basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Ezechiël 21:1-12

1 Weer richtte de HEER zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik naar het zuiden, klaag het aan en profeteer tegen het struikgewas daar. 3 Zeg: “Luister naar de woorden van de HEER ! Dit zegt God, de HEER: Ik steek je in brand, en het vuur zal al het levende en dorre hout verteren. De laaiende vlam zal niet doven, alle gezichten, in noord en zuid, zullen erdoor worden verschroeid, 4 en alles wat leeft zal weten dat ik die vlam heb aangestoken. Het vuur zal niet doven!”’ 5 Ik antwoordde: ‘Ach HEER, mijn God, zullen ze dan niet zeggen: “Hij spreekt in raadselen, die man!”’ 6 De HEER richtte zich tot mij: 7 ‘Mensenkind, richt je blik op Jeruzalem en klaag de heiligdommen aan, profeteer tegen het land van Israël. 8 Zeg: “Dit zegt de HEER: Ik keer me tegen je, ik trek mijn zwaard uit de schede en ik zal je inwoners uitroeien, de schuldigen en de onschuldigen. 9 Van het zuiden tot het noorden roei ik iedereen uit, de schuldigen en de onschuldigen. Daarom laat ik mijn zwaard uit de schede komen, 10 en alles wat leeft zal weten dat ik, de HEER, mijn zwaard getrokken heb! Het keert niet meer in de schede terug.” 11 En jij, mensenkind, kerm! Kerm van verdriet waar zij bij zijn, kerm als een gebroken man. 12 Als ze je dan vragen: “Waarom kerm je zo?” zeg dan: “Er gaat een onheilsboodschap rond! De angst zal alle mensen om het hart slaan, hun armen zullen slap langs hun lichaam hangen, ze worden wanhopig, het water loopt hun langs de benen. Het komt, het zal gebeuren! zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV)

In het zuidelijk gedeelte van het land Israël ligt de Negev woestijn. In oude dagen was dat het zuidelijk gedeelte van Juda, het Zuidrijk met als hoofdstad Jeruzalem. Tegenwoordig is door bevloeiing en irrigatie een groot deel van Negev weer vruchtbaar gemaakt. Dat het mogelijk was gewassen te verbouwen in de woestijn wisten de Israëli uit hun geschiedenis. Ook de Judeeërs en na hen de Nabateërs hadden het dorre Zuidland omgetoverd tot een vruchtbaar gebied. De woestijn had inderdaad gebloeid als een roos. Maar Juda had zich afgekeerd van de God van Israël en de grond was weer verdord en het struikgewas was opgeschoten. In de ballingschap krijgt de profeet Ezechiël de opdracht de ballingen uit Juda duidelijk te maken hoe het zal gaan met hun land. Dat zal dus niet goed aflopen. De hele dorre boel zal in brand vliegen. Het vuur van de God van Israël zal de eens zo vruchtbare woestijn weer tot woestijn maken met vuur. Dat vuur zal de laatste trots van het volk Israël verteren. Het is hetzelfde vuur als het vuur dat in de dagen van Elia de altaren van de Baäl op de Karmel verteerde en het offer dat Elia had gebracht aanstak. Zo zal het volk weten dat het vuur dat hun struikgewas vernietigt en de dorre boel van de verwaarloosde woestijn opruimt van de God van Israël zelf afkomstig is.

Maar zal het volk dan de valse goden afzweren en zich weer richten op de God van Israël? Vergeet het maar. Tot zijn verbijstering komt de profeet tot het inzicht dat die rampen het volk helemaal niet tot inkeer brengen. Zelfs in de ballingschap is er nog de neiging zich maar aan te passen aan de afgodendienst van Babel. Het leger van Babel zal daarom nog eens optrekken. Zij hebben tot doel ook het laatste aan opbrengst uit het land buit te maken. Voor Ezechiël is het een teken dat de God van Israël met het zwaard opruiming laat houden in een hardnekkig volk dat keer op keer afgoden vereerd. Alle heiligdommen die er gevonden worden in Juda zullen daarom vernietigd worden. En zoals de regen neerdaalt op de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen zo zal het zwaard ook de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen treffen. Allen zullen getroffen worden.  Een boodschap die door de eeuwen heen veel vragen heeft opgeroepen. Elders in de Bijbel  belooft God immers dat de rechtvaardigen gespaard zullen blijven en nu komen ze net zo om door het zwaard als de onrechtvaardigen. Ezechiël ziet de realiteit van alle oorlogen.

Altijd zijn er onschuldigen die er ook het slachtoffer van worden. Altijd zullen die onschuldigen onze eerste aandacht moeten trekken. Altijd zullen die onschuldigen de reden moeten zijn om geen oorlog te voeren, om wapens in de wereld om te smeden tot ploegscharen. De Bijbel geeft hier geen antwoord op de vraag waarom ook de onschuldigen slachtoffer moeten worden van de slachtpartij die het leger van Babel zal aanrichten. Wij hebben in onze dagen ook niet het antwoord op de vraag waarom IS kon ontstaan en waarom er geen andere weg lijkt te zijn dan bommen te gooien. Eigenlijk is er ook maar één antwoord: "Gij zult niet doden" Elk wapen dat geproduceerd wordt, elk wapen dat verhandeld wordt draagt bij aan de dood van onschuldigen. Niet alleen het bezit van wapens zal daarom moeten uitsterven maar ook de handel in wapens en de productie er van. Zo ver zijn we nog niet, wapenbeurzen vinden zelfs in onze steden plaats, openlijk en met toestemming van de overheid. Daar kunnen we ook tegen ageren, daar zullen we ons misschien ook wel tegen moeten verzetten, elke  dag weer.

Reacties

Ezechiël 20:39-44

39  Luister, volk van Israël! Dit zegt God, de HEER: Loop maar achter je afgoden aan, ga daar rustig mee door als jullie niet naar mij willen luisteren, maar mijn heilige naam zullen jullie niet langer met je offers en afgoden ontwijden. 40  Want alleen op mijn heilige berg, op de verheven berg van Israël-spreekt God, de HEER mag het volk van Israël mij dienen, iedereen, uit het hele land. Daar zal jullie gedrag mij met vreugde vervullen. De kostbaarste offers, het beste wat jullie te geven hebben, moet aan mij worden gewijd. 41  Wanneer ik jullie heb weggeleid bij de volken waartussen jullie nu leven, zullen jullie mij als een geurig offer met vreugde vervullen. Ik zal jullie bij elkaar brengen vanuit de landen waarover jullie nu verstrooid zijn, en zo de volken laten zien dat ik heilig ben. 42  Als ik jullie naar je land breng, het land dat ik onder ede aan je voorouders beloofd had, zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben. 43  Daar zullen jullie denken aan de daden waarmee je jezelf onrein hebt gemaakt. Jullie zullen van jezelf walgen vanwege al het kwaad dat jullie hebben gedaan. 44  En dan, volk van Israël, als ik met jullie doe wat past bij mijn naam en niet wat bij jullie slechte en verderfelijke daden past, zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben-zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV)

De kritiek van God op zijn volk lijkt zich vooral te concentreren op het voormalige Noordrijk Israël. Die Heilige Berg staat immers in Jeruzalem, het is de berg Sion waar de Tempel stond. Toen het rijk van David en Salomo zich splitste in een Noordrijk en een Zuidrijk had de Koning van het Noordrijk twee tempels laten bouwen waar het volk van het Noordrijk aan de God van Israël kon offeren. Omdat hij geen Ark van het Verbond had en omdat in Tempels nu eenmaal beelden van een God behoren te staan had hij twee gouden stierkalveren laten maken die als punt van aanbidding van de God van Israël moesten dienen. Het was een afgodendienst die de mensen rond de Tempel in Jeruzalem een gruwel was. Ezechiël was opgeleid tot priester van de Tempel in Jeruzalem en hij was zich als geen ander bewust van de werking van de beeldendienst. Die afgoderij had zich overigens ook in het Zuidrijk gevestigd. Tot in Jeruzalem toe waren de beelden van de Baäl en de Asjerapalen verschenen. De kritiek die hier wordt geleverd geldt dus beide rijken. Maar die kritiek bevat ook een lichtpuntje. Er komt kennelijk weer een tijd dat de Tempel herbouwd zal zijn, dat daar weer de God van Israël, de Heilige Israëls wordt aanbeden. Dat moet de oudsten die bij Ezechiël om raad hadden aangeklopt toch moed hebben gegeven.

Ezechiël vertelt de oudsten dat de God van Israël nog steeds van plan is Israël te gebruiken als licht voor de volken. Maar God zal duidelijker onderscheid maken tussen de dienst die Hij verlangt en de dienst die de drekgoden verlangen. Drekgoden is de letterlijke vertaling van de term voor de afgoden die Ezechiël gebruikt. De Statenvertaling heeft dat zeer plastisch overgenomen. De Tempel op de Berg Sion wordt een lichtpunt voor alle volken van de wereld. Het beste van wat mensen te bieden hebben is daarvoor nog niet goed genoeg. Dan pas zal de God van Israël een welgevallen hebben aan zijn volk. De term welgevallen is bijzonder voor Ezechiël, die smijt niet licht met dit soort vrolijke termen. Op nog een andere plaats in dit boek komt deze term voor en ook dan gaat het er om dat de dienst aan de God van Israël op een zuivere manier plaatsvind. Als die nieuwe Tempel klaar is dan is het verleden niet zomaar vergeten en vergeven. Niks zand erover en we beginnen opnieuw alsof er niks gebeurd is. Wij praten vaak gemakkelijk over vergeven. Maar hier wordt duidelijk dat voor de God van Israël vergeven pas kan als het volk duidelijk heeft gemaakt geleerd te hebben van het verleden en op een andere manier met God verder te willen.

Zo wordt het verhaal over het bezoek van de Oudsten aan Ezechiël ook voor ons steeds belangrijker. Ook wij willen graag raad van de God van Israël over wat we moeten doen. Het antwoord er op staat in de Bijbel, daar wordt het verhaal verteld over onderdrukking en bevrijding, over een God die zorgt voor de minsten, die bij de zwakken is en over de afgoden die er voor de rijken zijn, die je zelf moet maken, de hypes die je gevangen kunnen houden. Slaaf zijn van die goden is een lastering voor de God van Israël, alsof bevrijding niet mogelijk is. Daar licht ook dat grote belang dat aan de Sabbat wordt gehecht. Pas één dag in de week waarop iedereen het werk staakt maakt dat de bevrijding van de goden van winst en profijt zichtbaar wordt. Daarmee wordt ook zichtbaar dat de samenleving bezig is zich in te richten zoals de richtlijnen voor de menselijke samenleving van de God van Israël, zoals de Tora, aangeeft. Misschien moeten we wel stakingen gaan uitroepen als de vrije zondag onder invloed van de afgodendienaars helemaal uit onze samenleving verdwenen is. Niet om God te dienen, maar om de zwaksten te bevrijden uit de slavernij, het geldt nog steeds de arbeid te bevrijden. Elke dag mogen we weer opnieuw met die Tora beginnen. Ook vandaag weer.

Reacties

Ezechiël 20:27-38

27 ¶  Spreek daarom opnieuw tegen het volk van Israël, mensenkind, zeg hun: “Dit zegt God, de HEER: Jullie voorouders hebben mij ook verder nog met hun ontrouw bespot. 28  Ik bracht hen naar het land dat ik hun onder ede beloofd had, maar bij elke heuvel en bij iedere schaduwrijke boom die ze zagen, offerden ze hun vee en krenkten ze mij met hun offers. Daar brachten ze hun geurige reukoffers en daar plengden ze hun wijnoffers. 29  Ik vroeg: ‘Wat is dat toch voor plek waar jullie heen gaan om te offeren?’ Sinds die tijd wordt zo’n plek offerhoogte genoemd.” 30  Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Is het niet zo dat jullie jezelf nog altijd onrein maken, net zoals jullie voorouders deden? En plegen jullie niet tot op de dag van vandaag overspel met hun afschuwelijke goden? 31  Maken jullie jezelf niet nog altijd onrein met jullie offergaven, door je eigen kinderen als offer te verbranden en afgoden te vereren? En moet ik mij dan door jullie laten raadplegen, volk van Israël? Zo waar ik leef, ik zal mij beslist niet door jullie laten raadplegen! 32  Wat jullie willen, zal zeker niet gebeuren. Jullie denken dat je kunt worden als de volken die in andere landen wonen en goden van hout en steen vereren! 33 ¶  Zo waar ik leef-spreekt God, de HEER -,ik zal jullie koning zijn, een koning die met sterke hand en opgeheven arm zijn toorn over jullie uitstort. 34  Uit de landen waarover jullie verstrooid zijn, uit de volken waartussen jullie wonen, zal ik je bijeenbrengen en wegvoeren, met sterke hand en opgeheven arm. Ik zal mijn toorn over jullie uitstorten 35  en je de woestijn van de volken injagen. Daar zullen jullie oog in oog met mij komen te staan en zal ik jullie aanklagen. 36  Zoals ik jullie voorouders in de woestijn van Egypte heb aangeklaagd, zo zal ik ook jullie aanklagen-spreekt God, de HEER. 37  Ik zal je onder mijn herdersstaf dwingen en je houden aan de verplichtingen van ons verbond. 38  Wie tegen mij in opstand komen en rebelleren, zal ik scheiden van de anderen: ik zal hen wegleiden uit hun ballingschap, maar niet om hen naar hun eigen land terug te brengen. Jullie zullen weten dat ik de HEER ben. (NBV)

Er zijn profeten die de terugkeer uit de ballingschap als een feest hebben beschreven. Dan zal het gebeuren dat Jeruzalem weer wordt opgebouwd. Een stad met twaalf poorten, twaalf plaatsen waar recht wordt gesproken, waar iedereen tot zijn of haar recht kan komen. In midden in die stad, op de berg Sion staat dan de Tempel van de God van Israël. Niet een Tempel met een beeld van die God, niet met altaren waarop je het eten kunt klaarmaken dat die God in leven houdt. Maar met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, de levensleer die iedereen vrede en recht garandeert, die duidelijk maakt dat er voor alle mensen op aarde voldoende is en waar iedereen kan oefenen in het delen dat nodig is om iedereen tot zijn of haar recht te komen. Er wordt een feest geschetst waar iedereen op aarde wel aan mee zou willen doen en het eind van het visioen van profeten als Jesaja is dan ook dat alle volken zich wenden tot Jeruzalem en ook hun samenleving gaan inrichten zoals in de richtlijnen uit de Tempel staat beschreven.

De feestdagen die het volk Israël in Jeruzalem en rond de Tempel kunnen vieren laten alvast zien hoe het zou zijn als alle volken op aarde mee zouden willen doen. Elke week wordt het werk gestaakt, elke week laat het volk zien blind en onvoorwaardelijk te vertrouwen op hun Koning, de God van Israël en geen slaaf te zijn van welke macht of kracht op aarde dan ook. Maar Ezechiël bouwt realiteit in zijn visioen in. De harde werkelijkheid die het volk in haar geschiedenis heeft moeten leren. Ze waren in een land net als andere volken. En in plaats van een volk te worden waar andere volken zich aan zouden gaan spiegelen spiegelden ze zichzelf aan andere volken. Bij elke  oude boom en elke heuvel in het veld gingen ze offeren, aan vreemde goden, aan goden die zich zichzelf maakten van hout, zilver en goud. Soms vertelden ze verhalen bij de hopen steen die ze tegenkwamen, verhalen over de geschiedenis die het volk en haar voorvaderen hadden gehad met de God van Israël. En dan gingen ze bij die steenhopen offeren, de richtlijnen voor de menselijke samenleving speelden geen rol meer.

Zo zou het niet nog een keer gaan, sprak Ezechiël in de Naam van zijn God. Uit de woestijn van de volken zou het volk weer verzameld worden staat er letterlijk. In die woestijn moesten ze dus eerst leren wat het echt betekent als je de God van Israël wil vereren. Dat heeft niet veel te maken met fraaie godsdienstigheid, niets met fraaie kleding, met mooie liederen, met geheven handen, met praise of worship. Dat heeft te maken met recht en gerechtigheid, met vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Dat zal dat nieuw gevormde volk moeten laten zien, daar zal dat nieuw gevormde volk ook op afgerekend worden, daar mogen ze voor of tegen kiezen. Maar alleen zij die echt mee willen doen zijn thuis in dat beloofde land. Alleen als je een menselijke samenleving inricht volgens de Tora, de richtlijnen van de God van Israël dan zal je land overstromen van melk en honing. Dan is natuurlijk ook zo voor de Heidenen die zich via Jezus van Nazareth hebben aangesloten bij die beweging voor een aarde voor de mensen. Ook wij zullen onze samenleving moeten inrichten volgens die richtlijnen. Het lijkt er nog lang niet op. Wij kopen liever wapens dan dat we zorg verlenen aan ouderen, zieken en gehandicapten, wij sluiten onze grenzen voor vreemdelingen in plaats van ze op te nemen en te behandelen als onze eigen burgers. Maar ook wij kunnen uit deze woestijn optrekken naar het beloofde land, we kunnen vandaag nog op weg gaan.

Reacties

Ezechiël 20:13-26

13  Maar ook in de woestijn was het volk van Israël opstandig. Ze hielden zich niet aan mijn wetten en negeerden mijn regels, die leven brengen aan iedereen die zich eraan houdt, en hielden de sabbat niet in ere. Daarom wilde ik daar in de woestijn mijn woede over hen uitstorten en hen vernietigen. 14  Ik deed het niet, want ik wilde mijn naam niet ontwijden bij de volken die hadden gezien hoe ik hen had weggeleid. 15  Wel zwoer ik in de woestijn de eed dat ik hen niet naar het land zou brengen dat ik hun geven wilde, een land dat overvloeit van melk en honing, de parel onder de landen van de wereld. 16  Ze leefden immers niet naar mijn voorschriften, ze negeerden mijn wetten en hielden zich niet aan de sabbat: hun hart ging uit naar hun afgoden. 17  Toch richtte ik het volk niet te gronde, daar in de woestijn, ik vernietigde het niet, want ik had medelijden met hen. 18  Ik zei daar tegen hun kinderen dat ze niet moesten leven volgens de wetten en regels van hun ouders, en zich niet moesten inlaten met hun afgoden: 19  ‘Ik, de HEER, ben jullie God: onderhoud mijn wetten en regels, en leef ze na. 20  Houd de sabbat in ere; dat zal voor jullie en mij het teken zijn waaraan te zien is dat ik, de HEER, jullie God ben.’ 21  Maar ook hun kinderen gedroegen zich opstandig. Ze hielden zich niet aan mijn wetten en regels, die leven brengen aan iedereen die zich eraan houdt; ze volgden ze niet op. Ze hielden de sabbat niet in ere, en daarom wilde ik daar in de woestijn mijn toorn over hen uitstorten en mijn woede op hen koelen. 22  Ik zag daarvan af, omdat ik mijn naam niet wilde ontwijden bij de volken die hadden gezien hoe ik hen had weggeleid. 23  Wel zwoer ik in de woestijn dat ik hen zou verspreiden onder vreemde volken en verstrooien in verre landen, 24  omdat ze mijn regels en wetten negeerden en zich niet aan de sabbat hielden, maar de afgoden van hun ouders aanbaden. 25  Ik gaf hun zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. 26  Met hun eigen offergaven maakte ik hen onrein, hun eerstgeboren kinderen liet ik hen offeren, opdat ze in ontzetting zouden beseffen dat ik de HEER ben.” (NBV)

Het is zo moeilijk om in vrijheid te leven, geen slaaf te worden van welke macht of kracht in de wereld dan ook. De God van Israël had de profeet opgedragen de oudsten die bij hem om raad waren gekomen nog eens de geschiedenis voor te houden. En de profeet doet dat netjes. Over het gouden kalf heeft hij het niet, maar wel over het besluit van de God van Israël dat de generatie die uitgetrokken was uit Egypte het beloofde land niet zou binnentrekken. Hun kinderen zouden dat land beërven. Die wisten niet van slavernij, die konden de samenleving inrichten zoals God dat bedoelt had. Een land maken waar iedereen zou zorgen dat iedereen mee zou kunnen doen, waar gedeeld werd van de oogst, waar recht en gerechtigheid zou heersten en waar geen andere goden zouden worden gediend dan de God van Israël. Maar ze konden de vrijheid niet aan. Ze hadden huisgoden en als het even zo uitkwam de Baäls en Asjeera's van de volken van Kanaän. Ze eigenden zich zilver en goud toe bij de verovering van het land. En ze hielden de Sabbat niet.

Wie oppervlakkig de tekst leest krijgt gemakkelijk de indruk dat de Profeet nog even de reis door de woestijn oplepelt. Maar de oudsten weten wel beter. Zij weten waarom zij in ballingschap moeten leven. Waarom de lieren in de wilgen hangen en ze moeten huilen als ze aan Jeruzalem moeten denken. Samen zullen ze Psalm 137 gezongen hebben. In een oprecht verlangen weer een eigen land te bewonen, een eigen volk te kunnen zijn. Maar ze horen van kinderoffers, ze horen de echo's van de verwijten die profeten als Jeremia en Jesaja hadden gemaakt, de waarschuwingen van Hosea en Micha en al die anderen die in profetenscholen probeerden het geloof van Israël in een wereld van vrede en recht overeind te houden. Maar nog steeds hielden ze de Sabbat niet. In de dagen van de ballingschap werd uiterlijk vertoon belangrijk. Ze moesten de spijswetten weer houden, ook al zou dat betekenen dat ze zoals Daniël en zijn vrienden alleen maar groente konden eten. Ze moesten de Sabbat weer houden, al het werk een hele dag lang staken. In ballingschap was dat echt staken tegen de machthebbers in.

Waarom was dat uiterlijk vertoon zo belangrijk? Konden ze met een uiterlijke religie de genade van de God van Israël verkrijgen? Nee toch? Nee inderdaad niet. Die God had zijn handen afgetrokken van dit volk. Dit volk dat zelfs de meest kwade regels had ingevoerd, het offeren in het vuur van levende kinderen. de Profeet wijst er op dat ook toen de God van Israël het volk had laten gaan. Zelf had het volk tot inkeer moeten komen en beseffen dat de God van Israël zulke offers niet vraagt. Niet gevraagd had van Abraham, al was het voor de aartsvader een harde proef geweest. Maar God had  het ook niet gevraagd van de slaven in Egypte die het bloed van een lam aan de deurposten mochten smeren om te voorkomen dat hun eerstgeborenen de dood vonden. Ze hadden niet geluisterd. En zouden ze nu naar raad luisteren? Ook in onze dagen laten we ons zo gemakkelijk slaaf maken, slaaf van produceren en consumeren. Een zondag als Sabbat voor heel het volk? Ouderwets en religie. Maar de Zondag is er niet voor God, die rust zelf wel, de zondag is er voor de mensen die zich uitputten maar voor een rechtvaardige samenleving, voor delen van wat is toegevallen geen tijd meer hebben. Wij lopen liever de hypes achterna, de goden van klatergoud die vandaag schitteren maar morgen vergeten zijn. De raad die we kunnen krijgen ligt in heel dat verhaal van Israël. Waar ging het goed en waar ging het fout. Wie echt wil ziet hoe het zit en zorgt dat het vandaag nog anders gaat in deze wereld.

Reacties

Ezechiël 20:1-12

1 ¶  In het zevende jaar, op de tiende dag van de vijfde maand, kwam een aantal van de oudsten uit Israël bij mij om de HEER te raadplegen. Toen ze tegenover mij hadden plaatsgenomen,  2  richtte de HEER zich tot mij: 3  ‘Mensenkind, zeg tegen de oudsten van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Komen jullie mij raadplegen? Zo waar ik leef: ik zal me beslist niet door jullie laten raadplegen! spreekt God, de HEER.” 4  Oordeel over hen, mensenkind! Laat hen beseffen welke gruweldaden hun voorouders hebben begaan. 5 ¶  Zeg tegen de oudsten: “Dit zegt God, de HEER: Op de dag dat ik Israël uitkoos, heb ik de nakomelingen van Jakob een plechtige eed gezworen en maakte ik mij in Egypte aan hen bekend met deze woorden: ‘Ik ben de HEER, jullie God.’ 6  Op die dag zwoer ik hun dat ik hen uit Egypte weg zou leiden naar het land dat ik voor hen had uitgezocht, een land dat overvloeit van melk en honing, de parel onder de landen van de wereld. 7  Ik zei tegen hen: ‘Ontdoe je van de afschuwelijke goden die jullie aanbidden, en verontreinig je niet langer met de afgoden van Egypte. Ik, de HEER, ben jullie God.’ 8  Maar zij waren opstandig en wilden niet naar mij luisteren, ze ontdeden zich niet van de afschuwelijke goden die ze aanbaden, ze verlieten de afgoden van Egypte niet. Dus wilde ik mijn toorn over hen uitstorten, daar in Egypte, en mijn woede op hen koelen. 9  Maar om mijn naam niet te ontwijden in de ogen van de volken waartussen ze leefden, leidde ik hen weg uit Egypte en maakte mij zo aan die volken bekend. 10 ¶  Ik leidde de Israëlieten weg uit Egypte en bracht hen naar de woestijn. 11  Daar gaf ik hun mijn wetten, daar maakte ik hun mijn regels bekend, die leven brengen aan iedereen die zich eraan houdt. 12  Verder gaf ik hun de sabbat als het teken waaraan te zien is dat ik, de HEER, van hen mijn heilig volk heb gemaakt. (NBV)

Zeven jaar heeft Ezechiël de ballingen voorgehouden dat ze anders moeten gaan leven wil die ballingschap ophouden. En dan op een goede dag komen de oudsten van het volk bij Ezechiël om hem raad te vragen. De oudsten van het volk kennen we uit het boek Genesis waar de oudsten van het volk samen met Mozes de berg beklimmen om de richtlijnen van God in ontvangst te nemen waarmee ze hun samenleving in het beloofde land zouden moeten inrichten. Nu komen de oudsten bij de Profeet om het Woord van de God van Israël te horen. Wat ze precies gevraagd hebben weten we niet. Enkele geleerden denken dat ze gevraagd hebben hoe ze de godsdienst van Israël levend konden houden in de ballingschap, maar er staat niets over in het gedeelte dat we vandaag lezen. Ezechiël krijgt wel een boodschap van zijn God. Maar dat is niet een plezierige boodschap. De oudsten zullen geschrokken zijn want de boodschap van Ezechiël klinkt hard: "Zo waar ik leef, ik zal me beslist niet door jullie laten raadplegen" spreekt de Heer. En als er "Heer" staat dan staat in de Hebreeuwse tekst de naam van God die we niet uitpreken.

Gelukkig voor de oudsten, maar ook gelukkig voor ons, legt God bij monde van Ezechiël ook uit waarom er zo'n hard klinkend antwoord komt. Want wil die God van Israël dan niet meer de God van Israël zijn? Is het afgelopen, is de Bijbel uit, kunnen we het boek nu sluiten? Het lijkt er niet op want zelfs Ezechiël houd niet op bij de afwijzing nog langer raad te geven. Ezechiël moet ze van God duidelijk maken welke gruweldaden hun voorouders hebben begaan. We krijgen dus geen raad voor de oudsten te horen maar krijgen een geschiedenisles. Die les begint in Egypte, het land van de dood en van de dodencultus. De afgoden van Egypte waren de goden van de dood die gesmeekt en verleid moesten worden weer leven aan het volk te geven. Ze moesten de Nijl laten stijgen zodat het land bevloeid kon worden en er weer graan en wijn voor de goden kon worden geproduceerd. Daar woonde het volk in slavernij. Om iedereen op de wereld te laten zien hoe het anders kan heeft de God van Israël de slaven bevrijdt en uit de tempels van de slavernij, het diensthuis, geleid, de woestijn in.

Daar kregen ze de regels waarmee ze in vrijheid een samenleving van vrije mensen zouden kunnen inrichten. Met elke zeven dagen een dag waarop niemand hoefde te werken, niemand slavenarbeid zou hoeven te verrichten, geen arbeid om in leven te blijven, geen arbeid voor de goden, geen arbeid voor wat dan ook. De mens is geen slaaf van goden, geen slaaf van arbeid, de mens is vrij. Dat is de betekenis van de Sabbat. Maar ze bouwden liever een gouden kalf om de vruchtbaarheid zeker te stellen. Ze maakten zich slaaf van een afgod en slaaf van altijd maar moeten werken. Door de richtlijnen voor de menselijke samenleving niet te volgen maakten ze een volk, een land dat net is als alle andere volken, net als alle andere landen. Daardoor kwamen ze in ballingschap, daardoor is de lust aan God vergaan om ze nog langer raad te laten geven. Maar die geschiedenisles is dus een raad in zichzelf. Als de voorouders zo gruwelijk gehandeld hebben dan is er geen reden om dat te herhalen. Die richtlijnen van heb uw naaste lief als uzelf en laat zich geen slaaf te zijn van de goden van winst en profijt, hadden die oudsten ook. Sterker nog ook wij hebben die richtlijnen, ook wij kunnen onze samenleving bouwen op liefde en recht, ook wij kunnen die ene dag zonder werk  weer invoeren en handhaven. Wij kunnen beginnen met onze samenleving op die manier in te richten. Dat zal pas echte vrede brengen, dat brengt recht voor de armen, dat zal alle tranen drogen. Tijd om aan het werk te gaan dus.

Reacties

Ezechiël 19:1-14

1 ¶  Zing nu over de vorsten van Israël dit klaaglied: 2  “Eens was je moeder een krachtige leeuwin!  Door leeuwen omringd bracht zij haar welpen groot. 3  Een van haar welpen koos zij uit. Hij werd een sterke leeuw, hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij. 4  De volken hoorden over hem en vingen hem in een valkuil; ze voerden hem met haken mee, tot in Egypte. 5  Toen zij zag dat haar wachten vergeefs en haar hopen zinloos was, koos zij een andere van haar welpen uit. Ook hij werd een sterke leeuw. 6  Trots liep hij rond tussen de leeuwen, hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij. 7  Hij verwoestte hun paleizen, legde elke stad in puin. Als zijn gebrul weerklonk werd het land stil, en huiverde. 8  De volken uit de landen rondom vielen hem aan, ze trokken netten om hem heen en vingen hem in een valkuil. 9  Ze deden hem een halster om en voerden hem met haken mee, in een net sleepten ze hem naar Babel, naar de koning, op de bergen van Israël verstomde zijn gebrul. 10 ¶  Je moeder was een wijnstok, net als jij aan het water geplant, die vruchten droeg en vele takken, want er was water in overvloed. 11  Zijn takken werden sterk, machtig als een heersersstaf, een klom er op tot hoog in de wolken, van verre zichtbaar met zijn vele bladeren. 12  Toen werd de wijnstok in woede uitgerukt  en op de aarde neergeworpen; de oostenwind verschroeide zijn druiven,  zijn takken werden afgerukt en verdroogden, de sterkste werd door het vuur verteerd. 13  Nu staat hij in de woestijn, in een droog en dorstig land.14  Uit zijn stam sloeg het vuur dat zijn twijgen en druiven verteerde, de sterkste tak is weg, zijn heersersstaf heeft hij verloren.”’ (Dit is een klaaglied, en zo wordt het nog steeds gezongen.) (NBV)

Vandaag lezen we een klaaglied dat in het boek van de profeet Ezechiël opduikt. Het zou gemakkelijk zijn om nu een verhaaltje te beginnen over het verdriet dat goede mensen kan overkomen. Op het ene moment gaat het je goed en voel je je sterk en dan veranderen de omstandigheden en raak je alles kwijt en je zou werkelijk niet weten wat je er aan zou moeten doen. Maar dat zou erg gemakkelijk zijn. Dit klaaglied gaat over een volk. Een volk waaruit sterke leiders voortkwamen. Leiders die indruk maakten op andere volken. Zo veel indruk dat die andere volken die leiders onschadelijk kwamen maken. Wij noemen het een klaaglied maar we lopen daarmee de kans de werkelijke betekenis een beetje uit het oog te verliezen. Wij klagen wat af in onze dagen nietwaar. Een klaaglied in de Bijbel is een lied dat gezongen wordt bij een begrafenis, een rouwlied, er is iets of iemand die dierbaar was, die geliefd werd gestorven. Hier is het rijk Juda gestorven. In Genesis 49 wordt Juda al omschreven als een leeuw, een sterke leeuw die wijnstokken bezit. Dat beeld vind je hier terug. Een soort beeld dat ook wij wel kennen want ook wij zingen af en toe dat we de leeuw niet in zijn hempie willen laten staan.

In het lied wordt gezongen over een moeder leeuw die kleine leeuwen groot brengt. Daaruit komen minstens twee sterke leeuwen voort die brullend rondgaan en overal gevreesd worden, iedereen wordt bang van die brulapen. De volken om Juda heen komen dan ook in actie en zo wordt de eerste leeuw naar Egypte gebracht als gevangene. Nogal vernederend zo wordt hier beschreven want een haak door de neus of de bovenlip kennen we niet van de leeuwenjacht maar wel uit de oorlogen waarbij de overwonnen, liefst de overwonnen koning of generaal, met een haak door de neus of de bovenlip achter de strijdwagen van de Koning of de winnende generaal in optocht werd getoond aan het winnende volk. Een pijnlijke vernedering. Bijbelgeleerden zijn dan ook op zoek gegaan naar die koningin-moeder en de twee koningszonen waarover dit rouwlied zou kunnen gaan. In het boek 1 Koningen zou je ze misschien tegen kunnen komen. De vrouw van Koning Josia zorgt er na zijn dood voor dat haar zoon koning wordt en die koning wordt gevangen en naar Egypte gebracht. Ze zorgde er vervolgens voor dat een andere zoon koning werd en die werd naar Babel in ballingschap gebracht.

Maar Ezechiël noemt deze personen niet. En die Koningin-moeder is ook geen wijnstok die aan levend water is gepland zoals het rouwlied zingt, verwijzend naar de Psalmen waar het dan over de rechtvaardigen gaat. En dat juist Ezechiël hier geen namen noemt moet ons te denken geven. Die profeet neemt over het algemeen geen blad voor de mond en noemt volken, stammen, rijken en koningen bij naam en toenaam. Maar hier in dit rouwlied gaat het over volken die dit kan overkomen. Het is een rouwlied en het zal een rouwlied worden staat er als laatste regel. Dat betekent dat ook wij moeten uitkijken. Kennen wij de zogenaamde sterke die zich als brulapen op de borst kloppen en zich beter achten dan wie dan ook? Die niet bekend staan om hun liefde voor de armen, om hun rechtvaardigheid, om de bescherming van de weduwe en de wees. We herkennen ze uit de geschiedenis en uit onze eigen dagen. Altijd weer treden er mensen op als leiders van volken en gemeenschappen die het gelijk onvoorwaardelijk aan hun kant hebben. Ezechiël wijst ons er op dat een dergelijke houding, dat het gebrul en gebral leidt tot de dood, tot de dood van volken en gemeenschappen, tot ballingschap voor de armen en de zwakken. En ballingen, vluchtelingen noemen we ze vandaag, zijn er in overvloed op de wereld. Tijd om niet langer de leeuwen te volgen maar de God van Israël, daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

Reacties

Ezechiël 18:21-32

21 ¶  Wie goddeloos leeft, maar zich afkeert van de zonden die hij heeft begaan, zich houdt aan al mijn geboden, mij trouw is en het goede doet, zal zeker in leven blijven en niet sterven. 22  De misdaden die hij heeft begaan zullen hem niet worden aangerekend; door zijn rechtvaardige daden zal hij in leven blijven. 23  Denken jullie dat ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? spreekt God, de HEER. Nee, ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft. 24  En wie goed heeft geleefd, maar niet langer rechtvaardig is, onrecht doet en alle wandaden begaat van een slecht mens-moet die in leven blijven? Al zijn goede daden zullen niet langer tellen; omdat hij mij ontrouw is geworden en zonden heeft begaan, zal hij sterven. 25  Nu zeggen jullie: “De wegen van de Heer zijn onrechtvaardig!” Maar luister, Israëlieten! Ben ik het die onrechtvaardig is? Gaan júllie niet eerder onrechtvaardige wegen? 26  Iemand die rechtvaardig was maar dat niet langer is en onrecht begaat, sterft omdat hij onrecht heeft begaan. 27  Iemand die goddeloos leefde maar dat niet langer doet, mij trouw is en het goede doet, zal in leven blijven. 28  Als hij tot inzicht en inkeer is gekomen en niet langer misdaden begaat, zal hij zeker blijven leven en niet hoeven sterven. 29  De Israëlieten zeggen: “De wegen van de Heer zijn onrechtvaardig!” Ben ik onrechtvaardig, Israëlieten? Zijn júllie het niet die onrechtvaardig zijn? 30 ¶  Ik zal iedereen beoordelen naar de weg die hij gegaan is-spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer, bega geen misdaden meer, anders brengt jullie schuld je ten val. 31  Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Dan hoeven jullie niet te sterven, Israëlieten! 32  Want de dood van een mens geeft me geen vreugde-spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer en leef!  (NBV)

Het is glashelder wat Ezechiël ons voorhoudt. Doe het goede of val dood. Iedereen die het goede doet zal leven en iedereen die het kwade doet kan doodvallen. En als je het kwade hebt gedaan en je hebt berouw en je wilt voortaan het goede doen? Dan kies je voor het leven en dan zal je leven. En als je altijd het goede hebt gedaan maar dat geef je op en je leeft voortaan alleen voor jezelf? Dan kun je doodvallen, dan ben je voor de gemeenschap, dus ook voor de gemeenschap van God met de mensen, van nul en generlei waarde. Zijn nu de goede mensen altijd goed en de kwade mensen altijd kwaad? Als je Ezechiël leest niet. Die roept iedereen op tot inkeer te komen en te leven. In kerktaal noemen we dat genade. Ook al doe je verkeerd, als je dat inziet en het voortaan anders wil gaan doen dan mag je weer mee doen, dan krijg je genade. Eigenlijk horen we dat in onze samenleving dan ook toe te passen. De doodstraf is daarbij helemaal uit de boze. Iemand aan wie de doodstraf is voltrokken kan immers nooit meer antwoorden op de oproep van Ezechiël tot inkeer te komen en te kiezen voor het leven.

In ons land geldt dat ook een beetje voor een levenslange gevangenisstraf. Die is ook echt levenslang en alleen onder zeer bijzondere omstandigheden kan de Koning gratie verlenen. Gratie is een ander woord voor genade. Er wordt nu gepleit om de rechter na verloop van tijd, een lange tijd, nog eens te laten kijken naar de rechtvaardigheid van een gevangenisstraf tot de dood er op volgt. Soms kan dat niet anders, maar vaker nog zeggen mensen als ze het individuele geval kennen dat genoeg genoeg is en dat als iemand lang gestraft is geweest en tot inkeer is gekomen de straf onmenselijk wordt. En als God vergeeft wie zijn wij dan om dat onmogelijk te maken. Bij een TBS is het al geregeld. Daar moet een rechter elke twee jaar een oordeel vellen over verlenging van de maatregel. Soms maken TBS gestelden het de rechter moeilijk door te vragen hen te laten zitten. Ze zijn tot het inzicht gekomen dat hun daden absoluut verkeerd waren maar zijn bang terug te vallen in hun oude fouten, de verleidingen niet te kunnen weerstaan en vragen om voortzetting van de bescherming.

Het aller moeilijkst hebben het de mensen die na een afzienbare straf weer vrij komen en weer aan onze samenleving moeten deelnemen. In plaats van hen te waarderen om hun inkeer blijft onze samenleving hen de fouten uit het verleden nadragen. Zelfs half weg huizen, half weg tussen gevangenis en samenleving, als die van de stichting Exodus kunnen nauwelijks een plaats vinden in buurten en wijken. Laat staan dat ex gedetineerden zelf een woning kunnen vinden waar ze een nieuw leven in eerlijkheid kunnen beginnen. Er wordt met veel professionele en vrijwillige hulp de nodige steun en begeleiding geboden. Vanuit de kerken zijn er vaak veel vrijwilligers te vinden die mensen willen helpen op het rechte pad te blijven en een leven te leiden waarmee ze een nuttige bijdrage aan de samenleving kunnen bieden. Maar onze samenleving kent maar weinig genade, weinig kansen op een nieuwe start. Eigenlijk vraagt Ezechiël ons dus vandaag ook eens na te gaan hoe het zit in onze gemeente met de acceptatie van Exodus en de arbeidsplaatsen voor ex-gedetineerden in het bedrijf waar we werken.

Reacties

Ezechiël 18:14-20

14  En ook hij krijgt weer een zoon, en deze zoon ziet alle misstappen die zijn vader begaan heeft. Hij ziet ze allemaal, maar volgt ze niet. 15  Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel, de afgoden van de Israëlieten vereert hij niet en ook maakt hij de vrouw van een ander niet onrein; 16  hij buit niemand uit, hij vraagt geen onderpand wanneer hij iets uitleent en hij besteelt niemand. Hij deelt zijn voedsel met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren, 17  wie misdeeld is doet hij geen kwaad, hij vraagt vooraf geen rente, of toeslag achteraf. Hij leeft naar mijn voorschriften en houdt zich aan mijn geboden. Zo iemand zal zeker in leven blijven, en niet sterven vanwege de schuld van zijn vader. 18  Maar zijn vader-die een uitbuiter is geweest, die anderen bestolen heeft en zijn eigen familie heeft benadeeld-, zijn vader zal sterven, door zijn eigen schuld. 19  “Maar, ”vragen jullie, “waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de schuld van zijn vader?” Die zoon is mij trouw geweest en heeft het goede gedaan, hij heeft zich aan al mijn geboden gehouden en ze nageleefd, dus zal hij zeker in leven blijven! 20  Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een  rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft. (NBV)

Die Ezechiël zou vandaag de dag onder ons kunnen leven. De vragen van ontspoorde jongeren en de verantwoordelijkheid voor hen. En de zorg en verantwoordelijkheid voor kinderen van criminelen spelen volop in de maatschappelijke discussie. Heeft Ezechiël ons daarbij iets te zeggen? Wis en waarachtig wel! Jongeren die alles doen wat God verboden heeft, een uitdrukking die ook in onze taal gemeengoed is geworden, plaatsen zichzelf buiten de samenleving, ze zijn “dood” in de taal van Ezechiël, op straat zeggen we dan dat ze kunnen doodvallen. Maar als ze als criminelen zelf kinderen hebben, moeten we die dan de misdaden van hun ouders aanrekenen? Nee natuurlijk niet zegt Ezechiël. En doen we dat ook niet? De zorg voor kinderen van gevangenen ontbreekt helemaal. Het komt voor dat tieners met broertjes en zusjes in de basisschoolleeftijd thuis de verantwoording voor opvoeding en huishouding op zich moeten nemen als de hen verzorgende ouders wegens een misdrijf in de cel beland zijn.

Niemand vraagt naar ze en de zorg voor zulke kinderen is bij ons niet geregeld. Het is alsof ze zelf ook kunnen doodvallen en dat was niet de bedoeling. We hebben met elkaar dus een grote verantwoordelijkheid voor kinderen in onze omgeving. We moeten er allereerst zoveel mogelijk aan doen om te voorkomen dat ze ontsporen. Zorgen dat ze niet spijbelen, dat er goed onderwijs gegeven wordt in onze wijken en buurten, dat er buiten schooltijden iets te doen is, dat ouders tijd krijgen en tijd hebben om door te brengen met hun kinderen en dat kinderen van ouders die niet goed voor ze kunnen zorgen opgevangen worden. Omdat we al die zorg aan instellingen voor Jeugdzorg overlaten is het geen wonder dat het mis gaat. Van Marokkanen kunnen we daarbij nog wel wat leren.

Als er in een buurt overlast van Marokkaanse jongens dreigt blijken Marokkaanse buurtvaders daar een uitstekend recept voor te hebben. Ze gaan twee aan twee de wijk in en spreken hun zonen aan op hun wangedrag daar waar dat plaats vindt. Ze doen dat zonder angst. Het is jammer dat dat beperkt blijft tot Marokkaanse buurtvaders. We zouden zulke ouders, want waarom alleen vaders, vaak kunnen gebruiken. En waarom alleen ouders, grootouders, buren en vrienden mag natuurlijk ook. Waarom laten we de veiligheid in de buurten alleen over aan een overbelaste politie. Waarom steken zo weinig mensen de handen uit de mouwen als het gaat om het opbouwen van een samenleving waarin voor iedereen plaats is en niemand bang hoeft te zijn. Ezechiël sprak niet alleen tegen de autoriteiten in zijn samenleving, hij had het tegen iedereen, ook tegen ons vandaag.

Reacties

Ezechiël 18:1-13

1 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 2  ‘Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden? 3  Zo waar ik leef-spreekt God, de HEER -,nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! 4  Weet dat alle mensenlevens mij toebehoren: zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven. 5  Stel, iemand is rechtvaardig. Hij is mij trouw en doet het goede. 6  Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel en hij vereert de afgoden van het volk van Israël niet; hij onteert de vrouw van een ander niet, hij maakt haar niet onrein, en met een vrouw die ongesteld is heeft hij geen gemeenschap; 7  hij buit niemand uit, geeft de schuldenaar zijn onderpand terug en besteelt niemand. Hij deelt zijn brood met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren; 8  hij vraagt geen wanneer hij geld uitleent of toeslag wanneer hij het terugkrijgt; hij begaat geen onrecht en geeft een eerlijk oordeel bij onderlinge geschillen; 9  hij houdt zich aan mijn geboden en leeft werkelijk naar mijn voorschriften. Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker in leven blijven-spreekt God, de HEER. 10 ¶  Maar stel, hij krijgt een gewelddadige zoon, een moordenaar, die alles doet 11  wat zijn vader nooit heeft gedaan. Hij neemt wel deel aan de offermaaltijden op de bergen en maakt de vrouw van een ander onrein; 12  wie misdeeld en arm is buit hij uit, hij steelt en geeft wat hij als onderpand heeft gekregen niet terug; hij vereert de afgoden, misdraagt zich gruwelijk, 13  vraagt rente vooraf en toeslag achteraf-moet zo iemand in leven blijven? Nee, hij zal niet in leven blijven: na zo veel wandaden zal hij zeker sterven, hij heeft zelf de dood over zich afgeroepen. (NBV)

Bij alle discussies over de jeugdzorg hoor je dat bij ons ook wel eens vertellen: als de ouders kwaad doen straft God de kinderen. Maar God straft niet en zeker niet hen die het kwaad niet bedreven hebben zegt Ezechiël. Eigenlijk roept hij mensen op om op te houden met elkaar te beschuldigen. Als je geen kwaad hebt gedaan ben je ook niet verantwoordelijk voor het onheil. Alleen als je kwaad gedaan hebt dan zet je jezelf buiten de gemeenschap, in Bijbelse termen: dan kun je sterven. Maar als je mensen tot hun recht laat komen dan zal je dat niet overkomen en zeker je kinderen niet. Het soort rare spreekwoorden dat een volk kan ontwikkelen moet je maar vergeten zo roept de profeet ook ons toe. Want we weten er wat van. Als er hangjongeren zijn die de kans krijgen van kwaad tot erger te vervallen dan “weigeren de ouders hen op te voeden”. Als alleenstaande moeders niet werken maar voor hun kinderen die naar de basisschool gaan zorgen dan overtreden ze de wet. Of er kinderopvang is of niet, die moeders moeten werken.

Op tienerwerk bezuinigen we, tieners mogen ook de meest gewelddadige films op tv zien, geweldsspelletjes op hun computer spelen en rondhangen op straten waar volwassenen vrolijk alle snelheidsregels met hun auto’s aan hun laars lappen. Als ze dan ook nog elkaar opzoeken en in groepjes bij elkaar schuilen dan wordt iedereen bang en hebben we een probleem. Sinds het eind van de jaren 50 van de vorige eeuw horen we al van die problemen. We hadden de pleiners en de dijkers, de nozems en de hippies en nu hebben we de hangjongeren en de Marokkaantjes. In de jaren 20 van de vorige eeuw hadden ze vergelijkbare problemen in de Verenigde Staten, vooral met emigranten uit Italië. De problemen daar bleken achteraf de voedingsbodem voor de maffia. Begin jaren 60 bij de komst van de eerste gastarbeiders werd daar ook hier voor gewaarschuwd. Wat een verrassing dat, nu, nadat we veertig jaar alle waarschuwingen hebben genegeerd, er een probleem is. Wie schaft ons goede raad? Wellicht Ezechiël vandaag. Hij roept ons op ons aan de wetten van fatsoen en recht te houden. Weg met geweld en vrouwenhandel.

En wat betreft het recht wordt het tijd er alles aan te doen om mensen tot hun recht te laten komen en een echte plaats te geven in onze samenleving. Dat betekent dat niemand, ouders en leerkrachten niet, het meer moet pikken dat er van school gespijbeld wordt. Ook als Uw eigen kinderen niet spijbelen, ook als je klasgenoten spijbelen, pik het niet van anderen. Het idee dat je niet voor elkaar hoeft te zorgen is het begin van de ellende in veel wijken en steden. Schaam je er dus ook niet voor als je eigen kind de verkeerde weg kiest. Vraag hulp, eis desnoods hulp, niet alleen van instanties en professionals maar ook van vrienden, familie, buren en als je lid bent van een kerk van je zusters en broeders. Jouw kind hoeft niet buiten de gemeenschap te komen, hoeft dus niet te sterven, maar als niemand er wat aan doet gaat het vanzelf. Laat dus mensen tot hun recht komen en geeft ze het goede voorbeeld. Dat gold in de dagen van Ezechiël dat geldt vandaag de dag niet anders.

Reacties

Matteüs 21:23-32

23 ¶  Toen hij naar de tempel was gegaan en daar onderricht gaf, kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk naar hem toe. Ze vroegen hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet u die dingen? En wie heeft u die bevoegdheid gegeven?’ 24  Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Ik zal u ook een vraag stellen, en als u mij daarop antwoord geeft, zal ik u zeggen op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe. 25  In wiens opdracht doopte Johannes? Kwam die opdracht van de hemel of van mensen?’ Ze overlegden met elkaar en zeiden: ‘Als we zeggen: “Van de hemel, ”dan zal hij tegen ons zeggen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” 26  Maar als we zeggen: “Van mensen, ”dan krijgen we het volk over ons heen, want iedereen houdt Johannes voor een profeet.’ 27  Dus gaven ze Jezus als antwoord: ‘We weten het niet.’ Daarop zei hij tegen hen: ‘Dan zeg ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe. 28 ¶  Wat denkt u van het volgende? Iemand had twee zonen. Hij zei tegen de een: “Jongen, ga vandaag in de wijngaard aan het werk.”  29  De zoon antwoordde: “Ik wil niet, ”maar later bedacht hij zich en ging alsnog. 30  Tegen de ander zei de man precies hetzelfde. Die antwoordde: “Ja, vader, ”maar ging niet. 31  Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?’ Ze zeiden: ‘De eerste.’ Daarop zei Jezus: ‘Ik verzeker u: de tollenaars en de hoeren zijn u voor bij het binnengaan van het koninkrijk van God. 32  Want Johannes koos de weg van de gerechtigheid toen hij naar u toe kwam. U geloofde hem niet, de tollenaars en de hoeren wel. En ook al zag u dat, u hebt u niet willen bedenken en hem alsnog willen geloven. (NBV)

In de Protestantse Kerk Nederland mag je niet zomaar preken. Daar gaat een hele procedure aan vooraf en je moet officieel toestemming hebben van een classis of een synode, deftige namen voor belangrijke besturen. Eigenlijk verlangen ze dat je eerst theologie hebt gestudeerd aan een universiteit en zeker de Bijbel in het Grieks en Hebreeuws kunt lezen en vertalen. Zo iemand als Jezus van Nazareth zou in een Protestantse Kerk hier in Nederland niet zomaar op de kansel kunnen klimmen. Ook in zijn dagen was er al de vraag op grond waarvan hij deed wat hij deed. Hij was immers geen Priester of Leviet. Die oefenden officieel op grond van de Bijbelse voorschriften het toezicht op genezingen en de toepassing van de wet uit. Dan komt er zo’n prediker en die geneest en brengt mensen die zich hadden buitengesloten weer op de goede weg. Dat schept maar wanorde en verwarring. Maar Jezus van Nazareth wijst op een andere kant van hetzelfde verhaal.

In zijn optreden is ook de roep om anders te gaan leven. Om weer rekening te houden met de richtlijn die God in de woestijn heeft gegeven: je naaste lief te hebben als jezelf. Eigenlijk is het de taak van iedereen om jezelf en om elkaar aan die liefdeswet te houden. In de traditie van het volk Israel waren er door de geschiedenis heen steeds mensen opgestaan die het volk tot de orde hadden moeten roepen, die weer hadden gewezen op die richtlijn en hoe die toe te passen in de dagelijkse werkelijkheid en in de politieke actualiteit. Profeten werden ze genoemd en in de dagen dat Jezus van Nazareth met zijn optreden was begonnen was er de Profeet Johannes geweest die bij de Jordaan mensen het rituele bad had laten ondergaan dat de Bijbelse wetten voorschreef om weer rein te worden, weer zonder vuiligheid en zo dat je die richtlijn van je naaste liefhebben weer ongestoord kon volgen.

Dopen noemde hij dat en daar was heel het volk voor uitgelopen. Dat reinigingsbad moest je zelf nemen, daar kwam geen Priester of Leviet aan te pas. Tot die reiniging of omkeer oproepen was de taak van iedere gelovige. Niet dat Priesters en Levieten, Farizeeën en Schriftgeleerden dat de mensen voorhielden, dat zou hun macht en positie maar aantasten. Daarom gaven ze maar geen antwoord als ze naar de plaats in de Bijbelse richtlijnen wordt gevraagd. Jezus van Nazareth wijst maar eens op de profeten die de mensen voor hadden gehouden dat ieder die kwaad had gedaan elk moment berouw kon hebben en met het goede kon beginnen. Hij volgde de richtlijn totaal. Ieder die bleef bij het kwaad kon doodvallen. Johannes was er mee begonnen en Jezus van Nazareth ging er mee door. Wij ook? In de Protestantse Kerk Nederland worden we daartoe in elk geval opgeroepen, en hier ook elke dag weer. Heb je naaste lief als jezelf en begin er gewoon nu mee.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl