tot de woestijnzwervers ook bij hem kwamen vragen om een vreedzame doortocht waar hij ook nog aan had kunnen verdienen. Met heel zijn leger trok hij op tegen de woestijnzwervers. God verzekerde Mozes dat  hij niet bang hoefde te zijn en dat hij de Koning van Basan en zijn leger zou kunnen verslaan en zijn rijk zou kunnen veroveren. Het volk volgde Mozes en inderdaad het leger werd volledig verslagen. Alle steden werden veroverd en van een rijk van Basan bleef niks over, en niemand. Dat is lastig voor ons. Alle mannen, vrouwen en kinderen doden is niet de manier waarom wij met veroverde landen willen omgaan. David had indertijd een beter voorbeeld gegeven. Die had in de door hem veroverde steden een garnizoen gelegerd dat kon voorkomen dat men Israël weer ging belagen. Die politiek had ook succes gehad.

Maar de buit was kennelijk belangrijk. In de woestijn had het volk nog wel kwartels gehad om aan de behoefte aan vlees tegemoet te komen maar nu hadden ze vee. En ze werden rijk want ze namen ook alle goederen uit de 60 steden van Basan mee. Dat doden blijft bij ons hangen. Verzet tegen de God van Israël is kennelijk zo gevaarlijk dat je niet meer jezelf mag  zijn. Aan de andere kant is het vertrouwen op fysieke macht ook niet de weg die je zou moeten gaan. Die Koning Og van Basan was een reus. Zo'n reus  waar de verkenners uit de eerste generatie van het volk zo bang voor geworden waren. Die angst was ten onrechte. Ook na het oversteken van de Jordaan zou het volk niet bang hoeven te zijn voor de reuzen. Voorlopig hadden de woestijnzwervers het hele gebied tussen de woestijn en de Jordaan veroverd. Ook daar zouden een paar stammen een plaats vinden. Wij moeten ons misschien wat minder laten afschrikken door de dreiging met fysiek en economisch geweld maar naar gerechtigheid blijven streven.

Reacties

Deuteronomium 2:26-37

26  Ik stuurde toen vanuit de woestijn van Kedemot gezanten naar koning Sichon van Chesbon met een vredelievende boodschap. Ik vroeg hem: 27  ‘Sta mij toe door uw land te trekken. Ik verzeker u dat ik de hoofdweg zal volgen en er niet van zal afwijken, naar links noch naar rechts.  28  Verkoop me het voedsel dat ik nodig heb en laat me voor mijn drinkwater betalen. Vergun me slechts om te voet uw land door te trekken, 29  zoals Esaus afstammelingen in de Seïr en de Moabieten in Ar me dat hebben toegestaan, tot ik de Jordaan ben overgestoken naar het land dat de HEER, onze God, ons zal geven.’ 30  Maar koning Sichon van Chesbon weigerde ons door zijn land te laten trekken. Want de HEER, uw God, had hem koppig en onverzettelijk gemaakt omdat hij hem aan u wilde uitleveren, wat ook gebeurd is. 31  De HEER zei tegen mij: ‘Ik laat je zegevieren over Sichon en zijn land. Val hem aan en neem zijn land in bezit.’ 32  Sichon trok tegen ons ten strijde. Hij rukte met zijn hele leger op naar Jahas. 33  Maar de HEER, onze God, schonk ons de overwinning. We brachten Sichon en zijn zonen ter dood en versloegen zijn hele leger. 34  We veroverden toen al zijn steden en doodden er de mannen, vrouwen en kinderen; we lieten niemand in leven. 35  Maar het vee en de goederen van de veroverde steden maakten we voor onszelf buit. 36  Vanaf Aroër aan de rand van het Arnondal-vanaf de stad in het dal-tot aan Gilead toe was geen stad voor ons onneembaar; de HEER, onze God, liet ons over dit hele gebied zegevieren. 37  Maar het land van de Ammonieten, het hele stroomgebied rond de bovenloop van de Jabbok en de steden in de bergen, hebben we ongemoeid gelaten, want die gebieden had de HEER, onze God, ons ontzegd. (NBV)

In het verhaal van Deuteronomium komen we steeds dichter bij de intocht in het beloofde land. Er staat nog één volk in de weg. Israël laat zien niet op oorlog en geweld uit te zijn. Alle volken dienen behandeld te worden alsof het broedervolken zijn. Voor woestijnzwervers is er een plechtig protocol om toestemming te vragen het land te mogen doortrekken. Dar loopt vaak uit op een soort vredesverdrag waarbij de woestijnzwervers ook een vergoeding betalen aan het volk waar ze doorheen trekken. Zo stuurt Mozes een groep gezanten naar Koning Sichon van Chesbon. Onderdanig vragen zij toestemming het land door te trekken. Niet zomaar, zonder plan, nee keurig via de hoofdweg zodat het volk er zo min mogelijk last van zal hebben. Ze vragen zelfs om voedsel en drinken tegen betaling. Dat zou de landbouwers van Chesbon toch een aardige meevaller in inkomsten opleveren.

Maar de Koning weigert van zijn overvloed te delen met de woestijnzwervers. Voor het volk Israël is dat maar een rare houding. Met armen en met vreemdelingen die aan je deur kloppen daar deel je toch mee van alles wat je hebt? Niet koning Sichon. Voor ons is dat niet zo raar. Kinderen die hier geboren zijn, of hier meer dan tien jaar zijn opgegroeid worden ook als ze nog geen 12 jaar zijn als  vreemdelingen aangemerkt en gedeporteerd naar landen die ze niet kennen, waar ze de taal niet spreken en waar ze dus geen enkele toekomst hebben. Voor  Israël betekent het dat kennelijk de God van Israël wil laten zien hoe sterk die wel is, zodat andere volken voor Israël zouden sidderen. Het zal dus God zelfs wel zijn die het hart van de Koning heeft verhard. Israël hoeft niet bang te zijn. Mozes is er vast van overtuigd dat ze zullen winnen.

Dat gebeurt dan ook. Niet omdat Israël ten strijde trekt tegen Chesbon maar omdat Koning Sichon zijn leger mobiliseerde en tegen het volk Israël optrok naar Jahas. Zoals ze al verwacht hadden won het volk Israël. En die winst werd duidelijk toen ze de Koning en zijn zonen hadden gedood. Daarmee was het hele leger verslagen. En dan komt er een lastig stuk. Zoiets verwachten we niet. We kunnen eigenlijk niet leven met de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Wij vergeten graag de bombardementen op Rotterdam en Dresden. Het is wat Israël deed met de steden van het volk Chesbon. Geen stad bleef onneembaar. Van steden die geleerd hadden van het verlies bij Jahas is hier geen sprake. Israël werd kennelijk gedwongen om stad voor stad met geweld in de nemen. Dat ze daarbij iedereen gedood hebben willen we eigenlijk niet horen. Het zegt in elke geval dat de overwinning van de woestijnzwervers op de stedelingen volledig is. En dat je geen steden moet bombarderen moet iemand nog eens uitleggen in Saoedi Arabië zodat de mensen in Jemen in vrede kunnen verder leven.

Reacties

Psalm 20

1 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Moge de HEER u antwoorden in dagen van nood en de naam van Jakobs God u beschermen, 3 moge hij hulp zenden uit zijn heiligdom, uit Sion u bijstaan. 4 Moge hij al uw gaven gedenken, uw brandoffers welwillend aanvaarden, sela 5 moge hij geven wat uw hart verlangt, en al uw plannen doen slagen. 6 Laat ons juichen om uw overwinning, het vaandel heffen, in de naam van onze God. Moge de HEER al uw wensen vervullen. 7 Dit weet ik zeker: de HEER schenkt de overwinning aan zijn gezalfde, hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel met de overwinning door zijn machtige hand. 8 Anderen vertrouwen op paarden en wagens, wij op de naam van de HEER, onze God. 9 Anderen buigen en vallen ter aarde, wij richten ons op en houden stand. 10 HEER, schenk de koning de overwinning, antwoord ons wanneer wij u aanroepen. (NBV)

Vandaag een wat bijzondere psalm. Een psalm die je de regering mag toezingen en waar de regering dan op kan antwoorden. De psalm besluit met een gebed tot God dat je ook samen met de regering zou kunnen zingen. Wij hebben het over de regering want onze Koning regeert met instemming van het parlement en de ministers van de Koning zijn dan ook in de eerste plaats verantwoording schuldig aan het parlement. Zelfs voor het gedrag en de uitspraken van de Koning in zijn rol als staatshoofd zijn de ministers verantwoordelijk. Om te voorkomen dat de Koning toch stiekum andere meningen heeft dan de regering kan verantwoorden zijn de ministers ook verantwoordelijk voor de uitlatingen en het gedrag van het gezin van de Koning. Alles wat gezegd wordt moet verantwoord kunnen worden voor het parlement. En uiteindelijk voor ons want wij kiezen dat parlement.

De eerste 6 verzen van deze Psalm zijn een wens die wordt uitgesproken voor de Koning. Een soort begroeting is waarbij God wordt gevraagd de Koning te zegenen. En voor Koning lezen we in onze dagen dus de regering. Die regering regeert niet alleen en niet op grond van hoe de wind waait. De Psalm vraagt God of de Koning mag regeren in naam van God, alsof die God zelf zou regeren. Hoe reageer je als je land wordt bedreigd? In Israël was dat een belangrijke vraag. De Koningen van Israël hadden de neiging om verdragen te sluiten met buurvolken die net zo klein waren als zij. Soms sloten ze ook verdragen met de wereldmachten uit hun dagen. Profeten waren er om de Koningen er op te wijzen dat ze beter konden vertrouwen op de God van Israël en zijn weg gaan. Natuurlijk gaat een Koning regelmatig naar de Tempel om offers te brengen. Dat was natuurlijk een mooie vertoning, daar houden Koningen van. Deze Psalm werd hen dan ook toegezongen door een koor van Priesters en Levieten.

In deze Psalm antwoord de Koning het koor. Hij weet zeker dat hij als gezalfde Koning de overwinning zal behalen. Anderen buigen voor de vijand maar zij vallen ter aarde. En waaraan ontleend die Koning zijn zekerheid? Als het goed is aan de Tora, de leer van Mozes die je in de eerste vijf boeken van de Bijbel tegenkomt. Het hart van die leer is dat je God lief moet hebben boven alles en je naaste als jezelf. Die regel zegt dus ook dat de Koning rechtvaardig is, zijn onderdanen tot hun recht laat komen. Dat hij de weduwe en de wees, de armen, beschermt. Dat hij de vreemdelingen behandelt zoals ook de eigen onderdanen behandelt worden. Hij zorgt voor een eerlijke rechtspraak die voor iedereen toegankelijk zal zijn. Duidelijk zal zijn dat ook onze regering deze Psalm nog wel eens uit het hoofd mag leren. Want de zwaksten in de samenleving zijn bij hen niet veilig. En als je in Nederland geboren kinderen naar voor hen vreemde landen stuurt omdat je vindt dat ze vreemdeling zijn dan heb je van de Tora nog helemaal niks begrepen. Wij moeten dus maar wat vaker op onze manier de regering deze boodschap meegeven.

Reacties

Efeziërs 6:18-24

18  Laat u bij het bidden leiden door de Geest, iedere keer dat u bidt; blijf waakzaam en bid voortdurend voor alle heiligen. 19  Bid ook voor mij, dat mij de juiste woorden gegeven worden wanneer ik verkondig, zodat ik met vrijmoedigheid het mysterie mag openbaren van het evangelie 20  waarvan ik gezant ben, ook in de gevangenis. Bid dat ik daarbij zo vrijmoedig spreek als nodig is. 21  Opdat ook u weet hoe ik het maak, zal Tychikus, onze geliefde broeder, die zo trouw de Heer dient, u alles vertellen. 22  Juist met dit doel stuur ik hem naar u toe, om u over onze omstandigheden in te lichten en om u moed in te spreken. 23  Vrede zij met de broeders en zusters, en liefde en geloof, van God, de Vader, en van Jezus Christus, de Heer. 24  Genade en onvergankelijkheid zij met allen die onze Heer Jezus Christus liefhebben. (NBV)

Er worden tijdens een storm heel wat schietgebedjes gebeden. Nood leert bidden zegt immers het spreekwoord. Maar bidden roept bij veel mensen ook veel vragen op. Natuurlijk, mensen die rare verhalen houden over ene Jezus die in je hart moet wonen en in je leven moet worden toegelaten roepen daarbij dat je op je knielen moet en dat alles je dan gegeven zal worden. Maar als we bij Paulus lezen over bidden krijgen we toch een heel andere indruk. Paulus schrijft deze brief toch zeker nadat hij zich actief was gaan inzetten voor de beweging die Jezus van Nazareth en zijn volgelingen op gang hadden gebracht. Hij had een groot deel van de toenmalige wereld rondgereisd en overal mensen actief gemaakt voor die beweging. Zelf was hij daardoor uiteindelijk in de gevangenis geraakt. Deze brief, en dat kunnen we nu hier weer eens lezen, werd vanuit de gevangenis geschreven.

Als alles je gegeven wordt als je op je knielen valt dan zou die Paulus een ongelovige moeten zijn geweest. Niets is minder waar. Je krijgt dus niet alles. Zelfs een Paulus, die vele gemeenten van Christenen heeft gesticht, blijft onzeker over het vinden van de juiste woorden om de mensen mee te krijgen. Blijft onzeker over de angst die je in gevangenschap kan overvallen en je vrijmoedigheid om tegen een boze overheid het goede te blijven verkondigen kan verminderen. Paulus bid dus niet tot God maar tot de lezers om voor hem brieven te schrijven zoals wij dat vandaag de dag via Amnesty International doen. Aan gevangenen ter bemoediging en aan de overheden om hen vrij te krijgen. Bidden bij Paulus is altijd je inzetten voor een ander. Soms moet je je in stilte terugtrekken om nieuwe wegen of nieuwe woorden te vinden om de ander te helpen, te bevrijden, maar de Liefde voor de naaste staat altijd centraal.

Voor jezelf is brood voor een dag genoeg. “Geef ons heden ons dagelijks brood” Zo immers had Jezus van Nazareth ook het bidden voorgedaan. En daarbij gaat het Onze Vader terug op de tocht van het volk Israël in de woestijn. Daar was geen brood. Het ongezuurde brood dat ze nog in Egypte hadden gebakken en dat ongezuurd was om bederf te voorkomen was op een goede dag op geweest. God zond toen manna, een merkwaardige korrel die ze konden rapen en als brood bakken. Maar het was maar een dag houdbaar, het dagelijks brood dus. Daar vragen we nog steeds om, elke dag opnieuw. Dat moet ons ook doen beseffen dat alles wat we hebben van God is gekregen. Meestal krijgen we wat meer om uit te delen en met het uitdelen Gods naam groot maken. Paulus stond niet alleen. Hij kon de Turk Tychikus sturen om brieven te brengen. Deze verder onbekende helper van Paulus wordt in de Bijbel een paar maal genoemd als steun in de Romeinse gevangenis en bezorger van de daar geschreven brieven. Een troost voor ons te weten dat ook het meest eenvoudige werk, delen van je brood, brieven schrijven voor Amnesty, toch belangrijke sporen nalaat.

Reacties

Efeziërs 6:10-17

10 Ten slotte, zoek uw kracht in de Heer, in de kracht van zijn macht. 11  Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. 12  Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen. 13  Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden. 14  Houd stand, met de waarheid als gordel om uw heupen, de gerechtigheid als harnas om uw borst, 15  de inzet voor het evangelie van de vrede als sandalen aan uw voeten, 16  en draag bovenal het geloof als schild waarmee u alle brandende pijlen van hem die het kwaad zelf is kunt doven. 17  Draag als helm de verlossing en als zwaard de Geest, dat wil zeggen Gods woorden. (NBV)

Paulus zegt dat de strijd is gericht tegen hemelse vorsten, tegen kwade geesten in hemelsferen. Bestaan die dan? Volgelingen van Jomanda, Char of andere zogenaamde geestelijke leidslieden zullen direct roepen van wel. Nou dan is duidelijk waar de strijd tegen gericht is. Tegen het zich beroepen op geestelijke, of hemelse opdrachten. Die zijn er niet. Er zijn geen mensen die meer hemelse of geestelijke mogelijkheden hebben dan anderen. We hebben allemaal dezelfde mogelijkheden en dezelfde opdracht. Die opdracht is de naaste lief te hebben als onszelf, de mogelijkheid is daar elke dag, ja elk moment weer opnieuw mee te kunnen beginnen, Iedere keer weer dwalen we daarvan af en zoeken we ons heil in de kosmos, of de balans, of de spirituele wereld, de geestenwereld, of in de stilte in onszelf, maar iedere keer weer ontdekken we dat ons heil te vinden is in de liefde voor onze naaste. Daarom hebben we die wapens nodig om weerstand te bieden op de dag van het kwaad, om stand te houden.

Gerechtigheid is het harnas, is het instralen van water gerechtigheid of waarheid? Voert het zogenaamde contact met overledenen tot vrede op aarde? Welnee interessant doen voor nabestaanden die iets bijzonders willen hebben meegemaakt en klinkende munt voor het medium. Inzet voor het evangelie van de vrede, de blijde boodschap die zegt dat vrede in onze grote steden, vrede in Irak en Syrië, vrede tussen Christendom en Islam, vrede tussen armen en rijken allemaal mogelijk is als we het samen op kunnen brengen van mensen te houden en iedereen mee te laten doen aan onze samenleving. Het geloof daarin dooft alles wat ons daarvan afbrengt, het branden van kaarsjes, het achterna lopen van heiligenbeelden, het terugtrekken in stille kloosters. Al die zogenaamde religieuze of spirituele zaken maken ons dienstbaar aan zelfbenoemde heren terwijl we zouden moeten werken voor eerlijke handelsverhoudingen, voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen, voor gelijke kansen voor allochtonen en autochtonen, voor een rechtvaardige verdeling van inkomen en goederen in onze samenleving en desnoods voor de voedselbanken zolang die nodig zijn.

Wij kunnen ons in groepen terugtrekken om brieven te schrijven voor Amnesty International. Hoe meer mensen we meekrijgen in die messiaanse beweging hoe eerder de Bevrijding aanbreekt. Wij kunnen vrijwilligers werk doen bij voedselbanken of Fair Tradewinkels. We  kunnen de vredesbeweging steunen met petities. We kunnen vragen om een menselijk kinderpardon. Er is zoveel te doen, het is haast te veel om op te noemen. Maar het begint in eigen huis. Het begint met het voorbeeld te willen zijn voor buren, voor je kinderen, voor je collega’s op het werk als je dat hebt. Het gaat verder in eigen buurt, in eigen stad of dorp, in de politiek van de eigen gemeente. Paulus wordt bijna lyrisch als hij het heeft over de kracht die het geloof in de komst van die geheel andere wereld kan geven. Als je er van overtuigd bent dat vrede echt op aarde kan uitbreken, als je echt gelooft dat de verschillen tussen arm en rijk kunnen verdwijnen, dat ook de allerarmsten een eerlijk inkomen kunnen verdienen. Als je echt gelooft in de komst van een samenleving waarin ieder mens meetelt en er voor zieken en gehandicapten, voor ouderen en bejaarden net zo gezorgd wordt als voor gezonden. Dan heb je het harnas aan waar Paulus het over heeft, dan houdt niets je meer tegen en kun je het oneindig lang volhouden. En je kunt er elke dag mee beginnen dat is misschien nog het mooiste.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl