basalk.punt.nl

Johannes 20:19-31

19 ¶  Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: ‘Ik wens jullie vrede!’ 20  Na deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. 21  Nog eens zei Jezus: ‘Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’ 22  Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest. 23  Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ 24  Een van de twaalf, Tomas (dat betekent ‘tweeling’), was er niet bij toen Jezus kwam. 25  Toen de andere leerlingen hem vertelden: ‘Wij hebben de Heer gezien!’ zei hij: ‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.’ 26 ¶  Een week later waren de leerlingen weer bij elkaar en Tomas was er nu ook bij. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jezus in hun midden staan. ‘Ik wens jullie vrede!’ zei hij, 27  en daarna richtte hij zich tot Tomas: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’ 28  Tomas antwoordde: ‘Mijn Heer, mijn God!’ 29  Jezus zei tegen hem: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’ 30  Jezus heeft nog veel meer wondertekenen voor zijn leerlingen gedaan, die niet in dit boek staan, 31  maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leeft door zijn naam. (NBV)

Het is vandaag al weer een Christelijke feestdag, Beloken Pasen heet die. Het is de achtste dag na Pasen en de eerste zondag na Pasen. In de kerken lezen ze dan graag over de verschijning van Jezus van Nazareth na de kruisiging aan de volgelingen. Zo zal er veel gepreekt worden over dat verhaal van de mensen die wandelden naar Emmaüs en daar Jezus ontmoeten. Wij lezen dat rare Pinksterverhaal uit het Evangelie van Johannes. Want we hebben immers in het boek van de Handelingen van de Apostelen gelezen dat op het Pinksterfeest, 50 dagen na Pasen, de leerlingen bijeen waren en dat er toen een wind opstak waardoor ze naar buiten werden gedreven om dat geweldige verhaal over Jezus van Nazareth te vertellen. Toen ontvingen ze wat we nu de Heilige Geest noemen.

Maar Johannes vertelt dat ze als angstige vogeltjes samen waren weggekropen, bang dat ze hetzelfde lot zouden ondergaan als Jezus. Die angst verdween toen Jezus in hun midden kwam staan en hun zijn handen toonde waar de spijkers van het kruis doorheen waren gegaan en de wond in zijn zij. Toen stak diezelfde Pinksterwind al op en bevestigde Jezus dat ze genoeg hadden geleerd om mensen hetzelfde verhaal als hij te vertellen. Houd van elkaar als van jezelf was het hart van dat verhaal dat de liefde doorzette door de dood heen. Je zou het zelf willen zien want het is natuurlijk ongelooflijk. Thomas was zo iemand die het zelf wilde zien en toen pas geloofde, alsof Jezus daar iedere zondag langs kwam.

Maar het volhouden van de liefde en de gevolgen daarvan zijn inderdaad ongelofelijk. Het is te doen, je kunt er immers altijd weer opnieuw mee beginnen. Jezus had zijn leerlingen nog op het hart gebonden dat er altijd bij te vertellen, je kunt er altijd weer opnieuw mee beginnen. En ook al zie je het resultaat niet, juist als je doorgaat dwars door alle liefdeloosheid, dwars tegen alle haat en doodsheid heen, zul je merken dat het geluk niet zit in winst en profijt, in uiterlijk vertoon, maar in de liefde voor de naaste. Dat zijn wonderen die je voor je zelf houdt en verder niet opschrijft, maar dat zijn wonderen die door miljoenen mensen in de geschiedenis zijn gedeeld en tot vandaag de dag de hele aarde over gaan. Aan ons om die Liefde ook in onze eigen omgeving levend te houden en door te geven, om er meer en meer mensen bij te betrekken. Het Koninkrijk van Jezus is immers aangebroken en dat je iemand vrede wenst klinkt zo gek nog niet.

 

Reacties

Romeinen 8:26-39

26 ¶  De Geest helpt ons in onze zwakheid; wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten. 27  God, die ons doorgrondt, weet wat de Geest wil zeggen. Hij weet dat de Geest volgens zijn wil pleit voor allen die hem toebehoren. 28  En wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede. 29 ¶  Wie hij al van tevoren heeft uitgekozen, heeft hij er ook van tevoren toe bestemd om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene moest zijn van talloze broeders en zusters. 30  Wie hij hiertoe heeft bestemd, heeft hij ook geroepen; en wie hij heeft geroepen, heeft hij ook vrijgesproken; en wie hij heeft vrijgesproken, heeft hij nu al laten delen in zijn luister. 31 ¶  Wat moeten wij hier verder over zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? 32  Zal hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met hem niet alles schenken? 33  Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. 34  Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en aan de rechterhand van God zit, pleit voor ons. 35  Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard? 36  Er staat geschreven: ‘Om u worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’ 37  Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad. 38  Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, 39  hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer. (NBV)

Niks, helemaal niks, is in staat ons te scheiden van de liefde van God. Zo sterk is het voorbeeld dat we gekregen hebben in het voorbeeld van Jezus van Nazareth, de bevrijder. Het gedeelte dat we vandaag lezen heet in de taal van onze dagen : “Niemand kan ons wat maken” En dan moet je bedenken dat Paulus en de gelovigen in Rome te maken hebben met een overheid die uit pure willekeur handelt. Zo waren  Judeeërs, waaronder Judeeërs die Jezus van Nazareth als de beloofde Messias erkenden, uit Rome verbannen, zo mochten ze er weer in. Maar elders werden Christenen gedood omdat ze niet wilden offeren voor het beeld van de Keizer. Ook Paulus zelf kwam van de ene gevangenis in de andere omdat hij oproer zou veroorzaken door het vertellen over zijn geloof in Jezus van Nazareth. Dan durf je toch wel als je de stoere taal gebruikt die we vandaag te lezen krijgen. Zo’n uitspraak: “als God voor ons is wie zou dan tegen ons zijn?” is mooie troost voor vrome christenen.

Maar als je in een concentratiekamp bent beland omdat je je verzet tegen een regiem dat verstandelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten systematisch dood en mensen vergast omdat ze Jood zijn of zigeuner of homo dan klinkt die uitspraak ineens heel anders en is het maar de vraag of wij hem vandaag de dag nog na durven zeggen. Zelfs de dood aan het kruis van Jezus van Nazareth vanwege zijn onbuigzame en onverwoestbare liefde voor de mensen, zelfs voor de mensen die hem aan dat kruis hingen en hem er toe veroordeelden, doet ons aarzelen om op God te bouwen als het gevolg zo verschrikkelijk kan zijn. Toch zijn er tal van gelovigen die ons daar in zijn voorgegaan. In de Protestantse Kerken is de theoloog Dietrich Bonhoeffer een sprekend voorbeeld. Hij schreef in brieven die uit het concentratiekamp werden gesmokkeld over zijn geloof en waarom hij het niet opgaf.

Dat geloof was het enige dat hem behoedde net zo slecht te worden als de nazi’s die hem hadden opgesloten. Dat geloof gaf hem in dat hij moest blijven proberen die nazi’s op andere gedachten te brengen en de mensen er van te overtuigen dat verstandelijk gehandicapten, psychiatrisch patiënten, Joden, zigeuners, homo’s, vrijmetselaars en al die anderen die werden opgesloten, vervolgd en vermoord, omdat ze anders waren als nazi’s vonden dat ze moesten zijn, hun broeders en zusters waren, van wie je moest willen blijven houden. We weten nu dat het goede doen en niet dan het goede, waartoe Paulus ons oproept, iets te maken heeft met het goede blijven doen ook al wordt dat door iedereen veroordeeld. Paulus geeft ons mee dat als iedereen ons veroordeelt, God zelf ons in elk geval vrij spreekt. Die troost is er als er geen andere is. Voorlopig zijn er nog heel veel gelovigen die werken aan die nieuwe aarde waar de hemel op te vinden zal zijn, wij mogen meewerken en daarvan kan inderdaad niemand ons van afhouden.

 

Reacties

Romeinen 8:12-25

12  Broeders en zusters, we hoeven ons niet langer te laten leiden door onze eigen wil. 13  Als u dat wel doet, zult u zeker sterven. Als u echter uw zondige wil doodt door de Geest, zult u leven. 14  Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God. 15  U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’. 16  De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. 17 ¶  En nu we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God. Samen met Christus zijn wij erfgenamen: wij moeten delen in zijn lijden om met hem te kunnen delen in Gods luister. 18  Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. 19  De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. 20  Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, 21  omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. 22  Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. 23  En dat niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan. 24  In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? 25  Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden. (NBV)

Je gaat pas erven als er iemand dood is. Maar erfgenamen zelf kunnen nog wel eens in aanzien stijgen als blijkt dat hen een grote erfenis te wachten staat. Is God dood en zijn wij dan de erfgenamen? Dat is niet wat Paulus bedoelt. Hij bedoelt dat we gelijk zijn aan Jezus van Nazareth die God aansprak als zijn Vader. Zo mogen wij ook God aanspreken als onze Vader en zijn wij dus ook erfgenamen. Wat is onze erfenis dan? Dat is het visioen van een wereld waar geen tranen meer zullen zijn, waar de lam en de leeuw samen zullen neerliggen en een kind zal spelen in het hol van de slang. Visioenen zoals Jesaja ze ooit opschreef en die volgens Paulus de erfenis zullen zijn voor Joden en Heidenen samen. Zo maar, voor iedereen voor het grijpen? Nee dus. Wij zullen moeten delen in het lijden van Jezus van Nazareth om met hem te kunnen delen in dat visioen. Moeten we dus allemaal maar aan een kruis gaan hangen? In onze tijd is dat een onzinnige vraag. In de tijd dat Paulus deze brief aan de gemeente in Rome schreef niet helemaal een onzinnige vraag. Op een andere plaats in de brief aan de gemeente in Rome schrijft Paulus over mensen die hij had ontmoet op zijn reizen die uit Rome afkomstig waren. Zij waren uit Rome verbannen omdat er relletjes waren geweest tussen Joden en Christenen en Keizer Claudius had  Joden de toegang tot Rome ontzegd omdat, zo staat in het edict, er een opstand was geweest onder leiding van ene Chrestos.

Het afzweren van Tempels met godenbeelden en Priesters, het afzweren van leven met standsverschillen en cultuurverschillen was een groot risico. Wee degene die er een gewoonte van maakt te delen met armen, te zorgen voor zieken en stervenden, gevangenen te bezoeken, de hongerenden te voeden en de naakten te kleden. Ook de gemeente van christenen in Rome kwam bijeen in één van de huizen van de gelovigen om samen het brood te breken en de beker rond te laten gaan in herinnering aan Jezus van Nazareth en als oefening in het je naaste liefhebben als jezelf. Een dergelijke manier van leven ondermijnt de "samenleving van meer en beter". Zeker als dat een slavenmaatschappij is waar een leven niet telt. Wat het is om als slaven in angst te leven weet die gemeente in Rome maar al te goed. Dagelijks zien zij dat om hen heen. Maar ze weten ook dat de slavenhouders eigenlijk in angst leven. Als die slaven in opstand komen dan kunnen ze hun leven verliezen. De weg die de christenen kozen, met slaven en slavenhouders als gelijken, was om broeders en zusters van elkaar te worden, samen een nieuwe gemeenschap te vormen. Dat deden ze door God hun Vader te noemen. Zo kunnen ook wij de angst voor elkaar overwinnen door te weten dat God ons aller Vader is, van Hollanders en vreemdelingen, van Allochtonen en Autochtonen, van iedereen die bij ons woont. Pas als wij dat erkennen komen de visioenen van de profeten uit. Maar het kan, wij kunnen het.

Het zijn soms mooie zinnen die in de brieven van Paulus staan en waar we achteloos overheen lezen omdat er weer van die ingewikkelde filosofische redeneringen op volgen. Toch vormen dit soort zinnetjes vaak de sleutel die het begrijpen van die redeneringen mogelijk maken. Zo ook hier. Want wie heeft de schepping aan zinloosheid onderworpen? Voor veel theologen een duistere zaak, ze slaan dat stukje dan ook graag over. Maar zijn wij het niet zelf die de schepping zoals we die zien en ervaren als zinloos ervaren? Het water stroomt van hoog naar laag, er zijn vier seizoenen en tal van natuurwetten en al eeuwen is de aarde en alles wat daarop is hetzelfde. Het draait vandaag om haar as en morgen ook en de aarde draait dit jaar om de zon en volgend jaar opnieuw. Het gaat allemaal niet vooruit en niet achteruit. Je kunt op die manier ook moeilijk zeggen dat het Gods lof verkondigt want het is allemaal nietszeggend. Voor jonge mensen wil het leven op die manier ook zinloos worden. De armen hebben we altijd al bij ons gehad, we horen van oorlogen en geruchten van oorlogen en mensen streven altijd eerder naar meer en beter dan naar vrede en gerechtigheid. Zo was het, zo is het en zo lijkt het altijd te moeten blijven. Maar Paulus schetst ons een beeld van hoop. Hij heeft het over een geboorte van iets nieuws. Geloven dat al die zinloosheid in de wereld voorbij kan gaan. Geloven dat het echt mogelijk is dat alle hongerenden gevoed zullen worden, dat recht wordt gedaan aan mensen, dat alle tranen gedroogd zullen worden, dat we daarvoor nu aan het werk kunnen gaan elke dag opnieuw.

 

Reacties

Romeinen 8:1-11

1 ¶  Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld. 2  De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de wet van de zonde en de dood. 3  Waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, 4  opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. Ons leven wordt immers niet langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest. 5  Wie zich door zijn eigen natuur laat leiden is gericht op wat hij zelf wil, maar wie zich laat leiden door de Geest is gericht op wat de Geest wil. 6  Wat onze eigen natuur wil brengt de dood, maar wat de Geest wil brengt leven en vrede. 7  Onze eigen wil staat vijandig tegenover God, want hij onderwerpt zich niet aan zijn wet en is daar ook niet toe in staat. 8  Wie zich door zijn eigen wil laat leiden, kan God niet behagen. 9  Maar u leeft niet zo. U laat u leiden door de Geest, want de Geest van God woont in u. Iemand die zich niet laat leiden door de Geest van Christus behoort Christus ook niet toe. 10  Als Christus echter in u leeft, bent u door de zonde weliswaar sterfelijk, maar de Geest schenkt u leven, omdat u door God als rechtvaardigen bent aangenomen. 11  Want als de Geest van hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft. (NBV)

Paulus maakt nog al eens tegenstellingen die wij zo niet kennen. Hier maken we kennis met de tegenstelling tussen wat wij willen en wat de Geest wil. Als we doen wat wij willen dan gaat het verkeerd en als we doen wat de Geest van God, of de Geest van Jezus van Nazareth ons ingeeft dan gaat het goed. Je zou toch zeggen dat gewone, eenvoudige mensen altijd het goede willen. Want wie wil er nou ruzie met de buurman, wie wil er nu stelen of de boel oplichten, of roven en moorden. Natuurlijk zijn er boeven en die moeten gevangen gezet worden en gestraft voor hun daden, maar het aantal boeven onder ons is altijd maar een kleine minderheid. De meesten van ons willen het goede, willen zelfs best helpen als het er op aan komt. Maar gaan we voor het goede ook door het vuur? Toen het Pinksterfeest werd toen kwam de Geest over de volgelingen van Jezus van Nazareth die bij elkaar zaten in Jeruzalem en toen zagen de mensen tongen als van vuur. Sinds die tijd gingen ze door het vuur voor het goede. Nu, wij meestal niet. Ze mogen schelden wat ze willen op onze allochtone buurvrouw, bij ons mag ze rustig op de koffie komen, maar ons te weer stellen tegen die grootsprekers die zo bang zijn voor een vreemd geloof en een vreemdeling doen we niet.

En we laten al die mensen die onze allochtone buurvrouw niet kennen dus rustig op die laffe angsthazen stemmen. We gaan niet door het vuur voor een samenleving waar ook de vreemdelingen aan tafel mogen plaatsnemen, zonder op te houden vreemdeling te zijn. We kennen ook de verhalen van mensen die op een donkere koude winteravond in het water vielen en waar  tientallen mensen bij stonden te kijken en te wachten tot de brandweer te laat zou komen om ze uit het water te halen. Samen door het vuur gaan voor het goede is er dan ineens niet bij. En natuurlijk willen we promotie en meer verdienen, dat er dan collega’s moeten worden ontslagen is jammer maar onvermijdelijk. En natuurlijk willen we goedkope kleding, dat die door jonge kinderen in barre omstandigheden is gemaakt weten we niet en willen we eigenlijk ook niet weten. Ook willen we goedkoop en gemakkelijk te maken voedsel, dat er geen enkele eerbied meer is voor het leven van dieren en de grondstoffen die we van God kregen snel worden opgemaakt kunnen wij ook niet helpen.

We zijn God niet en doen niet alles goed is ons excuus en sommigen van ons hebben vroeger nog op de catechisatie geleerd dat de mens niet bekwaam is tot enig goed en slechts geneigd tot alle kwaad. Een mooi excuus dat volledig uit haar verband gehaald prima kan dienen om onze onverschilligheid tegenover het kwade ook nog een vroom tintje te geven. We zijn inderdaad God zelf niet en daarom wijst Paulus maar weer eens op Jezus van Nazareth, dat was ook een mens, die wel deed wat God vroeg, houden van je naaste als van jezelf. Die zag de lijdende mens langs de kant van de weg en hield de liefde vol zelfs door de dood heen. Loop nu niet weg met de overtuiging dat Jezus zo goed kon zijn omdat hij God was, nee God heeft zijn zoon gezonden om ons te laten zien dat het ook voor ons is weggelegd, leven in het goede, niet dan het goede nastreven. In zijn geest mogen wij ook leven. Alleen moeten we wat wij gewoon vinden vervangen door wat we leren van Jezus van Nazareth. Gelukkig dat we daar elk moment weer opnieuw mee mogen beginnen.

 

Reacties

Romeinen 7:13-25

13  Is het dan het goede dat mij heeft gedood? Natuurlijk niet, het is de zonde. Maar om mij te doden heeft ze van het goede gebruik gemaakt; alleen zo kon duidelijk worden wat de zonde is. Door het gebod te gebruiken laat de zonde zien hoe verderfelijk ze is. 14   Wij weten dat de wet het werk van de Geest is, maar door mijn natuur ben ik uitgeleverd aan de zonde. 15  Wat ik doe, doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. 16  Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, dan erken ik dat de wet goed is. 17  Dan ben ik het niet die handelt, maar de zonde die in mij heerst. 18  Immers, ik besef dat in mij, in mijn eigen natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. 19  Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik. 20  Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet zelf de oorzaak van, maar de zonde die in mij heerst. 21  Ik ontdek in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen. 22  Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, 23  maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft. 24  Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? 25  God zij gedankt, door Jezus Christus, onze Heer. Met mijn verstand onderwerp ik mij aan de wet van God, maar door mijn natuur onderwerp ik mij aan de wet van de zonde. (NBV)

Bij het lezen van dit kleine stukje uit de Bijbel moeten we voortdurend voor ogen houden dat het Paulus is die dit schrijft. Paulus, de Apostel, de zendeling, die onvermoeibaar van de ene naar de andere stad reist om het Evangelie van Jezus van Nazareth te verkondigen en om gemeenschappen te stichten waar het Koninkrijk van God alvast zou kunnen beginnen. Hij schrijft aan de gemeente in Rome dat hij doet wat hij haat. Dat kan toch moeilijk dat zijn waarvan wij weten dat hij het gedaan heeft. Dat reizen en dat stichten van gemeenschappen, dat vertellen van Jezus van Nazareth, het dicteren van brieven, dat kan toch niet hetgeen zijn dat hij haat. Dat was toch geen zonde. Door het werk van Paulus hebben we het nog steeds over die nieuwe wereld die zal komen en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Het werk van Paulus zet ons nog steeds er toe aan om aan dat nieuwe Koninkrijk alvast te beginnen.

Wat is het dan dat Paulus in zichzelf zozeer haat? Het kerkelijk antwoord is “de zonde”. Maar dat begrip is uitgekauwd en versleten. Er zijn onder ons predikers die niet anders roepen dan dat je moet geloven in Jezus van Nazareth zodat je gered zal worden van de zonde. Maar wat geloof je dan en waarom zou je ergens van gered moeten worden? Paulus schrijft hier ook dat wat hij wil hij niet doet. Misschien maakt dat ons wat duidelijker. Wij willen immers ook zo vaak dat het beter gaat in de wereld? Dat de onrechtvaardige handelsverhoudingen rechtgezet worden, dat homo’s en andere minderheden niet meer gediscrimineerd worden, dat er geen onderscheid meer is tussen vrouwen en mannen, dat gevangenen als mensen behandeld worden en een eerlijk proces krijgen, dat iedereen mag meepraten in de samenleving en dat alle tranen gedroogd zullen zijn. Maar we kunnen niet alles op onze nek nemen. Door alle regeltjes die ons opgedrongen zijn weten we dat we niet onophoudelijk het goede kunnen doen en niet dan het goede.

Ooit, toen God begon met de mensen, was de zonde het eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Omdat wij ons dus voortdurend afvragen wat het kwade is waar we ons tegen moeten verzetten vergeten we het goede te doen. Is het wel het goede? Zit er geen eigenbelang achter? Worden we niet voor de gek gehouden? Wordt er geen misbruik van ons gemaakt? Zo vaak slaan we de plank mis, zien we de mensen langs de kant van de weg niet staan, zijn de hongerigen en dorstigen mensen in een ver land een ver van ons bed show. We vergeten gemeenschappen te vormen die de wereld aankunnen. We vergeten bondgenootschappen te vormen zodat zaken veranderen. Maar we hoeven ons er niet schuldig over te voelen. Het is onze natuur, wat wij doen deed Paulus ook al. En door Jezus van Nazareth, door God, mogen we elk moment weer opnieuw beginnen het goede te doen, dag in dag uit, elk ogenblik, in Bijbelse en kerkelijke termen heet dat “genade”.

Reacties

Romeinen 7:1-12

1 ¶  Weet u dan niet, broeders en zusters-ik spreek immers tot mensen die de wet kennen-, dat de wet alleen gezag over een mens heeft zolang hij leeft? 2  Een getrouwde vrouw is door de wet gebonden aan haar man zolang hij leeft, maar wanneer hij sterft is zij van deze verplichting ontslagen. 3  Als ze zich zolang haar man in leven is met iemand anders inlaat, noemt men haar overspelig. Maar sterft haar man, dan is ze niet langer aan de wet gebonden, dan pleegt ze geen overspel wanneer ze de vrouw van een andere man wordt. 4  Zo bent ook u, broeders en zusters, dood voor de wet dankzij de dood van Christus en behoort u nu een ander toe: hem die uit de dood is opgewekt. Ons leven moet vrucht dragen voor God. 5  Toen we ons nog lieten leiden door onze eigen wil, werd ons bestaan beheerst door zondige hartstochten die de wet in ons opriep en droeg het alleen vrucht voor de dood. 6  We waren aan de wet geketend, maar nu zijn we bevrijd; we zijn dood voor de wet, zodat we niet meer de oude orde van de wet dienen, maar de nieuwe orde van de Geest. 7 ¶  Moeten we nu vaststellen dat de wet hetzelfde is als de zonde? Absoluut niet. Ik ben me echter pas door de wet bewust geworden van de zonde. Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de wet niet zei: ‘Zet uw zinnen niet op wat van een ander is.’ 8  Maar de zonde heeft van het gebod gebruikgemaakt om begeerten in mij op te wekken, want zonder de wet is de zonde krachteloos. 9  Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven 10  en daardoor stierf ik. Het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek juist tot mijn dood te leiden. 11  De zonde heeft gebruik gemaakt van het gebod: ze heeft mij misleid en mij door het gebod gedood. 12  Kortom, de wet zelf is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed. (NBV)

Je hoort Paulus grommen als het over de wet gaat zoals die in zijn tijd werd beleefd. Want het was niet meer de Joodse Wet van de Woestijn. Dat was de Tora, die je in beweging zette. Door die Tora kon je samen de Woestijn doorkomen. In de woestijn moet je immers onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen, dan moet je er zeker van zijn dat de mensen om je heen je niets willen aandoen en de mensen om je heen moeten op jou kunnen vertrouwen. Dat is niet een soort wet waar je de regeltjes van moet kennen maar een soort richtlijn waarvan je de bedoeling in je vingers moet hebben. Die beleving was verdwenen. Het was de beleving van Romeinse Wet geworden. Die wet bestaat uit regeltjes en uitleg van regeltjes en vonnissen over de toepassing van de regeltjes en uitleg van de vonnissen over het toepassen van de regeltjes. Daar is elke menselijkheid uit verdwenen. De verhalen over die wet klinken altijd wel redelijk maar net zo gemakkelijk merk je aan den lijve hoe onmenselijk die regeltjes geworden zijn. Dat is de manier van leven waar Paulus stelling tegen neemt. Zijn manier van leven gaat uit van de Geest. Als je de dingen doet in de Geest van Liefde dan gaan ze heel anders. Dan speelt de vraag wat goed is voor een mens en wat niet. Dan speelt niet de vraag wat goed is voor jezelf zonder aan anderen te denken maar dan speelt alleen de vraag wat goed is voor de ander zonder aan jezelf te denken.

Dan gaat het niet om die ander waar je nog wat van te verwachten zou kunnen hebben, om de ander waarmee het ook goed gaat, maar dan gaat het om de ander die het nodig heeft, de minsten onder ons. Want als we er in slagen het met de minsten op de wereld beter te laten gaan dan gaat het beter met de hele wereld. Dat voelt aan als een bevrijding, niet meer gevangen te zitten in regeltjes en uitleg van regeltjes maar vrij te zijn en te mogen handelen uit Liefde. Het vraagt om een vorm van argeloos leven. Argeloos is iemand die iets doet zonder er bij na te denken of het mag of dat het wel zo hoort. Het enige dat telt is of het goed is en of het plezier geeft. Als je dus altijd argeloos het goede doet dan doe je nooit iets verkeerd. Zo beleeft Paulus ook de slavernij van de wet. De wet dwingt je om je altijd af te vragen wat er goed is en wat er fout is. In het verhaal over hoe God vanaf het begin met mensen om is gegaan staat dat God de mens verbiedt om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Het was kennelijk de bedoeling dat de mens argeloos zou blijven en het goede zou doen alleen omdat het goed was en omdat het plezier zou geven. Kennis van goed en kwaad levert de zonde op. Niet dat de wet verkeerd was of is.

Als iedereen in het verkeer willekeurig aan de linkerkant of de rechterkant van de weg zou rijden dan komen we geen van allen veel verder. Het is daarom goed een keuze in de wet vast te leggen en mensen die zich daaraan niet houden daarop aan te spreken. Maar of je in de wet vastlegt dat er links of rechts gereden wordt is een kwestie van smaak. Wie landen ziet waar niet rechts maar links gereden wordt zal zien dat het verkeer dat niet veel anders is dan bij ons, het beweegt zich alleen aan de andere kant van de weg. Zo zijn er veel wetten en regels die ook het tegendeel zouden kunnen zijn. Zelfs de regel die Paulus citeert over de begeerte kan anders worden uitgelegd. Iemand die honger heeft zal zijn zinnen zetten op voedsel. Dat het voedsel van een ander is zal niet uitmaken. Leven is belangrijker dan begeerte, of afzien van begeerte. Als wij pleiten voor rechtvaardige handelsverhoudingen dan geven we stem aan het verlangen van de armsten in de wereld gelijke kansen te krijgen als de rijken al hebben. Die gevangenschap in de wet kan  eerlijke mensen met goede bedoelingen tot misdadigers tegen de mensheid maken. Daarom zoeken we met Paulus naar de vrijheid van de Liefde. De vrijheid die ons is voorgeleefd door Jezus van Nazareth. Bij die vrijheid gaat het om de liefde tot de minsten op aarde, daarbij kiezen we voor het leven en nemen argeloos op de koop toe wat daarvoor nodig is.

Reacties

Romeinen 6:15-23

15  Betekent dit nu dat we vrijuit mogen zondigen omdat we niet onder de wet staan, maar onder de genade leven? Absoluut niet. 16  Wanneer u zich als slaaf in iemands dienst stelt, weet u toch dat u hem moet gehoorzamen? Wanneer u de zonde dient, leidt dat tot de dood; wanneer u God gehoorzaamt, leidt dat tot vrijspraak. 17  Maar God zij gedankt: u was slaven van de zonde, maar nu gehoorzaamt u van ganser harte de leer waaraan u zich hebt toevertrouwd, 18  en bevrijd van de zonde hebt u zich in dienst gesteld van de gerechtigheid. 19  Ik druk me zo gewoon mogelijk uit, omdat het anders uw begrip te boven gaat. Zoals u zich ooit in dienst stelde van zedeloosheid en onrecht om een wetteloos leven te leiden, zo stelt u zich nu in dienst van de gerechtigheid om heilig te leven. 20  Toen u nog slaven van de zonde was, was u niet gebonden aan de gerechtigheid. 21  Wat hebt u daarmee geoogst? Dingen waarvoor u zich nu schaamt, want ze leiden tot de dood. 22  Maar nu, bevrijd van de zonde en in dienst van God, oogst u toewijding aan hem en zelfs het eeuwige leven. 23  Het loon van de zonde is de dood, maar het geschenk van God is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer. (NBV)

Als je oppervlakkig naar het Christelijk geloof kijkt dan wordt het leven een luilekkerleven volgens dat geloof. De mens is immers niet bekwaam tot enig goed en slechts geneigd tot kwaad en God vergeeft keer op keer opnieuw. Oppervlakkig gezien zou je dus kunnen doen wat je wilt, genieten wat er te genieten valt zolang je maar vertrouwt op de genade van God dat uiteindelijk alles wel goed zal komen. Paulus bestrijd deze oppervlakkigheid. Hij moest wel want een geschreven wet met talloze regeltjes, jurisprudentie en interpretaties was volgens hem niet voldoende om de samenleving tot stand te brengen die God voor ogen had gestaan, een samenleving waar aan ieder mens recht wordt gedaan en waar dus geen honger en armoede, geen onderdrukking en slavernij meer zal zijn. En dus kun je er ook niet op los leven als je gelooft in de weg van Jezus van Nazareth om tot die goddelijke samenleving te komen.

Je in dienst stellen van gerechtigheid daar gaat het om volgens Paulus. Dan moeten we ons dus voortdurend bekommeren om de mensen die onrecht wordt gedaan. De mensen die niet kunnen concurreren met de gemechaniseerde, door wetenschap gestuurde, gesubsidieerde landbouw uit het rijke westen bijvoorbeeld. De overschotten van die landbouw maken dat boeren die niet hebben kunnen mechaniseren, niet kunnen leunen op wetenschap en geen subsidie krijgen voor hun producten, failliet gaan en zelfs hun landgenoten niet kunnen voeden. Dag in dag uit schreeuwt dat onrecht tegen de hemel en gelovigen zijn geroepen om die schreeuw in deze wereld stem te geven. Want zedeloosheid is niet alleen seksuele zedeloosheid, ongeremdheid in het met elkaar lichamelijk omgaan. De zedeloosheid en het onrecht waar Paulus het over heeft zit ook in de handelsverhoudingen die mensen de dood in drijven. Natuurlijk zit die zedeloosheid ook in mensenhandel, ook in het exploiteren van mensen als objecten. Al die zaken leiden tot de dood.

In elk dorp, in elke stad, in elk land, in de hele wereld zijn we dus geroepen om mensen op te sporen die nog uitgebuit, onderdrukt en genegeerd worden. Uit de opstanding uit de dood moeten we leren dat we mensen in dodende omstandigheden moeten laten opstaan tot leven. Dat is de echte genade van God dat we weten dat het kan, dat het zin heeft en dat het zelfs de enige zin is van het leven: dat allen leven. Daarbij gaat het er niet om of we er zelf beter van worden. De genade van God is niet een soort beloning voor het goede dat we doen. Het goede dat we doen kunnen we niet laten, kunnen en mogen we doen, vanwege die genade van God, dat we dat kunnen mogen is de genade van God waarvoor we dankbaar mogen zijn. We weten dat het helpt, dat het mensen tot leven brengt, dat het mensen in de gelegenheid stelt zelf bij te gaan dragen aan de gemeenschap van mensen, dat tranen worden gedroogd, dat lammen gaan lopen en blinden gaan zien. Van die genade mogen we leven elke dag opnieuw.

 

Reacties

Johannes 20:1-18

1 ¶  Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2  Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 3  Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4  Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5  Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6  Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7  en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8  Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9  Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10  De leerlingen gingen terug naar huis. 11 ¶  Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12 en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13  ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe gebracht hebben.’ 14  Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15  ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16  Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17  ‘Houd me niet vast, ‘zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18  Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had. (NBV)

Vandaag lezen we het thuis het verhaal van Pasen uit het Evangelie van Johannes. Daar staat het weer een beetje anders in als in de andere drie Evangelieën. Het is zo'n merkwaardig verhaal dat we er vanouds niet genoeg van kunnen krijgen. Uiteindelijk gingen de volgelingen van Jezus van Nazareth weer naar huis maar zelfs daar liet het verhaal ze niet los. Dat graf was leeg, daar was hun Jezus van Nazareth niet. Die enorme persoonlijkheid, die Lazarus na een aantal dagen nog uit zijn grafspelonk had geroepen, die in Naïn een jongen van zijn doodsbed had doen opstaan, die het dochtertje van de Romeinse hoofdman Jaïrus van haar bed had doen opstaan, die lag niet in het graf. De steen was weg, de doeken opgevouwen, het verhaal was uit. Het liet ze niet los. Er was iets in hun leven grondig veranderd. Dit was niet meer het leven dat ze gewend waren. Achteraf wisten ze wat er verkeerd was. Ze hadden niet meer nagedacht over het verhaal van Israel. Aan de verhalen over de richtlijnen die in de Woestijn aan het volk waren gegeven. Hoe profeten steeds weer hadden gezegd dat het verhaal van die onvoorwaardelijke liefde ook door de dood heen zou moeten gaan.

Dat de angst voor dictatoren, voor machtige koningen en grote legers, voor martelingen en onderdrukking je nooit zou moeten afbrengen van het volgen van de weg van God, van die goddelijke richtlijnen uit de Woestijn, van de weg van de Liefde. Ik ben die weg had die Jezus ze ooit gezegd. En tot op het kruis toe had hij om anderen gedacht. Had hij zelfs een moordenaar getroost en hem een eeuwig leven beloofd. Hij had zijn moeder getroost. Hij had gevraagd om het de soldaten en priesters niet aan te rekenen dat ze hem aan kruis hadden geslagen. Nooit op een enkel moment had hij zijn vervolgers vervloekt, nee hij had ze de kans gegeven terug te komen op hun weg van geweld en verdrukking om opnieuw te beginnen. Dat was het volhouden van de weg van Liefde door de dood heen. wie daarin gelooft kan niet meer op de oude manier aan het werk. Winst en profijt doen er immers niet meer toe. Macht en aanzien tellen niet meer. Alleen de liefde voor de naaste, voor de zwaksten in deze wereld, heeft waarde.

Er zijn altijd van die mensen die zich niet kunnen neerleggen bij het onvermijdelijke. Het verhaal was uit. Maar die Maria uit Magdala bleef rondhangen bij dat graf. Huilend en treurend. En waarom huilen? Dood is dood, begraven is begraven. Niemand die dat kan veranderen. Of toch? Iemand die je aanspreekt, die je naam noemt, die bij je is. Ook al heeft een geliefde afscheid moeten nemen als er iemand bij je is die van je houdt, die je naam noemt, dan ben je niet meer echt alleen. Daarom was het troosten van de bedroefden ook één van de opdrachten van Jezus aan zijn leerlingen. Zorgen dat iedereen kan blijven meedoen aan de samenleving. Als iemand door verdriet alleen dreigt te blijven moet dat doorbroken worden. Op die manier ging Jezus met de mensen om en in die omgang met mensen mogen we net als Maria van Magdala Jezus herkennen. Overal in elke stad en in elk dorp zijn er ook vandaag mensen mee bezig die je hulp en inzet meer dan welkom zullen heten. Groet ze in de naam van Jezus van Nazareth en ga meedoen.

Reacties

Jesaja 12:1-6

1 ¶  Op die dag zul je zeggen: "Ik zal u loven, HEER. U bent woedend op mij geweest, maar uw toorn is geweken, u troost mij. 2  God, hij is mijn redder. Ik heb een vast vertrouwen, ik wankel niet, want de HEER is mijn sterkte, hij is mijn beschermer, hij heeft mij redding gebracht.’3  Vol vreugde zullen jullie water putten uit de bron van de redding. 4 ¶  Op die dag zullen jullie zeggen: ‘Loof de HEER, roep zijn naam uit. Maak alle volken zijn daden bekend, verkondig zijn verheven naam. 5  Zing een lied voor de HEER: wonderbaarlijk zijn zijn daden. Laat heel de aarde dit weten. 6  Jubel en juich, inwoners van Sion, want groot is de Heilige van Israël, die in jullie midden woont." (NBV)

We zingen vandaag een lied mee van de Profeet Jesaja. We kennen natuurlijk de liedbundel in de Bijbel die we de Psalmen noemen en die bij elkaar staan in het Bijbelboek de Psalmen, maar verspreid door de hele Bijbel staan er nog tal van andere liederen. Vandaag zingen we een bijzonder loflied. Het bezingt de vreugde van de bevrijding. Op de plaats waar het staat in het boek van de profeet Jesaja is er nog helemaal geen sprake van bevrijding. Jesaja heeft wel geschreven dat die komt die bevrijding, het volk zal ooit terugkeren uit de ballingschap, maar het is nog lang niet zover. Maar Jesaja weet al wel hoe het volk zal gaan zingen als het zover is en dat mogen we vandaag meezingen. Want hier loopt het op uit, op de bevrijding en het zingen van liederen. Nu zul je denken dat er nog een heel boek Jesaja volgt, maar dat lijkt maar zo. Het boek van de profeet Jesaja bestaat uit een paar verschillende boeken die in tijd op elkaar volgen en waarvan de inhoud steeds op elkaar lijkt zodat ze in de loop van de tijd bij elkaar in een boek terecht zijn gekomen. Dit lied sluit het oudste deel van het boek van de profeet Jesaja af.

En net als na de doortocht door de Schelfzee toen het volk Israël ontsnapt was aan de Farao en op de drempel van de woestijn stond wordt er gezongen van bevrijding. Jesaja is namelijk helemaal niet zo somber over de ballingschap. Dat is wel erg, dat had wel niet gemoeten maar het kan ook betekenen dat het volk eindelijk leert zich bij de God van Israël te houden en de weg van de God van Israël te gaan. Die Weg loopt uit op de heerschappij van de God van Israël over heel de wereld. Die heerschappij komt als eerst het volk Israël en vervolgens alle volken geleerd hebben hun naaste lief te hebben als zichzelf. Daarvoor moest het volk Israël eerst door de woestijn. Daar in de woestijn maakte het kennis met de God van Israël en met de Wet van heb Uw naast lief als Uzelf. Daar bouwde het de tent der ontmoeting waar het volk of haar afgevaardigden samen kwamen om na te gaan hoe het verder moest door de woestijn. Op de rand van de ballingschap vraagt de profeet Jesaja zich hetzelfde af als het volk op de rand van de woestijn. Kun je je toevertrouwen aan die God die je niet kunt zien maar die beloofd heeft met je mee te gaan de woestijn door?

De profeet zingt hier over een vast vertrouwen dat bij hem niet wankelt. De koning uit zijn tijd, Achaz, had tegen alle waarschuwingen in wel getwijfeld en bondgenootschappen gesloten met de verkeerde wereldmachten. Die hadden verloren en nu was het volk overgeleverd aan een bondgenootschap van Efraïm en Assyrië. Voor ons is de vraag of wij vandaag na de dood van Jezus, ja alleen met het vooruitzicht op de opstanding uit de dood met diezelfde God door willen gaan. Durven wij het aan om in een tijd waarin het individu voorop staat, waar het eigen gelijk overheerst, waar succes en persoonlijke groei de enige godsdiensten lijken, het te doen met het heb Uw naaste Lief als Uzelf. Durven wij het aan het op te blijven nemen voor de hongerigen op aarde, voor de ontrechten, voor de slachtoffers van oorlog en geweld, voor de verworpenen der aarde? Durven we te blijven geloven dat de dood niet het laatste woord heeft? We weten dat de keuze voor de weg van Go zal leiden tot een betere wereld en eigenlijk weten we ook dat er geen andere keuze is. We kunnen persoonlijk nooit zo groot groeien dat die betere wereld gemaakt kan worden, dat maken moeten we aan God overlaten, vanaf vandaag kunnen we het alleen maar voor de mensen opnemen, dat moet genoeg zijn.

Reacties

Johannes 18–19

1 ¶  Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn leerlingen. 2  Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. 3  Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de Farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. 4  Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ 5  Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik ben het, ‘zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond. 6  Toen hij zei: ‘Ik ben het, ‘deinsden ze achteruit en vielen op de grond. 7  Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’ 8  ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het, ”‘zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’ 9  Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt, heb ik verloren laten gaan.’ 10  Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf. 11  Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?’ 12  De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem. 13 ¶  Ze brachten hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester 14  en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’ 15  Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, 16  maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. 17  Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet, ‘zei hij. 18  De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen. 19  De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. 20  Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. 21  Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’ 22  Toen Jezus dat zei gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ 23  Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ 24  Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester. 25  Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’ vroegen ze. ‘Nee, ‘ontkende Petrus, ‘ik niet.’ 26  Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?’ 27  Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan. 28 ¶  Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. 29  Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ 30  Ze antwoordden: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ 31  Pilatus zei: ‘Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ 32  Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou. 33  Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ 34  Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ 35  ‘Ik ben toch geen Jood, ‘antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd-wat hebt u gedaan?’ 36  Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ 37  Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben, ‘zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’ 38  Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’ Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden, ‘zei hij. 39  ‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat-wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 40  Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger. 1 ¶  Toen liet Pilatus Jezus geselen. 2  De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen mantel aan. 3  Ze liepen naar hem toe en zeiden: ‘Leve de koning van de Joden!’, en ze sloegen hem in het gezicht. 4  Pilatus liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ 5  Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is hij, de mens, ‘zei Pilatus. 6  Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’ 7  De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ 8  Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. 9  Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. 10  ‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’ 11  Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ 12  Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ 13  Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. 14  Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is hij, uw koning.’ 15  Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’ 16 ¶  Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen.  Zij voerden Jezus weg; 17  hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. 18  Daar kruisigden ze hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. 19 ¶  Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. 20  Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. 21  De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden.”’ 22  ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven, ‘was het antwoord van Pilatus. 23  Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. 24  Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn mantel.’ Dat is wat de soldaten deden. 25  Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. 26  Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,‘ 27  en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis. 28  Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ 29  Er stond daar een vat water met azijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. 30  Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest. 31 ¶  Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. 32  Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. 33  Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. 34  Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. 35  Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. 36  Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ 37  Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’ 38 ¶  Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea-die uit vrees voor de Joden in het geheim een leerling van Jezus was-aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee. 39  Nikodemus, die destijds ‘s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra. 40  Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. 41  Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. 42  Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin. (NBV)

Vandaag is het "Goede Vrijdag" De dag waarop het lijden en sterven van Jezus wordt herdacht. Hierboven het hele verhaal zoals Johannes het ons heeft verteld. Maar gaat dit verhaal over een "Goede Vrijdag" In dit verhaal wordt toch een onschuldig mens wreed gemarteld en op een uiterst wrede manier ter dood gebracht? Zelfs vandaag de dag verzetten we ons tegen een dergelijke manier van omgaan met mensen. Gifgas aanvallen op onschuldige kinderen, dictators die hun eigen volk laten uitmoorden en in onze geschiedenis de Holocaust. Er is niets goeds in te vinden. Ook in het verhaal van deze Goede Vrijdag is niets goeds te vinden. Populisme waarbij een volk met nepnieuws wordt opgezet tegen iemand waar ze allemaal achteraan waren gelopen. Machtigen die hun eigen positie meer waard vonden dan een mensenleven. Er is niets goeds in te vinden.

Maar dit verhaal vertelt meer dan wreedheid. Jezus zelf geeft zich over om zijn vrienden te sparen. Zelfs zijn vijand geneest hij nog. En hangend aan het kruis helpt hij een mede gekruisigde, bid hij tot zijn vader om het zijn beulen niet kwalijk te nemen en zorgde hij er voor dat zijn moeder verzorgd bleef. Ook zijn vrienden bleven naast hem staan. Petrus snapte ineens dat hij de vriend van de Hogepriester niet in gevaar moest brengen en ontkende bij Jezus te horen, Jozef van Arimatea stelde zijn eigen begrafenisgrot ter beschikking. Zo mocht Jezus op de Sabbat rusten. Ondanks de wreedheid en de dood bleef de liefde door gaan. En daar God liefde is, daar Jezus liefde is, werd de dood door die liefde voor alle mensen overwonnen. Die overwinning maakt dat wij voor het leven mogen kiezen.

Mensen gaan dood van de honger en dorst, wij mogen ze voeden en laven, mensen gaan dood omdat ze te arm zijn om kleding te kopen, wij mogen ze kleden, mensen gaan dood van gevangenschap, wij mogen ze bezoeken, mensen gaan dood aan ziekten en handicaps, wij mogen ze verzorgen en zorgen voor een volwaardige plaats in onze samenleving. Mensen gaan dood als ze moeten vluchten voor onderdrukking en geweld, wij mogen ze weer een veilig huis bieden. In onze dagen gaan mensen dood aan de eis zeven maal 24 uur beschikbaar te zijn voor arbeid, wij mogen blijven eisen dat er een vrije dag is waarop alles en iedereen rust. De liefde die wij mogen tonen voor de minsten in de samenleving, voor de armsten en de zwaksten, maakt dat wij ook mogen delen in de overwinning op de dood. Met Pasen vieren we dat, maar die overwinning begon op de "Goede Vrijdag" daarom is die Vrijdag de goede.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl