basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Job 42:1-17

1 Nu antwoordde Job de HEER: 2  ‘Ik weet dat niets buiten uw macht ligt en geen enkel plan voor u onuitvoerbaar is. 3  Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken? Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip, over wonderen, te groot voor mij om te bevatten. 4  “Luister, ”zei ik, “dan zal ik spreken, ik zal u ondervragen, zeg mij wat u weet.” 5  Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd. 6  Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij, zoals ik hier zit in het stof en het vuil.’ 7 Nadat de HEER deze woorden tot Job had gesproken, richtte hij zich tot Elifaz uit Teman: ‘Ik ben in woede ontstoken tegen jou en je twee vrienden, omdat jullie niet juist over mij hebben gesproken, zoals mijn dienaar Job. 8  Welnu, neem elk zeven jonge stieren en zeven rammen, ga daarmee naar mijn dienaar Job, zodat jullie een offer kunnen brengen voor jezelf. Job, mijn dienaar, zal voor jullie bidden, want ik ben alleen hem goedgezind. Dan zal ik jullie niet blootstellen aan schande, ook al hebben jullie niet juist over mij gesproken, zoals mijn dienaar Job.’ 9  En Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma deden zoals de HEER had gezegd en de HEER was Job goedgezind. 10 Nadat Job voor zijn vrienden had gebeden, bracht de HEER een keer in het lot van Job en hij gaf hem het dubbele van wat hij eerder bezat. 11  Al zijn broers en al zijn zusters, en iedereen die hem had gekend, kwamen naar zijn huis om samen met hem te eten; ze schudden hun hoofd en troostten hem, omdat de HEER zoveel rampspoed over hem had uitgestort. En elk van hen gaf hem een geldstuk en een gouden ring. 12  De HEER zegende Job in zijn latere leven nog meer dan in zijn vroegere, en zo kreeg Job veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. 13  Ook kreeg hij zeven zonen en drie dochters. 14  De eerste dochter noemde hij Jemima, de tweede Kesia en de derde Keren-Happuch. 15  In het hele land waren geen mooiere vrouwen dan de dochters van Job. En hun vader gaf aan hen een even groot erfdeel als aan hun broers. 16  Hierna leefde Job nog honderdveertig jaar en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen opgroeien, tot in het vierde geslacht. 17  En toen stierf Job, oud en verzadigd van het leven. (NBV)

We zijn aan het laatste hoofdstuk gekomen van het boek Job. Natuurlijk loopt het goed af. Maar waarom Job nu zo moest lijden blijft tot het eind van het boek een raadsel. God is groot, God is zo groot dat God voor eenvoudige mensen niet te doorgronden is. En als je God ziet dan buig je je hoofd in het stof. Job blijft op zijn mesthoop, zich krabbend met de potscherf en blijft zijn God als enige Heer in de wereld erkennen. Is dat bevredigend? Voor heel veel mensen niet. Dat er kinderen sterven is niet eerlijk. Dat onschuldigen omkomen in natuurrampen en oorlogen blijft onverteerbaar. En is dat erg? Job werd zeker niet gestraft werd voor zijn opstand tegen God. Dat het met de goeden slecht gaat blijft slecht. Dat het met mensen slecht gaat is voor gelovigen onverteerbaar. Mensen zijn en blijven onze broeders en zusters. Mensen zijn allemaal geschapen naar het beeld en de gelijkenis van onze God. Jezus van Nazareth noemde ze kinderen van God. Daarom mogen wij God aanroepen als het slecht gaat met zijn kinderen. Daarom mogen we het vuur uit onze sloffen lopen om iets te doen voor de slachtoffers van oorlog en natuurrampen.

Maar daarom zijn we ook verplicht na te gaan of we iets hadden kunnen doen om oorlogen en rampen te voorkomen of de gevolgen ervan kleiner te maken. Werken we mee aan wapenleveranties waarmee volken elkaar kunnen onderdrukken of oorlog kunnen maken? Scheppen we eerlijke handelsverhoudingen zodat hongersnoden kunnen worden voorkomen? Delen we kennis met anderen zodat de beste productiemethoden voor landbouw en voedsel ook ten goede komen aan de armsten in de wereld? Stichten we vrede en brengen we rechtvaardigheid? Maar hier eindigt dan het verhaal over Job. De vrienden hadden het verkeerd, Job had begrepen dat je ondanks ellende en verdriet toch op God kunt blijven bouwen en niet altijd op zoek hoeft te gaan naar eventuele fouten van jezelf of van je ouders om de ellende te verklaren. Job blijft ook rechtvaardig als hij weer rijk is, zijn dochters krijgen dezelfde erfenis als zijn zonen en zo hoort het natuurlijk. Hij wordt weer rijk als zijn omgeving goud en vee met hem willen delen, iets om op te merken.

Het is jammer dat de Nieuwe Bijbelvertaling niet de namen van de dochters van Job vertaalt. Duifje, Kaneelbloesem en Poederhorentje geven toch de poëzie weer waarmee dit wijsheidsverhaal besluit. En waar is de Duivel gebleven zult U zeggen. Het geheel begon toch met een weddenschap tussen God en de Duivel over de standvastigheid van Job? Je moet een verhaal toch ergens mee beginnen nietwaar, wij beginnen vaak met "er was eens" en eindigen dan net als dit verhaal met "ze leefden nog lang en gelukkig". Die duivel, blijkt uit dit verhaal, bestaat helemaal niet. Het kwade zit in de keuze van mensen zelf. Blijf je kiezen voor recht en gerechtigheid, zoals Job met zijn erfenis doet, of kies je voor hebben en houden. De nadruk wordt altijd gelegd op Job die zevenvoudig terugkrijgt wat hij verloren had, maar voor Job zelf, blijkt uit het verhaal, is dat het minst belangrijk. Voor hem blijft belangrijk wat je er mee doet, wat je kinderen er mee doen, wat het gevolg is van je daden voor de armen, voor de weduwen en de wees. Want dienen van God is mensen dienen en mensen dienen is dienen van God.

Reacties

Job 40:25–41:26

25 Kun jij met een haak de krokodil op de kant trekken en zijn tong met een touw beteugelen? 26 Kun jij met een riet zijn neus doorsteken en met een doorn zijn kaak doorboren? 27 Zou hij jou bidden en smeken en vriendelijke woorden tot je richten? 28 Zou hij een verbond sluiten met jou, zodat jij hem voortaan als knecht kunt hebben? 29 Kun je met hem spelen als met een vogel, hem aan een touw houden, voor je dochters? 30 Zal het vissersgilde over zijn prijs onderhandelen en hem tussen de kooplieden verdelen? 31 Kun jij speren in zijn huid planten en een harpoen door zijn kop steken? 32 Waag het eens hem aan te raken-weet wel: het zou je laatste strijd zijn.1 De hoop van elke aanvaller wordt beschaamd, alleen al bij zijn aanblik wordt hij teruggeworpen. 2 Wie zou het wagen om hem op te schrikken? Wie kan aantreden om met hem te strijden? 3 Wie daagt hem uit zonder daarvoor te boeten? Niemand, hij heeft op de hele aarde zijn gelijke niet. 4 Ik zal niet zwijgen over zijn machtige dijen, over zijn geweldige krachten en fraaie gestalte. 5 Wie kan zijn opperhuid afvillen? Wie dringt door zijn dubbele pantser heen? 6 Wie heeft de kracht om zijn kaken te openen? Schrikwekkend gapen de tanden in zijn muil. 7 Zijn rug is met schilden geschubd, ondoordringbaar verzegeld. 8 Ze sluiten dicht op elkaar aan en laten niet de minste lucht door; 9 het ene kleeft vast aan het andere, aaneengesloten en onscheidbaar. 10 Wanneer hij proest, flikkert het licht, zijn ogen schitteren als de dageraad. 11 Brandende fakkels komen uit zijn bek, vonkenregens vliegen door de lucht.12 Zijn neusgaten walmen, als een kokende ketel of rokend riet. 13 Zijn adem laat kolen ontbranden, uit zijn bek slaat een vlam. 14 Zijn nek zwelt op van kracht, zijn muil straalt niets dan verschrikking uit. 15 Zijn vlees sluit dicht om hem heen, als om hem gegoten, onwrikbaar. 16 Zijn hart is hard als een rots en hard als de onderste maalsteen. 17 Komt hij overeind, dan deinzen stortzeeën terug en wijken brekers. 18 Geen tegen hem getrokken zwaard houdt stand, geen speer, geen lans, geen pijl. 19 IJzer beschouwt hij als stro, brons als rot hout. 20 Hij slaat niet op de vlucht voor de pijl uit de boog, slingerstenen raken hem-het zijn maar stoppels. 21 Voor hem is een knuppel als stro en hij lacht om het suizen van speren. 22 Zijn onderlijf is zo scherp als een scherf; als een dorsslede snijdt hij door de modder. 23 Hij laat de diepten kolken, de zee als een mengkroes zieden. 24 Hij laat een spoor van lichten achter, alsof de zee met zilverwitte koppen is bekroond. 25 Hij heeft op de aarde zijn gelijke niet, hij is een schepsel zonder vrees. 26 Op al wat hoog is kijkt hij neer, hij is de koning van alle trotse dieren.’

Door de nieuwe nummering van teksten in het laatste deel van het boek Job moeten mensen die de Nieuwe Bijbelvertaling nog niet hebben maar wel mee willen lezen vandaag hoofstuk 40 opslaan, beginnen bij vers 20 en dan doorlezen tot hoofdstuk 41 vers 25. We lezen overigens vandaag niet over een krokodil. Dat het oude woord Leviathan niet is blijven staan en vertaald is is nog te begrijpen maar soms wilden de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling de tekst wel heel dichtbij brengen. Wie het hele gedeelte van vandaag nog eens rustig naleest zal beseffen dat het nooit over een krokodil heeft kunnen gaan. Puttend uit onze eigen sprookjeswereld zou je eerder aan een draak kunnen denken. Of een oermonster uit de Ban van de Ring, vliegend, vuurspuwend, voorzien van schubben en voor geen strijder te bevechten. Het soort oermonsters dat in de oudheid ook gemakkelijk voor een god versleten kon worden en kon worden aanbeden.

Niks ervan zegt het boek Job, onze God gaat ook dit soort oermonsters te boven. Sterker nog je moet onze God beschouwen als de ontwerper van dit soort oermonsters. Als de makers van de filmtrilogie over de Ban van de Ring monsters kunnen bedenken waarvan je zit te huiveren dan kan onze God dat zeker. Al die woorden zijn er voor nodig om ons in te peperen dat we de God van Job niet kunnen beoordelen met onze menselijke maat. Die God past daar niet in. Niet in ons schema van man en vrouw, God schiep beiden naar Gods beeld en gelijkenis. Niet in onze schema's van goed en fout, deze God is immers het absoluut goede. Er is niets op de aarde of in het heelal dat vergeleken kan worden met onze God. Zelfs ons schema van almachtig en zwak is niet van toepassing te krijgen op onze God. Ergens staat zelfs geschreven dat onze zwakheid de kracht van onze God is.

Slimme redeneringen over het waarom en hoe van onze God, zoals de vrienden van Job er op nahielden, gaan dan ook niet op. Alleen in dat wat onze God met mensen is begonnen zegt iets over die God. Met een oud woord heet het dat die God zich daarin openbaarde. En waarin dan? In de afspraak dat God dienen mensen dienen is en dat mensen dienen God dienen is. In alles, altijd zonder ophouden zonder er iets voor terug te verlangen. En die God is zo goed om dat altijd weer met mensen te beginnen. Met die mensen die er op vertrouwen dat de hele aarde uiteindelijk van die God is en een Koninkrijk van Liefde zal worden. Een Koninkrijk dat vanaf vandaag gaat komen.

Reacties

Job 40:15-24

15 Zie het nijlpaard dat ik heb geschapen, net als jou; het eet gras als een rund. 16  Hoe krachtig zijn zijn lendenen, hoe machtig de spieren van zijn buik! 17  Hij kan zijn staart rechten als een ceder, de pezen van zijn dijen spannen zich in bundels. 18  Zijn botten zijn staven van brons, zijn ribben stangen van ijzer. 19  Hij is een van Gods eerste meesterwerken, tegen hem trekt alleen zijn maker het zwaard. 20  Zijn voedsel vindt hij in de bergen, waar de dieren van het veld zich vermaken. 21  Hij strekt zich uit onder de lotusplanten, hij ligt verborgen tussen het riet van het moeras. 22  De lotusplanten hullen hem in hun schaduw; de wilgen van het dal beschutten hem. 23  Hij slurpt een rivier leeg zonder zich te haasten; hij blijft kalm wanneer de Jordaan zijn muil in golft. 24  Wie kan oog in oog met hem staan en een ring door zijn neus halen? (NBV)

We lopen vandaag in dit Bijbelgedeelte tegen een vertaalprobleem op. Het stuk lijkt te gaan over een Nijlpaard. Maar wie de beschrijving vergelijkt met een echt nijlpaard komt tot de conclusie dat we te maken hebben met toch wel een heel vreemd soort nijlpaard. In de oorspronkelijke tekst stond Behemoth. Een woord van Egyptische oorsprong waarvan de werkelijke betekenis is verdwenen. In de Naardense Bijbel wordt het vertaald met beestbeest. Er is lang over gespeculeerd. Sommige geleerden suggereren zelfs dat er een soort dinosaurus bedoeld zou kunnen zijn. Dat er ontzagwekkende dieren zijn is inmiddels wel duidelijk. Ook Nijlpaarden zijn zulke kolossen waar ontzag op zijn plaats is. Toch eten zulke grote robuuste dieren inderdaad gras als vreedzame koeien. Een oordeel vellen op grond van het uiterlijk is daarom onterecht.

Welk dier het ook is, die les is van alle tijden. En de tekst van Job is oud. Nu kennen wij in onze eigen geschiedenis ook oude teksten met beschrijvingen van vreemde dieren die later onjuist bleken te zijn. Zeekoeien werden zo zeemeerminnen om maar eens een voorbeeld te noemen. We kunnen onze waarneming niet altijd vertrouwen als het gaat om uiterlijkheden. We weten natuurlijk dat heel vriendelijke mensen best een lelijk gezicht kunnen hebben. We weten natuurlijk dat oplichters er soms charmant en knap uitzien. We weten natuurlijk ook wel dat we nooit alle mensen op grond van één enkele eigenschap over één kam kunnen scheren. Toch hebben sommige Amsterdammers het graag over Marokkaanse jongens als ze vervelende jonge buurtgenoten bedoelen.

In andere steden praten sommigen dan graag over Antilliaanse jongeren. Die mensen die zo een bepaalde eigenschap koppelen aan gedrag praten zelf niet met de jongeren die ze op straat tegenkomen en voor wie ze bang zijn. Hun angst brengt ze zelfs niet op het idee om samen met anderen het gesprek met die jongeren aan te gaan. Marokkaanse vaders, Antilliaanse moeders doen dat wel en hebben vaak het idee in onze samenleving onbegrepen alleen te blijven staan. En dat is toch raar. Ook die jongeren waar sommigen bang voor zijn zijn Gods kinderen. Ze zijn net als wij allemaal. Ze zijn onze broeders, soms zusters. En hoe vaak staat er niet in de Bijbel dat we niet bang hoeven te zijn als we het goede willen doen. Waarom laten wij onze broeders en zusters bestempelen als criminelen? Wat zegt dat over onszelf en over onze God?

Reacties

Job 40:1-14

1 En de HEER vervolgde: 2  ‘Een mens die met de Ontzagwekkende twist-kan hij hem iets leren? Laat hij die God terechtwijst op dit alles antwoorden!’ 3  En Job antwoordde de HEER: 4  ‘Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik u antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. 5  Ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer, tweemaal-en doe er het zwijgen toe.’ 6 ¶  Toen antwoordde de HEER Job vanuit een storm: 7  ‘Sta op, Job, wapen je; ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet. 8  Wil je mijn recht loochenen, wil je mij schuldig verklaren en zelf vrijuit gaan? 9  Is jouw arm zo sterk als die van God, heb jij zo’n donderstem als hij? 10  Tooi je dan met trots en waardigheid, omkleed jezelf met eer en glorie. 11  Stort je razende woede over alles uit, zie je een hoogmoedige-verneder hem, 12  zie je een hoogmoedige-buig zijn nek, vertrap de goddelozen, waar ze ook zijn. 13  Begraaf ze allemaal in het stof, beneem hun in de onderwereld het gezicht. 14  Wanneer je op eigen kracht zult winnen, dan zal ook ik je prijzen.(NBV)

 We zijn nog niet zover onszelf in de praktijk te willen meten met God. Laat God spreken en wij zwijgen dat klinkt beter en zo begint Job dan ook met zijn mond te bedekken. We weten dat Job op God bleef vertrouwen. Als hij uit zijn ellende wilde komen dan kon dat alleen door God. Maar waar had hij die ellende aan verdiend ? Daar komt dus geen antwoord op. Die ellende is er. God is door een mens niet ter verantwoording te roepen. Waar die ellende vandaan komt doet niet ter zake. "Wat moet je met een God die dit toestaat?" is dus een verkeerde vraag. Als het jou zou lukken om de goddelozen te vertrappen waar ze ook zijn dan zou je geweldig zijn, net zo geweldig als God, maar jou lukt dat niet en God is er niet op aan te spreken.

Waar het dus om gaat is het antwoord op de vraag wat we doen met de ellende van onze naaste. Wat doen we met de miljoenen in Azië die huis en haard hebben verloren door overvloedige regen. Storten we op de giro van het Rode Kruis voor de slachtoffers in Azië? Wekken we onze medeburgers op mee te storten? Herinneren we ons de beelden uit het Zeeland van 1953 toen de hulp na de watersnood toestroomde uit de hele wereld? Herinneren we ons het Limburg van begin 1994 toen heel Nederland te hulp schoot bij de overstromingen van de Maas? Zien we ook midden in de vakantie de nood van onze naaste? Want als wij niet willen zien waar de nood van broeders en zusters is waarom zouden we daar God dan op aanspreken?

We hebben de afgelopen tijd geleerd dat geloven een werkwoord is en dat bidden "doen wat goed is" is. Het wordt dus tijd dat we gaan geloven in de hulp voor de mensen in de armste delen van de wereld, voor hen gaan bidden en dus zorgen dat ze geholpen worden. Niet alleen nu het zo hard regent of ze geteisterd worden door lange droogte. Maar zeker ook zorgen dat het niet nog erger wordt door klimaatsverandering, dus zelf niet nog meer CO2 uitstoten. En zorgen voor hulp op lange termijn door onze kennis over dijken en zeeweringen en irrigatie ook aan hen ter beschikking te stellen. De giro is goed maar niet genoeg. We zijn ook zelf nodig. En de mensen in de armeste landen van de wereld hebben ons meer nodig dan ooit. Samen staan we sterk en hebben we een sterke bondgenoot die ons dag in dag uit in beweging zet.

Reacties

Job 39:13-30

13 Het struisvogelvrouwtje staat vrolijk te klapwieken, maar met haar slagpennen en veren is zij nog geen ooievaar. 14  Ze legt haar eieren op de grond en laat haar legsel door het zand verwarmen; 15  ze vergeet dat een voet het kan breken, dat een wild dier het kan vertrappen. 16  Ze is hard voor haar jongen, alsof ze niet van haar zijn, onverschillig of haar moeite misschien voor niets geweest is, 17  want God heeft haar elk inzicht onthouden en haar niet met wijsheid begiftigd. 18  Maar wanneer ze opspringt en wegsnelt, lacht ze paard en ruiter uit. 19 Geef jij het paard zijn kracht? Bekleed jij zijn nek met welige manen? 20  Laat jij hem voorwaarts springen als een sprinkhaan, terwijl zijn geweldige briesen angst aanjaagt? 21  Van vreugde schraapt hij de grond in het dal; fier rukt hij uit, de strijd tegemoet. 22  Hij spot met het gevaar, niets maakt hem bang; hij deinst niet terug voor het zwaard. 23  Pijlen schieten hem voorbij, speren en lansen flitsen langs hem heen. 24  Driftig stampend woelt hij de grond om, onbeteugelbaar wanneer de hoorn eenmaal schalt. 25  Bij elke stoot van de trompet roept hij “Aaah!” hij ruikt de oorlog van verre, hoort het getier van de aanvoerders, de kreten. 26  Is het aan jouw wijsheid te danken dat de valk opstijgt en zijn vleugels spreidt om zuidwaarts te trekken? 27  Vliegt de gier weg als jij hem beveelt, om zijn nest hoog in de bergen te bouwen, 28  op een rots waar hij woont en overnacht, op een richel, een onbereikbare piek? 29  Van daar spiedt hij naar prooi, zijn oog speurt in de verste verten. 30  Zijn jongen slurpen bloed; waar gevallenen liggen, daar is hij.’(NBV)

Dit laatste deel van hoofdstuk 39 gaat over de onzekerheden in de oorlog. In de tijd dat het boek Job werd geschreven was de snelheid van paarden en de beweeglijkheid van de ruiterij bepalend voor overwinning of nederlaag. Een charge te paard is immers bijna niet te stuiten. Ook al worden de ruiters van de paarden afgeschoten de paarden zelf blijven voortdraven tot de vijandelijke linies bereikt zijn. Niets houdt ze tegen. En aan het eind van de slag zijn het de gieren die de slachtoffers komen eten. Overwinnaars noch overwonnenen kunnen op een open slagveld daar iets aan veranderen. Het onmenselijke van de oorlog wordt hier zeer poëtisch onder woorden gebracht. Maar duidelijk wordt dat God de partijen in een oorlog te boven gaat. Geen van beide oorlogvoerende partijen kan zeggen dat ze God aan hun kant hebben.

God staat aan de kant van de gevallenen zegt het laatste vers van dit hoofdstuk. Daar waar de jongen van de gieren het bloed slurpen is hij. Een gruwelijk beeld, maar het maakt ons steeds weer bewust waar het in een oorlog om moet gaan, om de slachtoffers namelijk. In de moderne oorlog met bombardementen en aanvallen met van ver bestuurde drones vraagt de publieke opinie niet voor niets steeds opnieuw aandacht voor de burgerslachtoffers die de sympathie in de richting van de verliezende partij duwen. Als er een familielid omgekomen is als bijkomende schade in een oorlog, die dat familielid niet gezocht of gevoerd heeft, dan is de bereidheid om wraak te nemen op oorlogvoerenden die vlak bij je zijn groter, iedereen kan dat meevoelen.

De discussie in Nederland gaat over langer in Afghanistan en Syrië blijven en niet meer over de mogelijkheden van wederopbouw. De discussie gaat zeker niet over uiterste maatregelen om slachtoffers van die oorlog te voorkomen. Krijgsgevangenen maken is kennelijk niet het doel, slachtoffers maken wel. Natuurlijk slachtoffers bij de vijand, maar daar worden ook burgers het slachtoffer van. En ook die vijanden zijn onze broeders en zusters. Ook die vijanden horen we lief te hebben. We hadden toch geleerd dat alleen de Liefde die vijanden kon veranderen in vrienden? Dit poëtische gedicht uit het boek Job roept ons dus vandaag op de discussie op te starten over de manier waarop in onze naam oorlog wordt gevoerd, God staat naast de slachtoffers van die oorlog.

Reacties

Job 38:31–39:12

31  Kun jij de Plejaden aan banden leggen of de ketenen van Orion losmaken?  32  Kun jij de dierenriem op tijd laten schijnen en de Grote Beer met haar jongen de weg wijzen? 33  Ken jij de wetten van de hemel, kun jij jouw orde aan de aarde opleggen? 34  Kan jouw stem de wolken bevelen om je met hun regenvloed te bedekken? 35  Kun jij de bliksems uitsturen, zullen ze jou zeggen: “Wij staan klaar”? 36  Wie heeft de ibis zijn wijsheid gegeven, van wie heeft de haan zijn inzicht gekregen? 37  Wie is in staat om de wolken te schikken, en de kruiken van de hemel-wie kan ze kantelen, 38  zodat het stof op aarde stolt en in kluiten samenklontert? 39  Kun jij voor de leeuw op prooi jagen en de honger van de welpen stillen, 40  wanneer ze weggedoken zitten in hun holen, of op de loer liggen onder een dak van bladeren? 41  Wie verschaft de raaf zijn voedsel, wanneer zijn jongen God aanroepen, wanneer ze zonder voedsel rondzwerven? 1 Weet jij wanneer de berggeit moet werpen? Ben jij getuige van de weeën van de hinde? 2  Kun jij de maanden tellen dat ze moet dragen, weet jij wanneer ze moet baren, 3  wanneer ze hurkt om te jongen, om van haar kalveren verlost te worden? 4  Haar kroost wordt sterk en groeit op in het vrije veld, dan gaat het weg en het komt niet meer terug. 5  Wie heeft de wilde ezel zijn vrijheid gegeven, wie heeft de balker van zijn banden bevrijd? 6  Ik laat hem wonen in de wildernis, de zoutvlakte is zijn domein. 7  Hij spot met het lawaai van de stad, het geschreeuw van de drijvers hoort hij niet. 8  Hij stroopt de bergen af, zijn weidegronden, hij speurt naar ieder stukje groen. 9  Zou de wilde stier bereid zijn jou te dienen, zou hij willen overnachten bij je voederbak? 10  Kun jij hem met een touw voren laten trekken, zou hij achter jou de dalgrond eggen? 11  Kun je op hem vertrouwen, zo sterk als hij is, en aan hem het werk overlaten? 12  Ben jij er zeker van dat hij binnenhaalt wat jij gezaaid hebt en het naar de dorsvloer brengt? (NBV)

God neemt Job goed bij de kladden als hij de moed heeft om God ter verantwoording te roepen voor het lijden van Job, hij daagde God voor het gerecht. Waar bemoeien wij ons mee. Alleen de liefde, die zichzelf niet zoekt maar de ander eert en verheft, telt voor deze God. Ook de krachten van de dieren hoeven we niet te bewonderen en te aanbidden. Wie zo sterk als een leeuw is, of listig als de raaf heeft niets voor op mensen die zwak of niet zo slim zijn. Nog steeds worden natuurverschijnselen, dierlijke eigenschappen, uiterlijke schoonheid, de gang van de sterren, door mensen aanbeden. Alsof de waarheid en het leven er van afhankelijk zijn. De enige waarheid die wij kennen is die van God, wordt de armen bevrijding aangezegd, de hongerigen gevoed en de dorstigen de dorst gelest. Daar mogen wij steeds opnieuw aan werken.

 En vandaag lezen we over wilde dieren en tamme dieren die wilde dieren zijn geworden. De natuur is ontzagwekkend maar de God van Israel gaat de natuur te boven. Wij mensen kunnen veel van de natuur te weten komen. We kunnen de natuur naar onze hand zetten. Dat zou ons al moeten waarschuwen voor het feit dat in de natuur geen goddelijke krachten te vinden zijn. Maar in dit hoofdstuk uit het boek Job wordt er nog een hoofdstuk aan toegevoegd. We kunnen  denken dat we dieren kunnen temmen maar als die dieren weer verwilderen dan zijn het ook weer echte wilde dieren. Verwilderde ezels luisteren echt niet naar ezeldrijvers. En dieren die lijken op dieren waar je wat aan zou kunnen hebben zijn het nog niet als zij niet hetzelfde doen. Ooievaars maken hun nest op hoge plekken. Als er dan onraad is vliegen ze op en daarmee zijn het waarschuwers voor dorpsbewoners. Omdat ooievaars opvliegen als ze kindergehuil horen waren ze ooit het teken dat de geboorte van een nieuw kind voorspoedig was verlopen.

Struisvogels leggen hun eieren op de grond. Zij kijken dus niet verder dan de dorpeling en hun eieren worden gemakkelijk onder de voet gelopen. Dat de mens gebruik kan maken van de natuur, dieren kan temmen en zo, maar dat geen mens de verwildering in de hand heeft maakt veel mensen tegenwoordig huiverig voor genetische manipulatie. Door veranderingen aan genen in een laboratorium worden nieuwe bacterieën, nieuwe dieren en planten gemaakt. Van die nieuwe schepselen weten we niet wat die gaan doen als ze verwilderd raken. Ze loslaten in de vrije natuur, ze los laten lopen of telen op open akkers is een risico dat we niet kunnen overzien. Ook het eten ervan kan op de lange duur gevaarlijk zijn. Er is geen ervaring mee. De Bijbel waarschuwt ons voor de struisvogel die ooievaar wil zijn. Het kan er op lijken maar het is het nog niet. Datzelfde kan gelden voor genetisch gemanipuleerd leven. Job en de schrijver van het boek Job kende die wetenschap nog niet. De waarschuwing niet als God tegenover de natuur te willen staan is er niet minder om. Laten we dus bescheiden blijven en voorzichtig zijn. Eén onbezonnen voet kan ons leven breken.

 

Reacties

Job 38:16-30

16  Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt, heb jij over haar diepste bodem gewandeld? 17  Zijn de poorten van de dood aan jou getoond, de deuren van het diepste donker-heb je die gezien? 18  Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten? Vertel het, als je het allemaal weet! 19  Waar is de weg naar de oorsprong van het licht, en de plaats van het donker-is die jou bekend, 20  zodat je het naar zijn gebied kunt voeren en het pad naar zijn huis kunt vinden? 21  Jij weet dat vast, want jij werd toen geboren, zoveel jaren liggen achter je! 22  Ken je de voorraadkamers van de sneeuw, heb je de voorraadkamers van de hagel gezien, 23  die ik heb aangelegd voor tijden van nood, voor dagen van oorlog en strijd? 24  Hoe kom je op de plaats van waar het licht verspreid wordt, van waar de oostenwind over de aarde uitwaait? 25 Wie heeft de geulen gekliefd voor de stromen, de weg voor donder en bliksem gebaand, 26  zodat de regen neervalt op de onbewoonde aarde, op de woestijn waar geen mensen leven, 27  en wildernis en woestenij doordrenkt raken en er overal jong gras opschiet? 28  Heeft de regen een vader? Wie brengt de dauwdruppels voort? 29  Uit welke schoot wordt het ijs geboren, wie baart de rijp van de hemel,30  wanneer de wateren stollen, hard als steen, wanneer het oppervlak van de zee bevroren raakt? (NBV)

Heel lang is er gezegd dat God te ontmoeten zou zijn in de ontzagwekkendheid van de natuur. In dit stuk uit het boek Job leren we eigenlijk dat dat niet kan. Voor gewone eenvoudige mensen is de natuur wel indrukwekkend maar bij alles wat je ziet moet je bedenken dat God het alles te boven gaat. Misschien is het tegenwoordige wel eenvoudiger te begrijpen. Veel van wat hier als wonderbaarlijk wordt opgenoemd is immers door mensen wetenschappelijk verklaarbaar en zelfs gedeeltelijk voorspelbaar. We weten best hoe hagel en sneeuw ontstaan en waar het licht van de zon vandaan komt, waar dat licht uit bestaat en zelfs hoe de zon dat licht naar ons toe zendt. Maar God gaat dat te boven. God gaat ook ruimte en tijd te boven. God is het gans andere, voor mensen niet te vatten.

Daarom is het ook niet toegestaan een beeld van God te maken. De oude man op een wolk die door Michael Angelo werd geschilderd in de Sixtijnse Kapel in Rome mag dan wel een mooi beeld zijn, het is geen beeld van God, het schilderij waarbij de oude man de hand uitsteekt naar de naakte mens heeft met de God van Israel, de God uit het boek Job, niets maar dan ook helemaal niets te maken. Ongelovigen lachen gelovigen wel eens uit omdat er in de ruimte geen plaats gevonden is voor God. Bijgelovigen wijzen planeten aan waar God op zou wonen. Voor beiden geldt dat ze de God van Israel niet hebben begrepen. God openbaarde zich in het verhaal over Israel. Daar gaat het over een God die meetrok met het volk en dat volk uit de slavernij door de woestijn heen naar een land voerde dat overvloeide van melk en honing. Dat volk moest maar één ding doen en dat was de naaste liefhebben als zichzelf. In de loop van de geschiedenis bleek dat steeds weer te moeilijk, maar telkens opnieuw begon die God opnieuw met dat volk.

Dat verhaal ging voor Christenen over in het verhaal over Jezus van Nazareth die het gebod van die God van Israel door de dood heen doortrok voor alle mensen op aarde. Iedereen kan daarin meedoen en de naaste liefhebben als zichzelf. En als dat te moeilijk is kun je er elke dag, elk moment, opnieuw mee beginnen. Dat is het geheim van de God die alles te boven gaat. Die God gaat ook vandaag weer met ieder van ons mee als we op pad gaan om onderdrukten te bevrijden, hongerigen te voeden, naakten te kleden en aan de armen het einde van de armoede te verkondigen. Over de hele wereld trekken mensen met ons mee en als iedereen met ons mee gaat dan zal het ook echt gaan gebeuren.

Reacties

Job 38:1-15

1 En de HEER antwoordde Job vanuit een storm. Hij zei: 2  ‘Wie is het die mijn besluit bedekt onder woorden vol onverstand? 3  Sta op, Job, wapen je; ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet. 4 Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Vertel het me, als je zoveel weet. 5  Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch? Wie strekte het meetlint over haar uit? 6  Waar zijn haar sokkels verankerd, wie heeft haar hoeksteen gelegd, 7  terwijl de morgensterren samen jubelden en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde? 8  En wie sloot de zee af met een deur, toen ze uit de schoot van de aarde brak? 9  Ik hulde haar in een gewaad van wolken en omwond haar met donkere nevels. 10  Ik legde haar mijn grenzen op en sloot haar af met deur en grendelbalk, 11  en zei: “Tot hiertoe en niet verder, dit is de grens die ik je trotse golven stel.” 12 Heb jij ooit de morgen ontboden, de dageraad zijn plaats gewezen, 13  om de uiteinden van de aarde te pakken en de goddelozen van haar af te schudden? 14  Als klei waarin een zegel wordt gedrukt, zo krijgt de aarde vorm, haar oppervlak wordt gedrapeerd als een kleed. 15  Alleen de goddelozen blijven verstoken van het licht, hun opgeheven arm wordt gebroken. (NBV)

Wie elke dag het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap volgt, waar de dagelijkse column op is gebaseerd zal het opvallen dat ineens een aantal hoofdstukken uit het boek worden overgeslagen. Het maakt de discussie tussen Job en zijn God duidelijker.  Het boek Job is het boek waarin de vraag wordt gesteld waarom ook goede, rechtvaardige, mensen soms moeten lijden en waarom succes niet verzekerd is voor gelovigen. De vrienden van Job hadden hem gezegd dat het lijden van Job zou worden veroorzaakt door fouten die hij had gemaakt en als straf van God moest worden gezien maar daar had Job zich fel tegen verzet. Een liefdevolle God is volgens Job ook bij zijn kinderen als ze lijden en dat lijden is geen straf van die liefdevolle God. De vrienden van Job waren uitgesproken. Job had uiteindelijk zijn God ter verantwoording geroepen. Hij begon een rechtszaak tegen God. Zijn pleidooi kwam er op neer dat hem niets te verwijten viel. Hij had de armen te eten gegeven en de vreemdelingen onderdak.

Dan neemt in het verhaal God zelf het woord, in een storm. De God van Job bedient zich van een storm. De oppergod van de inwoners van Babel, waarheen het volk van Israel in ballingschap zou worden heengevoerd, was zelf een stormgod, de storm als god. De God van Israel heerst over de storm. Dat beeld zullen we veel later ook van Jezus van Nazareth te zien krijgen. Angst is geen drijfveer voor geloof in de God van Israel. De natuurkrachten zijn ondoorgrondelijk voor een eenvoudig mens als Job. Daar kun je als mens niets uit afleiden. Daar kun je geen conclusies over God uit trekken. God kan gebruik maken van de storm maar valt niet samen met de storm. Het God kwalijk nemen dat de natuurkrachten slachtoffers maken heeft geen zin. Die natuurkrachten zijn niet door aanbidding of offers gunstig te stemmen en de God van Israel laat zich niet door mensen sturen. Hij vraagt alleen vertrouwen van mensen zoals we eerder Job hoorden antwoorden aan zijn vrienden.

Die God vraagt het vertrouwen dat ook in het ergste lijden die God naast je blijft staan. Zo zijn er mensen die durven zeggen dat die God met zijn kinderen de gaskamers van Auswitz betrad en hen daar niet in de steek liet. Wel, de afwezigheid van die God bij de misdadigers van de Holocaust maakt hen tot goddelozen waar inderdaad geen sprankje licht bij te bekennen was en is. De vraag is dus nooit waarom God dat lijden veroorzaakt maar de vraag is altijd wat wij bereid zijn voor onze naasten te doen. Hebben wij oog voor de mensen die lijden, of zijn we alleen bezig met religieuze rituelen of zelfgroei. Het verbond dat deze God met mensen sloot was, dat dit de enige God voor hen moest zijn en dat dienst aan die God dienst aan de mensen zou moeten zijn. Of wij ons dus maar aan onze kant van het verbond willen houden.

 

Reacties

Job 31:16-40

16 Onthield ik aan de armen ooit waar ze om vroegen, liet ik de ogen van weduwen versmachten? 17  At ik mijn brood alleen, deelde ik het niet met wezen? 18  Hadden zij van kindsbeen geen vader in mij, stond ik weduwen niet van jongs af bij? 19  Als ik een zwerver zag die geen kleren had, een verschoppeling die zich met niets kon bedekken, 20  zegende hij mij dan niet met heel zijn hart, wanneer hij zich warmde met de wol van mijn schapen? 21  Als ik mijn vuisten tegen wezen heb gebald, omdat de rechters in de poort mijn vrienden waren, 22  mogen mijn schouders dan ontwricht worden en mijn arm doormidden breken bij de elleboog- 23  want één ding vrees ik: een door God gezonden ramp- tegen zijn oppermacht ben ik niet opgewassen. 24 Heb ik mijn hoop gevestigd op goud, van het fijnste goud gezegd: “Daarop vertrouw ik”? 25  Heb ik mij verheugd over mijn vermogen, omdat ik eigenhandig zoveel had verworven? 26  Keek ik ooit naar de zon, haar stralende licht, naar de maan in haar wassende pracht, 27  terwijl mijn hart zich heimelijk liet lokken en ik in verering mijn mond op mijn hand drukte? 28  Ook dat zou een misdrijf zijn dat bestraft moet worden, want dan zou ik God daar boven verloochend hebben. 29  Verheugde ik mij over de ondergang van mijn vijand, juichte ik wanneer hij door het kwaad getroffen werd? 30  Nooit heb ik mijn mond laten zondigen door met een vloek zijn leven te verlangen. 31  Zullen mijn verwanten niet getuigen: “Ieder deed zich te goed aan het vlees van zijn kudden”? 32  Geen vreemdeling liet ik buiten overnachten, voor elke reiziger opende ik mijn deuren. 33 Heb ik als anderen mijn overtredingen verhuld en mijn zonden weggeborgen in mijn binnenste, 34  omdat ik in angst en beven voor de menigte verkeerde en de verachting van anderen mij angst aanjoeg, zodat ik mij stilhield en geen stap naar buiten deed? 35  O, wilde er maar iemand luisteren! Ik sta in voor wat ik heb gezegd. Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven, laat mijn tegenstander zijn klacht boekstaven! 36  Dan zou ik die op mijn schouders dragen, als een krans zou ik hem om mijn hoofd vlechten. 37  Ik kan van al mijn gangen rekenschap afleggen, fier als een vorst treed ik hem tegemoet. 38  Als mijn akkers ooit geroepen hebben om vergelding, als uit hun voren een jammerklacht is opgestegen, 39  als ik hun vruchten heb verteerd zonder te betalen en de boeren tot wanhoop heb gebracht- 40  mogen er dan dorens opschieten in plaats van tarwe en woekerkruid in plaats van gerst.’  Hier eindigen de woorden van Job. (NBV)

Vandaag geeft Job ons een lesje in het houden van je naaste. Job heeft slaven en slavinnen. Daar begint het mee. Maar aan slaven en slavinnen het recht op een eigen mening toekennen? Dat spoort niet met wat wij gewend zijn uit onze geschiedenis over slavernij. Job kende kennelijk geen werknemers. De eerste boeken van de Bijbel, daar waar de wetten van het volk Israel staan opgeschreven, suggereren dat arme Israëlieten zich gedwongen zagen zich als slaaf te verhuren. Het lijkt er soms op dat loondienst gelijk staat aan slavernij. Dat zal vele werknemers ook in de huidige samenleving niet verbazen. Job beschouwt deze slaven als gelijken, ze zijn immers allemaal op dezelfde manier ter wereld gekomen als hij. Armen iets geven, weduwen steunen, brood delen met wezen, zwervers kleden, geen partij trekken voor de machtigen tegen de zwakken we kennen het allemaal. Job voert het aan als rechtvaardiging voor zijn verzet tegen de rampen die hem hebben getroffen. Houden van je naaste is dus wat je hebt in dienst stellen van mensen die het niet hebben en zonder dat niet kunnen.

In het slot van het gedeelte van vandaag gaat Job nog een keer na wat hij toch fout zou kunnen hebben gedaan en waarvoor hij gestraft had moeten worden. Hij had zich niet beroepen op zijn rijkdom, noch zijn rijkdom tot zijn God gemaakt. Een fout die ons allemaal bekend is. Dure merkkleding, het fijn goud, of brokaat zoals de Naardense Bijbel het vertaalt, Job maalde er niet om. Hij waant zich niet de baas van zon en maan. Ook zijn vijanden liet hij in hun waarde. En zijn gezin was er getuige van dat hij de vruchten van zijn akkers altijd wist te delen. Ja, geen vreemdeling liet hij buiten overnachten. Gelovigen zijn in de geschiedenis nog wel eens voor streng uitgemaakt. Je moet zo veel hoor je tot op de dag van vandaag. Nou dat moeten valt wel mee. Voor gelovigen is het vanzelfsprekend. Je deelt wat je hebt met hen die het nodig hebben om zelf weer op de been te kunnen komen. En voor vreemdelingen doe je wat extra's. Je deur open zetten voor vreemdelingen maakt dat je zelf niet in een vreemde omgeving komt te wonen. Veel mensen zijn bang voor die rare vreemdelingen die naast hen zijn komen wonen.

Nou vallen naaste buren vaak nog wel mee, maar die rare overburen uit weer een ander land met weer een andere taal, die dat rare Islam geloof weer op een andere manier beleven zijn natuurlijk eng. En dan zijn er ook vreemdelingen die nog meer aan de gewoonten uit hun eigen land gaan hangen dan ze in dat land zelf doen. Dat vreemdelingen bang kunnen zijn voor de rare gewoonten die wij er op na houden ontgaat ons vaak. Dat wij onze christelijke godsdienst op tenminste 275 verschillende manieren beleven ontgaat ons ook, maar zoveel christelijke kerkgenootschappen waren er een paar jaar geleden ingeschreven. Alleen de deuren voor elkaar openzetten kan ons van onze angst afhelpen. En als je met elkaar vertrouwt raakt woon je weer in een vertrouwde omgeving. Doen, en betrek iedereen er maar bij, want iedereen mag deel hebben aan dat Koninkrijk waar ook Job zich toe rekende.

Reacties

Job 31:1-15

1 Ik heb een verbond gesloten met mijn ogen: nooit zal ik naar jonge vrouwen kijken. 2  Wat heb ik van God in de hemel te verwachten, wat valt mij ten deel van de Ontzagwekkende daar boven? 3  Wacht de boosdoener geen rampspoed, treft het ongeluk niet hen die onrecht doen? 4  Ziet hij niet de wegen die ik ga, telt hij niet al mijn stappen? 5  Heb ik het pad van het bedrog bewandeld, vluchtte ik ooit in de leugen? 6  Laat hij mij op een eerlijke weegschaal wegen, dan zal hij zien dat ik onschuldig ben. 7  Als mijn voet is afgeweken van de goede weg, als mijn hart heeft toegegeven aan mijn oog, als er aan mijn hand een smet is blijven kleven, 8  dan zal ik zaaien, maar anderen zullen eten, en wat ik voortbreng zal verdelgd worden. 9 Als mijn hart zich door een vrouw heeft laten lokken en ik geloerd heb bij mijn buurmans deur, 10  laat mijn vrouw dan koren malen voor een vreemde, laat anderen maar bij haar liggen, 11  want het zou een schanddaad zijn, een misdrijf dat bestraft moet worden, 12  een vuur dat een mens de afgrond in drijft, dat de oogst verdelgt tot aan de wortels. 13  Als ik mijn slaaf of slavin ooit hun recht ontzegd heb wanneer wij van mening verschilden, 14  wat zal ik dan beginnen als God voor mij oprijst, en als hij mij ondervraagt-wat kan ik dan antwoorden? 15  Maakte hij hen in de moederschoot niet net als mij, vormde een en dezelfde ons niet eender in de moederbuik?

Job is een man. In de Bijbel gaat het vaak over mannen. Net als het in de wereld vaak over mannen gaat. Mannen eigenen zich macht en bezit toe. Ze eigenen zich zelfs de taal toe. Probeer maar eens een dag te spreken zonder te doen of er alleen mannen bestaan, probeer maar eens alles te zeggen zo dat vrouwen en mannen beiden inbegrepen zijn in de taal die je spreekt. Dat is moeilijk. Mannen zijn een gevaar voor vrouwen. Er worden meer vrouwen door mannen verkracht dat mannen door vrouwen. Seriemoordenaars die meerdere vrouwen vermoorden zijn vaker mannen dan dat er vrouwen zijn die meerdere mannen vermoorden. Als vrouwen over straat gaan worden ze nagefloten, soms nageroepen maar vaak genoeg ook nagestaard. Begerige blikken worden op haar geworden heet het dan.

Omgekeerd hebben mannen daar toch veel minder last van. De Bijbel leert ons dat mannen vrouwen en vrouwen mannen niet als object, als voorwerp moeten zien maar als elkaars gelijke. Als Job gevraagd wordt naar de zonden die hij begaan zou kunnen hebben en die zouden kunnen hebben geleid naar zijn ellende dan antwoord hij dat hij zelfs nooit begerige blikken op een andere vrouw heeft geworpen. Het partnerschap dat hij is aangegaan met de vrouw die hem haar man kan noemen is hem heilig. Zo zouden alle mannen moeten kunnen spreken. En omdat het voor de hand ligt dat ze dat niet kunnen zijn er vrouwen die zich onttrekken aan die begerige blikken, die sluiers dragen of in het ergste geval boerka's.

Slechte mannen als Geert Wilders willen dat verbieden, met mooie praatjes verdedigen zij hun recht hun begerige blikken te mogen blijven werpen op wie ze willen. Vrouwen als gelijke beschouwen is er niet bij. Hoewel blijkt dat vrouwen tegenwoordig zelfs gemiddeld hoger opgeleid zijn dan mannen is het loon dat vrouwen krijgen voor hetzelfde werk over het algemeen nog lager. En de helft van onze regering, en de helft van ons parlement, en de helft van de binnenkort opnieuw te kiezen provinciale staten bestaan nog steeds niet uit vrouwen. Er zijn zelfs Nederlandse politieke partijen die vrouwen het recht ontzeggen zich met politiek en openbaar bestuur bezig te houden. Voor mannen van die partij, juist voor die mannen die Job vandaag wel kunnen lezen maar niet in de ikvorm kunnen nazeggen. Er is nog een wereld te winnen.  

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl