basalk.punt.nl
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!

Laatste artikelen

Deuteronomium 2:16-25

16  Toen dus alle weerbare mannen waren gestorven, 17  zei de HEER tegen mij: 18  ‘Vandaag trek je door Ar heen, het gebied van Moab. 19  Je zult dan in de buurt komen van de Ammonieten. Bejegen ook hen niet vijandig en daag hen niet uit. Ook van het land van de Ammonieten geef ik je niets in bezit; ik heb het aan de nakomelingen van Lot in eigendom gegeven.’ 20  (Ook dat wordt beschouwd als land van de Refaïeten, die daar vroeger woonden; in Ammon worden ze Zamzummieten genoemd. 21  Het was een groot en machtig volk van reuzen zoals de Enakieten, maar de HEER heeft hen uitgeroeid, zodat de Ammonieten zich meester konden maken van hun land en zich daar in hun plaats konden vestigen. 22  Hetzelfde heeft hij gedaan voor de afstammelingen van Esau in de Seïr. Ter wille van hen heeft hij de Chorieten uitgeroeid, waarna zij zich meester maakten van hun land en zich daar in hun plaats vestigden; zij wonen er tot op de dag van vandaag. 23  En zo hebben ook de Kaftorieten, afkomstig van Kreta, de Awwieten uitgeroeid die in de buurt van Gaza in dorpen woonden, en zich daar in hun plaats gevestigd.) 24  De HEER zei: ‘Breek nu het kamp op en steek het dal van de Arnon over. Hierbij lever ik Sichon, de Amoritische koning van Chesbon, met zijn land aan je uit. Val aan, daag hem uit en neem zijn land in bezit. 25  Vanaf dit moment laat ik alle volken ter wereld van angst voor jullie sidderen. Wanneer ze de geruchten over jullie horen, zullen ze jullie komst met schrik en beven tegemoet zien.’ (NBV)

Waar haalt Israël de moed vandaan om Kanaän te veroveren. Ze  zijn en blijven woestijnzwervers en hebben weinig of geen ervaring met het voeren van oorlog. Mozes is zich dat goed bewust. Er was ooit een slag met de Ammelakieten geweest. Die slag was nog door de vorige generatie gevoerd. Bij die slag was het uitermate belangrijk geweest dat Mozes had gewezen op de hulp van de God van Israël, hij hield zijn armen omhoog. Zo lang hij zijn armen omhoog hield ging het goed voor het volk. Op het laatste moest Jozua zijn armen ondersteunen en dat ging nog maar net goed. Maar nu was er een nieuwe generatie, alle weerbare mannen van de eerste generatie waren gestorven.

God had Mozes al eens gewaarschuwd geen oorlog te voeren met broedervolken. Edom en Moab moesten met rust gelaten te worden. Dat blijkt ook te gelden voor de Ammonieten, dat waren bastaarden maar toch afstammelingen van Lot. In dat land hadden ook reuzen gewoond maar die waren verslagen, met de hulp van God dus. Ook de afstammelingen van Esau hadden moeten vechten om het door God gegeven land in bezit te kunnen nemen. De Chorieten hadden verloren. De Kaftorieten uit Gaza behoorden bij de zeevolken die de kusstreek van Kanaän in bezit hadden genomen. Wij kennen ze uit de Bijbel beter als de Filistijnen. Die hadden hun land dus ook van de God van Israël gekregen maar werden vijanden omdat ze plunderden in plaats van het geschenk dat ze hadden gekregen te delen.

Het eerste volk dat nu  verslagen moet worden zijn de Ammorieten. Die wonen aan de overzijde van de Arnon, een riviertje dat zich door een dal kronkelt. Militair gezien niet direct voor de hand liggend om dat met een groot aantal mensen over te steken. Maar God heeft beloofd om de koning van de hoofdstad van de Ammorieten, Chesbond aan hen uit te leveren. Die Koning was Sichon. De overwinning die hen te wachten staat zal de andere volken van Kanaän, van de hele wereld staat er eigenlijk, grote schrik aanjagen. Het klinkt natuurlijk mooi dat je wint als God aan je zijde staat maar dat is niet vrijblijvend. De Filistijnen die hun land van die God hadden gekregen werden later met behulp van die God verslagen door Koning David. Maar ook Israël zelf had uiteindelijk het land verloren. Zo mogen ook wij ons niet zomaar verzekerd weten van de steun van God als we oorlog gaan voeren. Het "Gij zult niet doden" geldt voor het volk Israël en ook van ons. Voorop staat dat we vriendschappelijke betrekkingen met volken moeten onderhouden.

Reacties

Deuteronomium 2:2-15

2  Toen zei de HEER tegen mij: 3  ‘Jullie zijn nu lang genoeg om dit gebergte heen getrokken. Keer om en ga naar het noorden. 4  En jij moet het volk voorhouden: “Straks komen jullie door het gebied van jullie broeders, de afstammelingen van Esau, die in de Seïr wonen. Zij zullen bang voor jullie zijn, maar jullie moeten jezelf goed in acht nemen 5  en hen niet uitdagen. Ik geef jullie nog niet het kleinste stukje van hun land; het Seïrgebergte heb ik immers aan Esau in eigendom gegeven. 6  Het voedsel dat jullie nodig hebben moet je gewoon van hen kopen, en ook voor je drinkwater moet je hun betalen. 7  Want de HEER, jullie God, heeft jullie gezegend in alles wat je ondernomen hebt. Hij heeft op heel die tocht door de grote woestijn over je gewaakt. De HEER, jullie God, stond jullie ter zijde, veertig jaar lang, en het heeft je aan niets ontbroken.”’ 8 Toen wij onze broeders in de Seïr, Esaus afstammelingen, achter ons gelaten hadden, verlieten we de route die van Elat en Esjon-Geber door de Araba loopt, en trokken we naar de woestijn van Moab. 9  Toen zei de HEER tegen mij: ‘Je mag de Moabieten niet vijandig bejegenen en hen niet uitdagen, want ik geef je van hun land niets in bezit; ik heb Ar immers aan de nakomelingen van Lot in eigendom gegeven.’ 10  (Vroeger woonden daar de Emieten, een groot en machtig volk van reuzen zoals de Enakieten. 11  Evenals de Enakieten worden zij tot de Refaïeten gerekend; in Moab worden ze Emieten genoemd. 12  En in de Seïr woonden vroeger de Chorieten, maar de afstammelingen van Esau hebben zich van hun land meester gemaakt door hen uit te roeien en zich in hun plaats daar te vestigen, net zoals de Israëlieten gedaan hebben met het land dat de HEER hun in bezit heeft gegeven.) 13  De HEER zei: ‘Breek op en steek het dal van de Zered over, ‘en dat hebben we gedaan. 14  Tussen ons vertrek uit Kades-Barnea en de oversteek van de Zered waren er achtendertig jaar verstreken. Uiteindelijk was er van de eerste generatie geen weerbare man meer over in ons kamp, zoals de HEER gezworen had. 15  Ook had de HEER er eigenhandig voor gezorgd dat ze in paniek het kamp uit gevlucht waren en ten slotte allemaal de dood hadden gevonden. (NBV)

De Hebreeuwse Bijbel wordt nog wel eens verweten zeer gewelddadig te zijn. Hele volken worden er uitgeroeid. We komen nog wel eens op het falen van deze stelling maar vandaag komen we een zeer uitgesproken verbod op het voeren van oorlog met een tweetal volken tegen. Het volk Israël stamt af van Jacob, de zoon van Izaäk en de broer van Esau. De nakomelingen van Esau vormden ook een volk, Edom. En van het oorlogvoeren met broedervolken kan geen sprake zijn. Aan het eind van het verhaal over Israël en het beloofde land, te vinden in het eind van het boek 2 Koningen, wordt wel oorlog gevoerd met Edom. Het volk is dan zo ver van de God van Israël afgedwaald dat het leidt tot de ballingschap. En als antwoord op de vraag hoe het zo ver gekomen is dat Israël het beloofde land is kwijtgeraakt wordt hier gezegd dat Israël onvoldoende de broedervolken in ere had gehouden. Geen oorlog, maar omtrekken, geen plunderingen, maar gewoon betalen voor wat je nodig hebt.

Nog sterker geldt het misschien voor de vrede die het volk met Moab moet bewaren. Ooit had Israël aan Moab gevraagd om water en voedsel. Met een groot militair vertoon was dat geweigerd. De koning van Moab had zelfs de profeet Barak ingehuurd om Israël te vervloeken. Zo ver was het niet gekomen wat Barak was niet in staat geweest om Israël te vervloeken, integendeel hij had het volk gezegend. Er zou dus alle reden zijn om niet zo voorzichtig met Moab om te gaan. Het was een volk dat niet met Israël wilde delen. Maar het wordt Israël zeer uitdrukkelijk verboden. Ook het volk van Moab is aan Israël verwant. Het zijn de nakomelingen van Lot, de neef van Abraham. En de belofte aan Abraham van veel volken met een eigen land en een eigen plek op aarde geldt ook voor Moab. Een beetje zielig waren ze ook nog. Het waren immers afstammelingen van de dochters van Lot die hun vader hadden ingeschakeld om zich van een toekomst te verzekeren,

Het verdrijven van volken om een eigen land te kunnen stichten was kennelijk heel normaal. Ook daar had het volk Israël eigenlijk niks mee te maken. Ze zouden het ook gaan doen. En zowel Edom als Moab waren volken die de oorspronkelijke bevolking hadden verdreven of uitgeroeid om hun land te kunnen vestigen. Ook in hun landen hadden reuzen gewoond. Israël had dus al een voorbeeld dat de God van Israël in staat was hen zelfs reuzen te laten overwinnen. Daarom hadden ze nog achtendertig jaar in de woestijn rond moeten zwerven tot er geen weerbare man over was van de generatie die zich liet leiden door het lot en door angst en die eigenlijk geweigerd hadden alleen te vertrouwen op de God van Israël. Andere goden achterna lopen zal ook het vervolg van Deuteronomium steeds de reden zijn waarom het met Israël verkeerd gaat. Als wij meer op het lot vertrouwen dan op de door God gegeven vaccinatie lopen we vergelijkbare risico's. Gelovigen in de God  van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth zijn dan ook voortdurend bezig iedereen te bewegen aan de vaccinaties deel te nemen.

Reacties

Deuteronomium 1:34–2:1

34  Toen de HEER u hoorde klagen, ontstak hij in woede. Hij zwoer: 35  ‘Niemand van deze verdorven generatie zal het goede land zien dat ik jullie voorouders onder ede heb beloofd. 36  Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, zal het zien; aan hem en zijn zonen zal ik het gebied geven dat hij verkend heeft, want hij bleef volledig op de HEER vertrouwen.’ 37  Door uw schuld werd de HEER ook kwaad op mij: ‘Ook jij mag het land niet in, ‘zei hij. 38  ‘Maar je rechterhand Jozua, de zoon van Nun, zal het wél binnengaan. Bereid hem voor op zijn taak; hij zal het land aan Israël in bezit geven. 39  En jullie kinderen, die volgens jullie buitgemaakt zouden worden, jullie kinderen die zich nog niet bewust zijn van goed en kwaad, mogen dat land ook binnengaan. Aan hen zal ik het geven, zij zullen het in bezit nemen. 40  Maar jullie moeten nu omkeren en de woestijn weer in trekken, in de richting van de Rode Zee.’ 41  Toen hebt u mij geantwoord: ‘Wij hebben gezondigd tegen de HEER. Maar nu zullen we ten strijde trekken, zoals de HEER, onze God, ons heeft opgedragen.’ En nadat ieder van u zijn wapens had aangegord, wilde u in uw overmoed naar de bergen trekken. 42  Maar de HEER droeg mij op u te waarschuwen: ‘Trek niet ten strijde-anders zullen jullie door je vijanden verslagen worden, want ik ben niet in jullie midden.’ 43  Ik heb u dat gezegd, maar u wilde niet luisteren en verzette u tegen het bevel van de HEER. U had de euvele moed om toch naar de bergen op te trekken. 44  De Amorieten, die daar wonen, kwamen op u af en achtervolgden u als een zwerm bijen. Ze brachten u in het Seïrgebergte een verpletterende nederlaag toe en joegen u na tot aan Chorma. 45  Na terugkomst klaagde u uw nood bij de HEER, maar hij wilde niet naar u luisteren en hield zich doof. 46  Zo bent u lange tijd in Kades gebleven. 1 Ten slotte zijn we omgekeerd en de woestijn weer in getrokken, in de richting van de Rode Zee, zoals de HEER mij had opgedragen. Jarenlang trokken we om het Seïrgebergte heen. (NBV)

Zelfs Mozes mag het beloofde land niet in. Iedereen wordt door de God van Israël weer de woestijn ingejaagd. En waarom? Als je het verhaal nauwkeurig leest dan gaat het om de kennis van goed en kwaad. Die waren we in het begin van het boek Genesis, het begin van de Bijbel al tegengekomen. De mens had gedacht dat de kennis van goed en kwaad de mens gelijk zou maken aan God. In plaats daarvan werden ze gelijk aan de dieren. Man en vrouw waren niet langer een eenheid maar gericht op de voortplanting, net als de dieren dus. Genieten van elkaar, respecteren van elkaar, werden zaken van ondergeschikt belang. Het volk Israël trok uit het verslag van de verkenners een vergelijkbare conclusie. Het leven kent altijd goed en kwaad. Ook al doe je niets dan het goede je zult altijd weer het kwade tegenkomen. Het is van een soort fatalisme dat je ook vandaag de dag nog wel tegenkomt. Omdat alles wat we krijgen uit Gods hand ons gegeven is lijkt ook ziek worden een geschenk van God. De een wordt wel ziek de ander niet.

De Heidenen, met name de Grieken en de Romeinen hadden daar hun eigen god voor, die heette het lot en die had hulp van drie weefsters die het lot voor de mens vastlegden. Daar viel weinig of niets tegen te doen. Wie echter de God van Israël verwart met de god van lot loopt een vreemde god achterna. Als God ons iets beloofd dan mogen wij daarop  vertrouwen. Zo mocht het volk Israël vertrouwen op de belofte dat het volk het beloofde land zou krijgen. Als we geloven dat alles wat we krijgen ons uit Gods hand is toegevallen dan mogen we God ook heel dankbaar zijn voor vaccins. Het is het geschenk dat mensen behoeden kan voor ziekten. Niet alleen de gevaccineerden maar ook hun omgeving. Liefde voor de naaste betekent dat je jezelf en je kinderen laat vaccineren. Het volk moest nog veel leren. Jozua en Kaleb, de twee verkenners die hadden gelet op de overvloedige aanwezigheid van vruchten in het land mochten wel dat land in.

Als God beloofd dat je vijanden kan overwinnen dan zal dat ook gebeuren. Aan het eind zal altijd het goede de overhand krijgen. Alleen als wij ons daar zelf van afkeren zal het kwade ons komen plagen. Het volk moest weer de woestijn in. Daar valt veel te leren. Je kunt in het zand vrijblijvend nieuwe sporen uitzetten. Opnieuw de samenleving waarin je verstrikt bent geraakt vorm geven. Wij moeten hopen en bidden dat wij niet ook geplaagd gaan worden door ziekten omdat te veel mensen in plaats van de God van Israël de god van het lot na lopen. Geloven in het zoete fluit van de verwarrer die met onzinargumenten over vaccinatie ons allen in gevaar willen brengen. Alleen het vertrouwen dat kinderen hebben in het goede kan ons helpen. Veel en veel later zou Jezus van Nazareth ons oproepen te worden als een kind. En de kinderen uit het verhaal van vandaag mogen het beloofde land binnentrekken.

Reacties

Deuteronomium 1:19-33

19 Vanaf de Horeb zijn we dwars door die grote, verschrikkelijke woestijn getrokken, die u nog lang zal heugen, naar het bergland van de Amorieten, zoals de HEER, onze God, ons had opgedragen. Ten slotte kwamen we bij Kades-Barnea. 20  Toen zei ik tegen u: ‘U bent nu het bergland van de Amorieten genaderd, dat de HEER, onze God, ons zal geven. 21  Hij is het die u dat gebied schenkt. Welnu, trek verder en neem het in bezit, want zo heeft de HEER, de God van uw voorouders, het bepaald. Wees niet bang en laat u door niets ontmoedigen.’ 22  Toen bent u allemaal bij me gekomen en u zei: ‘We willen mannen vooruitsturen om het land te verkennen. Dan kunnen zij ons verslag uitbrengen en ons vertellen welke route we moeten nemen en langs welke steden we komen.’ 23  Ik vond dat een goed voorstel en koos twaalf mannen uit, één per stam. 24  Zij zijn erop uitgegaan, het bergland in getrokken en uiteindelijk in het Eskoldal aangekomen. Na verkenning van het dal 25  plukten ze daar vruchten, namen die mee en deden ons verslag. ‘Het is prachtig, ‘vertelden ze, ‘dat land dat de HEER, onze God, ons zal geven!’ 26  Maar u wilde niet verder trekken en verzette u tegen het bevel van de HEER, uw God. 27  U zat in uw tenten te klagen: ‘De HEER moet ons wel haten! Hij heeft ons alleen maar uit Egypte weggehaald om ons uit te leveren aan de Amorieten en om ons te laten uitroeien. 28  Waar gaan we eigenlijk heen? De moed is ons in de schoenen gezonken toen onze verkenners vertelden dat de mensen daar sterker en langer zijn dan wij, dat ze in grote steden met hemelhoge versterkingen wonen en dat er zelfs reuzen leven.’ 29  Toen heb ik u geantwoord: ‘Er is geen enkele reden om bang voor hen te zijn. 30  De HEER, uw God, die voor u uit gaat, zal immers voor u strijden. U hebt toch gezien hoe hij het in Egypte voor u opnam, 31  en ook in de woestijn, waar u ervaren hebt dat de HEER, uw God, u gedragen heeft zoals een vader zijn kind draagt, de hele weg die u gegaan bent tot uw aankomst hier.’ 32  Desondanks vertrouwde u niet op de HEER, uw God, 33  hoewel hij u voorging op uw weg om een plaats voor u te zoeken waar u uw kamp kon opslaan, en u ‘s nachts met een vuur en overdag met een wolk de weg wees die u moest gaan. (NBV)

Het is niet de eerste keer dat het volk zicht heeft op het land overvloeiende van melk en honing. Deze tweede keer is er niemand meer die de tijd in Egypte nog heeft meegemaakt en dat is niet voor niks. De eerste keer dat het land van God in zicht was vroeg het volk het land eerst te mogen verkennen. Dat mocht en uit elke stam ging een verkenner op pad. Twaalf mannen samen. Ze gingen een fors deel van het land in en namen de vruchten van het land mee. Het verhaal over die vruchten wordt hier niet herhaald maar vergeet niet dat er een druiventros bij was die door twee man samen hangend aan een stok moest worden gedragen zo zwaar was die druiventros. Voor wonen in zo'n land in plaats van rond te zwerven in de woestijn zou je toch heel wat over moeten hebben.

Dat viel dus zwaar tegen. Ook Israël liet zich leiden door angst. Zeker als het gaat om vreemdelingen wordt ook bij ons wel een de angst belangrijker geacht dan de medemenselijkheid. Veel mensen en zeker de regering vinden het zelfs niet erg als daar jonge kinderen het slachtoffer van worden. Mozes vertelt hier dat de verkenners dat nieuwe prachtig vonden. Maar dat het volk in hun tenten ging zitten klagen en hun angst voor de vijand de voorrang gaven. In het oorspronkelijke verhaal waren het ook het merendeel van de verkenners die er voedsel aan gaven. Zij hadden namelijk reuzen gezien en ze waren bang geworden dat die reuzen niet onoverwinnelijk zouden blijken. Bovendien hadden ze als woestijnvolk weinig ervaring met het innemen van zwaar ommuurde steden.

Vertrouwen op de God van Israël was toch te mager om de angst  weg te nemen. Mozes vatte toch nog maar eens samen wat het volk had meegemaakt. Ze waren in slavernij geweest, een leven telde daar niet bij en als ze vroegen om een offer aan hun God te mogen brengen in de woestijn werd de last van de slavernij nog eens verzwaard. Toen heeft die God alle eerstgeborenen laten sterven. De eerstgeborenen van het volk bleven leven. Ze waren het land uitgejaagd, maar toen het leger van Egypte hen toch achtervolgde was de zee gespleten en werden ze gered. Elke dag hadden ze van God te eten gekregen, brood van manna uit de hemel. Steeds weer was die God in een wolkkolom voor hen uitgegaan en had hen in een vuurkolom beschermd. Nu stond de volgende generatie voor de grens en ook zij kregen te horen dat angst een wel heel slechte raadgever zou zijn. En dat geldt ook voor ons. Medemenselijkheid brengt vrede, onmenselijkheid geweld en dood. Soms is de boodschap heel eenvoudig.

Reacties

Deuteronomium 1:9-18

9  Daarna heb ik tegen u gezegd: ‘Ik alleen kan de verantwoordelijkheid voor u niet dragen. 10  De HEER, uw God, heeft u zo in aantal doen toenemen dat u nu zo talrijk bent als de sterren aan de hemel, 11  en moge hij, de God van uw voorouders, u nog duizendmaal zo talrijk maken en u zegenen zoals hij heeft beloofd. 12  Maar hoe zou ik alleen de last van uw problemen en geschillen kunnen dragen? 13  Wijs daarom in elke stam bekwame, verstandige en ervaren mannen aan, dan zal ik hen als leiders over u aanstellen.’ 14  Toen antwoordde u: ‘Uw voorstel is goed, dat zullen we doen.’ 15  Daarop koos ik de hoofden van uw stammen uit, bekwame, ervaren mannen, en gaf hun de leiding over groepen van duizend man, van honderd, van vijftig en van tien; anderen stelde ik voor uw stammen als schrijver aan. 16  De rechters gaf ik toen deze instructie: ‘Hoor beide partijen en doe rechtvaardig uitspraak, zowel tussen twee volksgenoten als wanneer er een vreemdeling bij betrokken is. 17  Oordeel zonder aanzien des persoons, hoor de arme evengoed als de rijke. Laat u door niemand bang maken, want u spreekt recht namens God. Wanneer iets u te moeilijk is, leg het dan aan mij voor en ik zal me erover buigen.’ 18  En zo heb ik u destijds vele aanwijzingen gegeven. (NBV)

Vandaag lezen we over de eerste democratische samenleving. We vergeten nog wel eens dat Mozes, op advies van zijn schoonvader, het slavenvolk  omvormde tot een democratisch georganiseerde samenleving. Elke stam koos haar  eigen leiders. Die werden dan vertegenwoordigers van groepen van 1000 man, van 100, van 50 en van 10. Wat er besproken werd en wat er besloten werd legde men vast, daarvoor werden schrijvers aangesteld. Dit heeft alleen zin als het volk ook in de groepen met elkaar sprak. Overigens is het dus geen parlementaire democratie waarbij je vertegenwoordigers kiest om vervolgens vier jaar je mond te moeten houden. Nee de leiders binnen jouw groep en binnen jouw stam ontmoet je dagelijks. Er is dan ook sprake van directe democratie. Een model dat best ingebracht mag worden in de discussie over onze parlementaire democratie.

Naast de leiders van stammen en groepen binnen die stammen werden onafhankelijke rechters aangesteld. Uiteindelijk zou de stam Levi de taak van de rechtspraak op zich nemen. Zij kregen dan ook geen land en moesten leven van de offers die door het volk aan de God van Israël werden gebracht. Ze waren dus niet afhankelijk van individuele belangen en konden volstrekt onafhankelijk recht spreken. De  hoogte van de offers stond namelijk vast in de richtlijnen voor het offeren. Dat offeren was dan ook niet een offer aan God, die had de offers niet nodige, maar een bewijs dat de gelovige bereid was om te delen van hetgeen de God van Israël had laten toevallen.

Dat er rechtvaardig recht moet worden gesproken vond men toen net zo als nu. Met een groot verschil. Bij ons worden de vreemdelingen wel heel erg verschillend behandeld van de mensen die onze nationaliteit hebben. Zelfs als je hier geboren bent loop je de kans dat je ineens als vreemdeling wordt behandeld en gedeporteerd naar een jou volstrekt onbekend  land. Mozes roept de rechters op de vreemdelingen net zo veel recht  te geven als de leden van het volk. Die oproep zouden we vandaag moeten herhalen. Ook in Israël ging het uiteindelijk niet goed, de Prediker verzucht dat hij naar de plaats van het recht keek en daar onrecht zag, de tranen der verdrukten en geen trooster. Soms lijkt het er bij ons ook wel op.

Reacties

Deuteronomium 1:1-8

1 Dit is de toespraak die Mozes tot heel Israël heeft gehouden in de dorre vlakte aan de overkant van de Jordaan, ter hoogte van Suf, tussen Paran aan de ene kant en Tofel, Laban, Chaserot en Di-Zahab aan de andere. 2  (Het is elf dagreizen van de Horeb naar Kades-Barnea, als men de route door het Seïrgebergte volgt.) 3  Veertig jaar na het vertrek uit Egypte, op de eerste dag van de elfde maand, sprak Mozes het volk van Israël toe zoals de HEER hem had opgedragen. 4  Dat gebeurde nadat hij Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde, had verslagen, alsook koning Og van Basan, die zetelde in Astarot en Edreï. 5  Aan de overkant van de Jordaan, in Moab, begon Mozes het volk te onderrichten, duidelijk en uitvoerig: 6  De HEER, onze God, heeft bij de Horeb tegen ons gezegd: ‘Jullie zijn nu lang genoeg bij deze berg gebleven. 7  Breek het kamp op en trek naar het bergland van de Amorieten en naar het gebied van de naburige volken: de Jordaanvallei, het bergland, het heuvelland, de Negev en de  kuststrook-de gebieden van de Kanaänieten-en de Libanon tot aan de grote rivier de Eufraat. 8  Heel dat gebied schenk ik jullie. Trek het binnen en neem het in bezit, want dat is het land dat de HEER jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob en hun nageslacht onder ede heeft beloofd.’ (NBV)

Dit is het begin van het boek Deuteronomium. Een bijzonder boek. Het meeste dat er in staat vind je ook terug in de vier Bijbelboeken die er voor staan. Samen vormen ze de vijf boeken van de Tora. In die vijf boeken kun je leren hoe de God van Israël met mensen om gaat en hoe mensen met elkaar en met die God zijn omgegaan. Het boek Deutronomium is gegoten in de vorm van een toespraak van Mozes op het moment dat het volk Israël op het punt staat de Jordaan over te steken en het land dat God had beloofd in ontvangst te nemen. De volken die al in de woestijn hadden geprobeerd om het volk Israël tegen te houden, of zelfs te vernietigen waren verslagen met een duidelijk herkenbaar aandeel van de God van Israël in de overwinningen.

Voorop staat dat die God dat land aan Israël heeft beloofd en gegeven. Er is dan ook een zeer pijnlijke discussie over de vraag of de huidige staat Israël sinds 1948 niet de vervulling van die belofte door de God van Israël is geweest. Maar die vraag is niet een Bijbelse vraag. De volken die in dit eerste gedeelte worden genoemd zijn overwonnen nadat ze water, voedsel en doortocht aan Israël hadden geweigerd. De Koningen die worden genoemd hadden eerst aan zichzelf gedacht en nooit enig begrip opgebracht voor de arme woestijnzwervers die op weg naar een eigen land bij hen hadden aangeklopt. Een Bijbelse vraag is daarom eerder op welke koningen, op welke volken willen wij lijken. Op volken die een economische en politieke boycot van een ander volk willen omdat ze als volk Israël zouden bestrijden of op het volk Israël dat alleen om een vreedzame samenleving uit was.

Het boek Deuteronomium staat niet alleen. Het staat aan het begin van een serie boeken in de Bijbel die uitlopen op de ballingschap. De vraag die door de schrijvers werd gesteld is hoe het mogelijk is dat de God van Israël zo'n heldere en duidelijke belofte heeft gedaan en dat in hun tijd zij het land volledig hadden verloren en in ballingschap waren gevoerd. Daarvoor is de geschiedenis van het volk met haar God nauwkeurig onderzocht. Het begin lees je in Deuteronomium maar in de boeken Jozua, Rechters, Samuël en Koningen wordt dat onderzoek voortgezet. In de Christelijke Bijbel staan er een paar boeken tussen maar het zogenaamde Oude Testament is nu eenmaal de Hebreeuwse Bijbel en dat de Christenen de volgorde van Israël niet heeft gevolgd doet daar niet aan af. De belofte blijft en daarmee ook de vraag waarom het volk Israël niet in vrede leeft. Daarvoor moet je leren hoe het gekomen is dat uiteindelijk de ballingschap de uitkomst was. Dit was les 1. Leer er van.

 

Reacties

Efeziërs 6:1-9

1  Kinderen, wees gehoorzaam aan je ouders uit ontzag voor de Heer, want zo hoort het. 2  ‘Toon eerbied voor uw vader en moeder, ‘dat is het eerste gebod waaraan een belofte verbonden is: 3  ‘Dan zal het u goed gaan en zult u lang leven op aarde.’ 4  Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen bij het opvoeden zoals de Heer dat wil. 5  Slaven, gehoorzaam uw aardse meester zoals u Christus gehoorzaamt, met ontzag, respect en oprechtheid; 6  niet met uiterlijk vertoon om bij de mensen in de gunst te komen, maar als slaven van Christus die van harte alles doen wat God wil. 7  Doe uw werk met plezier, alsof het voor de Heer is en niet voor de mensen, 8  want u weet dat allen door de Heer beloond worden voor het goede dat ze doen, zowel slaven als vrije mensen. 9  Meesters, behandel uw slaven op dezelfde manier. Laat dreigementen achterwege, want u weet dat zij en u dezelfde Heer in de hemel hebben, en dat hij geen onderscheid maakt. (NBV)

Gisteren hadden we het over de misverstanden die de woorden van Paulus kunnen oproepen, en helaas hebben opgeroepen, over de verhouding tussen mannen en vrouwen. Met de woorden van Paulus over ouders en kinderen en over slaven en meesters is het al niet anders. De oproepen om in de geest van Jezus van Nazareth te blijven in die verhoudingen zijn maar al te vaak uitgelegd om de gehoorzaamheids gewoonten van de wereld over te nemen. Zorgen voor je naaste kost immers maar en tijd en tijd is geld en geld is voor de bazen en de rijken. Van harte te doen wat God wil is de kern van het stuk. En we weten dat de onderwijzing in de Liefde van de God van Israël, de Tora, voorschrijft dat je het goede doet en niets dan het goede. Dat geldt ook voor kinderen. In de eerste plaats roept de Bijbel op nooit je afkomst te vergeten. Voor het volk Israel gold, en geldt nog steeds, dat ze moeten onthouden dat ze slaven waren in Egypte en bevrijdt waren van die slavernij. Die bevrijde slaven worden ons ook ten voorbeeld gehouden en als ook wij Heidenen opgeroepen worden onze afkomst niet te vergeten dan geldt voor ons dat we broeders en zusters zijn van die bevrijde slaven in het volk Israel.

Ouders en kinderen eren elkaar dus door te zorgen dat ze werkelijk mens kunnen worden, dat ze mee kunnen werken in dat nieuwe Koninkrijk en volop mee kunnen doen in de samenleving, vrije mensen worden die elkaar helpen te realiseren wat ze in zich hebben. En dan de slaven. Het lijkt er op dat Paulus de slavernij goedpraat, maar zo is het niet. Ook slaven worden opgeroepen hun eigenaar het goede en niets dan het goede voor te houden. En niet voor niets. De Gereformeerde slavenhouders in het Zuiden van de Verenigde Staten verboden het bekeren van hun slaven tot het Christendom. Waren die slaven namelijk eenmaal bekeerd dan waren ze onbruikbaar als slaven omdat ze dan broeders en zusters waren geworden. Paulus sluit hierbij aan bij de oproepen van de profeten aan de ballingen in Babel. Zij moesten zich niet verzetten tegen hun status als balling, maar hun geloof bewaren en tuinen aanleggen waar ze groenten en dergelijke verbouwden zodat ze die konden delen met de armsten in de stad en zodoende een goede reputatie voor de God van Israël konden opbouwen. Slavenopstanden liepen in de dagen van Paulus steevast uit op verschrikkelijke bloedbaden.

De houding die Paulus dus heel uitdrukkelijk vraagt is de houding van bevrijding. Niet de goden van macht en profijt, van geld en goed, regeren hier maar de God van de Liefde. En in die Liefde worden slaven en vrijen gelijkelijk beloond. Er zijn ook vandaag de dag nog een heleboel werksituaties waarin die houding van bevrijding bittere noodzaak is. Slavenverhoudingen tussen arbeiders en werkgevers. Bevrijding van onrechtvaardige werkdruk, van gevaarlijke arbeidsomstandigheden, van ziekmakende verhoudingen komt is nog te veel nodig. Dat in tegenstelling tot volledige ontplooiing, tot medeverantwoordelijkheid, tot samen werken en samen leven waar het eigenlijk over zou moeten gaan. De bevrijding zou vandaag kunnen beginnen. Wij letten er vaak nog te weinig op, maar onze kleding, onze schoenen, snuisterijen worden vaak gemaakt onder de meest verschrikkelijke omstandigheden. Af en toe breekt in een naaiatelier, een weverij of een fabriek brand uit en dan vallen er veel slachtoffers omdat er geen vluchtwegen zijn of omdat arbeiders, kinderen ook vaak, letterlijk aan hun arbeidsplaats geketend zijn. We mogen niet verwachten dat die slaven in opstand komen, maar wij kunnen hen bevrijden door onophoudelijk te vragen om slaafvrije kleding, slaafvrij schoeisel, slaafvrije snuisterijen voor onze huizen. Ook bij onze consumptie geldt dat we het goede moeten doen en niet dan het goede, elke dag opnieuw.

Reacties

Efeziërs 5:21-33

21  Aanvaard elkaars gezag uit eerbied voor Christus. 22  Vrouwen, erken het gezag van uw man als dat van de Heer, 23  want een man is het hoofd van zijn vrouw, zoals Christus het hoofd is van de kerk, het lichaam dat hij gered heeft. 24  En zoals de kerk het gezag van Christus erkent, zo moeten vrouwen in ieder opzicht het gezag van hun man erkennen. 25  Mannen, heb uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft prijsgegeven 26  om haar te heiligen, haar te reinigen met water en woorden 27  en om haar in al haar luister bij zich te nemen, zodat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn, heilig en zuiver. 28  Zo moeten mannen hun vrouw liefhebben, als hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. 29  Niemand haat ooit zijn eigen lichaam, integendeel: men voedt en verzorgt het, zoals Christus de kerk, 30  want dat is zijn lichaam en wij zijn de ledematen. 31  ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één lichaam zijn.’ 32  Dit mysterie is groot-en ik betrek het op Christus en de kerk. 33  Maar ook voor elk van u geldt dat ieder zijn vrouw moet liefhebben als zichzelf, en dat een vrouw ontzag moet hebben voor haar man. (NBV)

Er zijn mensen die de Bijbel letterlijk willen nemen van kaft tot kaft. De eerste vraag is natuurlijk welke bijbel men letterlijk wil nemen. De oorspronkelijke Bijbel, geschreven in het Hebreeuws, Grieks en Aramees, of de vertaling ervan en dan ook nog vertaald in welke taal. Er zijn enkele tientallen verschillende vertalingen in het Nederlands. Wij volgen hier de Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlandse Bijbelgenootschap. De Bijbel is een boek uit een ver verleden. Voor Bijbelschrijvers is de aarde plat en draaien zon en sterren rond de aarde. Men wist niet beter en het doet aan de boodschap van de Bijbel niet toe of af. Ook het stuk uit de brief van Paulus dat we vandaag lezen moeten we met een dergelijke voorzichtigheid lezen. Maar al te gemakkelijk leggen we begrippen uit zoals we ze in de ons omringende wereld zien. Daar was het immers vele eeuwen gebruik dat mannen de baas waren over hun vrouw en dat de vrouw de man gehoorzaam moest zijn. Als er ergens ook nog een christelijk excuus voor die situatie nodig was dan werd gewezen naar het stuk uit de brief van Paulus dat we vandaag hebben gelezen. Ten onrechte.

Misschien dat Paulus wel bedoelde dat mannen de baas zijn van een gezin maar dat schrijft hij niet. Hij wijst op de Bevrijder als hoofd van de Kerk en analoog daaraan de plaats van de man in het gezin. Jezus van Nazareth heeft als kenmerk van die Bevrijder genoemd het dienen. Niet het heersen maar het dienen is het teken van waarachtigheid. Zo dienen mannen dus hun vrouwen te bevrijden van de wereldse conventies die hen kunnen weerhouden van het krijgen van eigen maatschappelijke verantwoordelijkheden, die hen weerhouden de mens te zijn die ze zouden kunnen zijn als de samenleving hen dat zou toestaan, die hen verhinderen volledig en volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Als je de richtlijnen van de God van Israël, van eerlijk delen, van rechtvaardigheid en van zorgen dat iedereen mee kan doen, toepast op de maatschappelijke verhouding tussen mannen en vrouwen dan kan het niet anders of mannen zorgen dat er niets in de weg staat van de ontplooiing van de vrouw en zorgen vrouwen er voor dat ze ook zelf bevrijd worden van de maatschappelijk conventies die hen tegenhouden zich te ontplooien.

Als je de Bijbel letterlijk wil nemen moet je de boodschap van de Bijbel letterlijk nemen en die boodschap is niet dat de een heerst over de ander, maar dat ieder de ander dient en liefheeft als zichzelf. Man en vrouw kunnen een eenheid vormen, één lichaam zelfs en niemand zet zichzelf gevangen of sluit zichzelf uit. Ook Paulus spreekt hier dus bevrijdende taal. Nu mag je dus een uitspraak als Niemand haat zijn eigen lichaam best letterlijk nemen. Als je dat los van het Bijbelgedeelte van vandaag vertelt dan zal men je zeggen dat er toch een aantal doctoren zijn die grof geld verdienen aan mensen, vooral vrouwen, die zeer ontevreden zijn met hun eigen lichaam. Die vrouwen, ze zijn van alle leeftijden, ondergaan soms de meest vernederende martelingen om maar aan een zogenaamd ideaal beeld te voldoen. Dat uiterlijk telt is één van die maatschappelijke conventies die mensen gemakkelijk op verkeerde wegen brengen. Het gaat namelijk in het leven niet om het uiterlijk, lang niet altijd om het innerlijk, maar om het effect dat het handelen van mensen heeft op de minsten in de samenleving. Over het innerlijk van anderen kunnen we niet oordelen en  het oordeel over het uiterlijk gaat alleen over eigen genot. Pas het effect op de minsten van je handelingen geeft je waarde aan.

Reacties

Marcus 8:14-26

14  De leerlingen waren vergeten genoeg brood mee te nemen; ze hadden maar één brood bij zich in de boot. 15  Hij waarschuwde hen: ‘Pas op, hoed je voor de zuurdesem van de Farizeeën en voor de zuurdesem van Herodes.’ 16  Ze hadden het er met elkaar over dat ze geen brood hadden. 17  Toen hij dit merkte, zei hij: ‘Waarom praten jullie erover dat je geen brood hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? 18  Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet? Weten jullie dan niet meer 19  hoeveel manden vol stukken brood jullie hebben opgehaald toen ik vijf broden brak voor vijfduizend mensen?’ ‘Twaalf, ‘antwoordden ze. 20  ‘En toen ik zeven broden brak voor vierduizend mensen, hoeveel manden vol stukken brood hebben jullie toen opgehaald?’ ‘Zeven, ‘antwoordden ze. 21  Toen zei hij: ‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’ 22 Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij hem gebracht, en men smeekte hem om de man aan te raken. 23  Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’ 24  Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ 25  Daarna legde hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder. 26  Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: ‘Ga het dorp niet in!’ (NBV)

 Soms zie je door de bomen het bos niet meer. We willen zo graag alles onder controle hebben dat we de meest voor de hand liggende oplossingen niet meer zien. En we zijn altijd maar bang tekort te komen. Jezus van Nazareth werd er bijna wanhopig van. Hij had hele menigten er toe gebracht het weinige dat ze hadden met elkaar te delen. En steeds bleek dat van dat weinige zelfs nog een heleboel kon overblijven. En dan nog denken de leerlingen in de boot dat ze aan één brood niet genoeg zullen hebben. Dat idee van ieder voor zich krijg je als je allemaal regeltjes gaat opstellen en de naleving daarvan probeert af te dwingen. Het is de manier waarop de religieuze en bestuurlijke heersers van het land het leven benaderen. Hun zuurdesem betekent dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor levensonderhoud en belasting betalen. Samen delen en voor elkaar instaan komt bij dergelijke autoriteiten niet op.

We kennen ze vandaag de dag ook nog. Steeds maar zeuren over een staatsschuld, alsof die niet van ons allemaal is, en over lasten die te zwaar worden, alsof die niet alleen maar als zwaar worden ervaren door de rijken. Delen en samen de schouders er onder zetten komt bij dat type bestuurders niet op. Jezus van Nazareth waarschuwt er tegen. En ook als je de mensen om je heen dan gaat zien moet je uitkijken. De blinde die weer kon zien zag de mensen alsof het bewegende bomen waren. En mensen als bomen kennen we uit de Psalmen. Het zijn de rechtvaardigen die de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf dag in dag uit in praktijk brengen. Het zijn mensen als bomen die gepland zijn aan levend water. Daar gaat kracht van uit, daar groeien de mooiste vruchten aan. Maar alle mensen als rechtvaardig zien is ook weer niet goed. Er zijn immers mensen die willen delen en mensen die juist niet willen delen. Dat onderscheid moeten we zien te maken.

Dat delen begint bij onszelf, dat wat we hebben weten te delen met hen die niets hebben in het vertrouwen dat er voor ons allemaal genoeg is. Maar het moet daar niet bij blijven steken. Het moet als zuurdesem de samenleving op smaak brengen. Alles in onze samenleving moet gericht zijn op samen werken, samen leven en samen delen. Als dat samen delen ontbreekt ontstaat een dode samenleving. Dan werken we wel zo veel mogelijk allemaal, dan leven we ook wel allemaal tegelijk, dan lijkt het wel op samen leven maar zonder delen is er geen leven, dan gaan mensen dood aan ons werken, aan ons leven. Daarvoor zullen we niet alleen onze eigen ogen moeten openen maar daarvoor zullen we ook de ogen van anderen moeten willen openen. Opdat we een samenleving krijgen waar blinden zien, doven horen en lammen weer in beweging komen. Aan die samenleving mogen we elke dag opnieuw  en dus ook vandaag beginnen.

Reacties

Marcus 8:1-13

1 Toen er op een keer weer een grote menigte bijeen was, en ze niets meer te eten hadden, riep hij de leerlingen bij zich en zei tegen hen:  2  ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en hebben niets meer te eten. 3  Als ik hen met een lege maag naar huis stuur, zullen ze onderweg bezwijken; sommigen zijn immers van ver gekomen.’ 4  Zijn leerlingen antwoordden: ‘Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?’ 5  Hij vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’ ‘Zeven, ‘antwoordden ze. 6  Hij zei tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten; hij nam de zeven broden, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen om ze aan de mensen uit te delen, en dat deden ze. 7  Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich; hij sprak er het zegengebed over uit en zei dat ze ook de vissen moesten uitdelen. 8  De mensen aten tot ze verzadigd waren; de leerlingen haalden op wat er van het eten overschoot: zeven manden vol. 9  Er waren ongeveer vierduizend mensen. Toen stuurde hij hen weg. 10 Meteen daarna stapte hij met zijn leerlingen in de boot en voer naar het gebied van Dalmanuta. 11  Daar kwamen de Farizeeën op hem af, en ze begonnen met hem te discussiëren. Om hem op de proef te stellen, verlangden ze van hem een teken uit de hemel. 12  Jezus slaakte een diepe zucht en zei: ‘Waarom verlangt uw soort mensen een teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden!’ 13  Hij liet hen staan waar ze stonden, stapte weer in de boot en voer naar de overkant. (NBV)

Er staan verschillende verhalen in het Nieuwe Testament over Jezus van Nazareth die met maar een paar broden een hele menigte te eten gaf. Hoeveel broden er nu precies waren verschilt per verhaal. Soms zijn het twee broden en vijf vissen, soms vijf broden en twee vissen en hier zijn het zeven broden en nog een paar kleine vissen. Dat het er zeven waren is niet zo vreemd. Er zijn zeven dagen in een week en er was dus brood genoeg om elke dag te eten te hebben. Maar wij mensen hebben niet genoeg aan ons dagelijks brood. We zijn tenminste bang om niet genoeg te hebben aan ons dagelijks brood. We willen altijd meer en nog meer. Zelfs als bij het brood ook nog wat gezonde vis komt, dan nog denken we niet genoeg te hebben. In het gebed dat Jezus van Nazareth aan zijn leerlingen heeft geleerd, dat dagelijks overal in de wereld door zijn volgelingen wordt gebeden, wordt ook om niet meer gevraagd dat om het dagelijks brood. Als je meer wil kom je al snel op het terrein van de zonden terecht.

En dagelijks brood is voor iedereen genoeg, voor iedereen op de hele wereld, als we maar bereid zijn om te delen is het er ook voor iedereen. En als het wonder is geschied dat je met een hand vol broden en een paar vissen een hele menigte te eten kan geven dan nog vragen mensen om wonderen uit de hemel. Jezus van Nazareth moest er van zuchten. Ook vandaag lijken de wonderen uit de hemel soms belangrijker dan gewoon het delen van het dagelijks brood, desnoods met een stukje vis. Grote massale bijeenkomsten met veel muziek en opzwepende sprekers en boeiende debatten zijn belangrijker en aansprekender dan de Wereld Handels Conferenties waar de spelregels over eerlijk delen tussen de volken worden afgesproken. Net als onze financiële en economische crisis veel belangrijker en erger lijkt dan de voedselcrisis waar elke dag duizenden aan sterven bij gebrek aan dagelijks brood. En juist dat eerlijk delen en zorgen dat iedereen te eten heeft kan de meeste indruk maken.

Het is overgebleven in de verhalen over de Profeten en het staat al bij Marcus twee keer en ook bij de andere evangelisten wordt er over verteld. We hoeven niet zo bang te zijn dat we ons dagelijks brood niet krijgen, we krijgen er zelfs nog een stukje vis bij. Marcus vertelt het niet voor niets twee keer, een keer voor het volk Israël en als hij geleerd heeft dat de Heidenen nog de kruimels van de tafel mee eten volgt er ook nog een les in delen voor de Heidenen. We hoeven het ook niet te pikken dat onze broeders en zusters in de armste landen in de wereld sterven van de honger. Als we in staat worden gesteld eerlijk te delen is er ook voor hen een dagelijks brood, zelfs met een stukje vis er bij. In het gebed van Jezus van Nazareth bidden we om "ons" heden ons dagelijks brood te geven. We bidden dus niet aleen voor onszelf maar juist ook voor onze broeders en zusters. Daarom mogen we ook vandaag weer beginnen met delen.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl