basalk.punt.nl

Romeinen 1:16-32

16 ¶  Voor dit evangelie schaam ik mij niet, want het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken. 17  In het evangelie openbaart zich dat God enkel en alleen wie gelooft als rechtvaardige aanneemt, zoals ook geschreven staat: ‘De rechtvaardige zal leven door geloof.’ 18  En vanuit de hemel openbaart Gods toorn zich over al het kwaad en onrecht van hen die met hun onrechtvaardigheid de waarheid geweld aandoen. 19 ¶  Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. 20  Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn, 21  want hoewel ze God kennen, hebben ze hem niet de eer en dank gebracht die hem toekomen. Hun overpeinzingen zijn volkomen zinloos en hun onverstandig hart is verduisterd. 22  Terwijl ze beweren wijs te zijn, zijn ze dwaas 23  en hebben ze de majesteit van de onvergankelijke God ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, lopende en kruipende dieren. 24  Daarom heeft God hen in hun lage begeerten uitgeleverd aan zedeloosheid, waarmee ze hun lichaam onteren. 25  Ze hebben de waarheid over God ingewisseld voor de leugen; ze vereren en aanbidden het geschapene in plaats van de schepper, die moet worden geprezen tot in eeuwigheid. Amen. 26  Daarom heeft God hen uitgeleverd aan onterende verlangens. De vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke, 27  en ook de mannen hebben de natuurlijke omgang met vrouwen losgelaten en zijn in hartstocht voor elkaar ontbrand. Mannen plegen ontucht met mannen; zo worden ze ervoor gestraft dat ze van God zijn afgedwaald. 28  Omdat ze het beneden hun waardigheid achtten God te erkennen, heeft God hen overgeleverd aan hun eigen onbetrouwbaarheid en doen ze wat verwerpelijk is. 29  Ze zijn door en door onrechtvaardig en boosaardig, hebzuchtig en slecht. Ze zijn door en door afgunstig, moordzuchtig en twistziek, doortrapt en kwaadaardig. Ze roddelen 30  en spreken kwaad, haten God, zijn hoogmoedig, trots en verwaand. Ze zijn vindingrijk in het kwaad, tonen geen ontzag voor hun ouders, 31  zijn kortzichtig en trouweloos, zonder liefde en onbarmhartig. 32  En hoewel ze het vonnis van God kennen en weten dat mensen die dergelijke dingen doen de dood verdienen, doen ze dit alles toch. Sterker nog, ze juichen het zelfs toe dat anderen het ook doen. (NBV)

Voor Joden in de eerste plaats, maar gelukkig ook voor andere volken en dus ook voor ons. Paulus valt bijna met de deur in huis. In het jaar 41 waren de Joden uit Rome verbannen. Ook de Joden die behoorden bij de sekte van de Weg, die wij nu Christenen noemen. De Heidense aanhangers van die sekte mochten blijven. Op het moment dat Paulus zijn brief ging schrijven mochten die Joden weer terugkeren en dat gaf spanningen. Moesten de Christenen uit de Heidenen nu Joods worden? Moest er een aparte gemeente komen? Nee dus, Joden bleven Joden en Heidenen bleven Heidenen maar beiden waren verenigd in het geloof in Jezus van Nazareth. Dat geloof gaat terug op de Hebreeuwse Bijbel., die wij het Oude Testament noemen. Daar staat geschreven dat de rechtvaardige zal leven door geloof en wij mogen geloven in die rechtvaardigheid. Recht en onrecht worden hier door Paulus tegenover elkaar gezet. En onrecht kan je kwaad maken en in beweging zetten, op weg naar het uitbannen van het onrecht. Er moet en zal recht gedaan worden aan mensen.

De Liefde zoals we die kennen komt van God zegt Paulus hier. Die Liefde kan je overal en altijd tegenkomen, die kun je altijd ervaren, in jezelf en van anderen. En dat de kracht van de Liefde altijd weer overwint kun je meemaken. Denk er maar eens over na en je kan niet anders dan tot de conclusie komen dat inderdaad door de Liefde voor elkaar de mensen werkelijk vrij worden, er een betere wereld ontstaat en leed en ellende achtergelaten kunnen worden. Maar ja, mensen ontkennen dat liever, prestatie, winst en profijt maken volgens velen pas de mens werkelijk vrij en je moet dus alles opofferen om prestaties te leveren, meer en meer, en winst en profijt te maken. In de tijd van Paulus werden goden voorgesteld door beelden en in een stad als Rome wemelde het van de beelden. Al die mensen uit verschillende landen hadden hun eigen beelden meegenomen en de mensen in Rome vonden het prachtig. De mensen van de Weg van Jezus van Nazareth waren er achter gekomen dat die zogenaamde godenbeelden niets om het lijf hadden, ze kwamen geen millimeter van hun plaats en deden niets. Dat was het dus niet. Nu is dit stuk uit de brief van Paulus aan de Romeinen ook wel eens gebruikt, of misbruikt, om mensen wijs te maken dat je niet mag genieten. Daar moeten we voor uitkijken.

Het is natuurlijk wel handig voor predikers dat je mensen wijs maakt dat Paulus wil dat de mensen geld, vooral veel geld, bij hen inleveren maar daar gaat het hier helemaal niet om. We mogen best genieten, zeker van ons eigen lichaam dat immers geschapen is naar het beeld van God, maar we mogen het niet verlagen tot voorwerp van genot, zoals we andere mensen niet behoren te verlagen tot voorwerp van genot. Ook ons lichaam is geen God, en ook het lichaam van anderen is geen God. Maar met alles wat we hebben mogen we delen. Zeker met de minsten onder ons. De gemeente in Rome had geen tempels waar beelden en lichamen werden aanbeden in de hoop op geluk, gezondheid en voorspoed. De gemeente in Rome kwam bij elkaar in huizen van gemeenteleden. Daar at men met elkaar, vertelde de verhalen over Jezus van Nazareth, werd gelezen uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel en hielp men elkaar. Daar viel het onderscheid tussen Jood en Heiden, Man en Vrouw, Oud en Jong, Arm en Rijk ,volledig weg. Met dat soort delen kunnen we ook vandaag nog een begin maken.

Reacties

Romeinen 1:1-15

1 Van Paulus, dienaar van Christus Jezus, geroepen tot apostel en uitgekozen om het evangelie van God te verkondigen, 2  dat al bij monde van zijn profeten in de heilige geschriften is beloofd: 3  het evangelie over zijn Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David, 4  aangewezen als Zoon van God en door de heilige Geest bekleed met macht toen hij, Jezus Christus, onze Heer, opstond uit de dood. 5  Hij heeft mij de genade geschonken apostel te zijn, opdat ik omwille van hem aan alle volken gehoorzaamheid en geloof zou verkondigen 6  ook aan u, die geroepen bent door Jezus Christus. 7  Aan allen in Rome, geliefden van God, geroepen om zijn heiligen te zijn. Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus. 8 ¶  Allereerst dank ik door Jezus Christus mijn God voor u allen, omdat er in de hele wereld over uw geloof gesproken wordt. 9  God, die ik door de verkondiging van het evangelie over zijn Zoon vol overgave dien, is mijn getuige dat ik u onophoudelijk in mijn gebeden noem. 10  En altijd vraag ik dan of God mij de gelegenheid wil geven eindelijk naar u toe te komen. 11  Want ik verlang ernaar u te ontmoeten en u te laten delen in een geestelijke gave, om u te sterken, 12  of liever, om door elkaar bemoedigd te worden: ik door uw geloof en u door het mijne. 13  U moest eens weten, broeders en zusters, hoe vaak ik me heb voorgenomen naar u toe te komen, om net als bij de andere volken ook bij u vruchtbaar werk te doen. Maar ik was tot nu toe steeds verhinderd. 14  Ik sta ten dienste van alle volken: van beschaafde en niet beschaafde, geletterde en ongeletterde, 15  en daarom is het mijn wens het evangelie ook aan u in Rome te verkondigen. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in de beroemde Romeinenbrief. Een Bijbelboek dat in de Protestantse Kerken een grote rol speelt. Voor veel Protestantse geleerden namelijk, dat begon al bij de Reformator Maarten Luther, wordt in deze brief de kern van de Christelijke leer uiteengezet.  Men neemt aan dat de brief omtrent het jaar 56 vanuit het Griekse Korinthe aan de gemeente in Rome is gestuurd. De gemeente in Rome was niet door Paulus gesticht maar Paulus wilde graag naar Rome, overigens als tussenstop voor een reis naar Spanje. Om de brief goed te kunnen begrijpen moeten we ook iets weten van de geschiedenis van de tijd waarin de brief is ontstaan. In 54 was Keizer Claudius opgevolgd door Keizer Nero. In 50 had Keizer Claudius een heleboel Joden verbannen uit Rome maar die mochten nu weer terugkomen. Inmiddels was daar ook een bloeiende Christelijke gemeente gesticht juist door Joden uit Palestina. Die Joden vormden één Christelijke gemeente met de Heidenen die in Jezus waren gaan geloven. Dat gaf een groot conflict tussen Joden en Christenen en dat conflict gaf Paulus nog eens aanleiding om het eigen standpunt van de mensen van de Weg, de volgelingen van Jezus van Nazareth, uiteen te zetten.

Paulus wil zo vreselijk graag naar het hart van het Keizerrijk. Hij zou er uiteindelijk komen, volgens het verhaal dat in de Bijbel over Paulus wordt verteld zou hij er komen als gevangene. Twee jaar kreeg hij daar huisarrest met de vrijheid te ontvangen wie hij wilde en te corresponderen met wie hij wilde. Maar met soldaten voor de deur. Je moet soms wat over hebben voor je idealen. En wat een ideaal had die Paulus. Het ging uiteindelijk om het omverwerpen van het Rijk. Niet door geweld, niet door manipulaties maar door liefde. Het ideaal greep terug op oude profeten van Israël als Jesaja en Jeremia. Voor de Christenen zou het een paar honderd jaar duren voor ze een Keizer zover kregen dat hij zich bekeerde tot het Christendom. Die Keizer merkte dat hij daardoor een oorlog kon winnen, iedereen had schrik van een religie die ondanks wrede vervolgingen alleen maar groeide. Maar het Christendom had zich toen al zo vermengd met het Heidendom dat ook door de hele Christelijke geschiedenis profetische geluiden terug moeten grijpen op het oorspronkelijk ideaal.

De stad Rome wemelde van slaven die uit al die verschillende volken afkomstig waren en Paulus verklaart hier zich voor hen in te willen zetten. Kennen we dat niet, het beoordelen van mensen naar onszelf? Ingeburgerde mensen, blanke mensen, christelijke mensen, mensen die onze taal spreken maar niet christelijk zijn, mensen die onze taal spreken maar iets geheel anders geloven, mensen die een taal spreken die we nooit hebben geleerd op school? Zetten wij ons ook voor al die mensen in? Willen ook wij al die mensen tot hun recht laten komen? Beschouwen wij al die mensen als kinderen van God? Hoe vreemd of anders ze zich ook gedragen? Paulus gaat het om de goede boodschap van de bevrijding van de armen. Gaat het ons daarom ook? Of gaat het om het vasthouden aan onze eigen manier van leven met uitsluiting van anderen? Zelfs als die anderen met hun vreemde taal en gewoonten hardnekkig volhouden dat hun vreemde geloof uiteindelijk een geloof is in de dezelfde God als waar Christenen en Joden in geloven, als ook voor hen het delen met de armsten in de wereld een pijler is waarop hun geloof rust?

Reacties

Habakuk 3:1-19

1 ¶  Gebed van de profeet Habakuk. Als een klaaglied. 2  HEER, ik heb uw aankondiging gehoord. Voor wat u gaat doen, HEER, heb ik ontzag. Breng het in deze tijd tot stand, maak het in deze tijd bekend, maar toon uw mededogen als het tumult losbarst. 3 God komt uit Teman, de Heilige komt uit de bergen van Paran. sela Zijn glorie straalt aan de hemel, de aarde is vol van zijn roem. 4  Schittering is er als zonlicht, stralen komen uit zijn hand, waarin zijn kracht verborgen is. 5 Voor hem uit gaat de pest, de koorts volgt hem op de voet. 6  Hij staat en doet de aarde beven, hij kijkt en de volken springen op. De aloude bergen worden verbrijzeld, de eeuwige heuvels zinken ineen, hij gaat rond zoals in vroeger tijden. 7  Ik zie hoe de tenten van Kusan zuchten onder het onheil, hoe de tentdoeken van Midjan klapperen. 8  HEER, is uw woede tegen rivieren, is tegen de rivieren uw woede ontbrand, en uw toorn tegen de zee, dat u uitrijdt met uw paarden, met uw zegewagens? 9  U haalt uw boog te voorschijn, op uw bevel zoeven de pijlen, sela met stromen van water splijt u de aarde. 10  De bergen zien u en beven van angst, een stortvloed van water kolkt voorbij. De diepte verheft haar stem, ze strekt haar handen omhoog. 11  Nu uw pijlen flitsen en lichten, nu uw lans schittert en bliksemt, trekken zon en maan zich terug. 12  Grimmig schrijdt u voort over de aarde, volken vertrapt u in toorn. 13  Om uw eigen volk te redden trekt u uit, u komt tot redding van uw gezalfde. Het dak van de wetteloze slaat u stuk, u legt de fundamenten bloot tot de laatste steen. sela 14  Met zijn eigen pijlen doorboort u de aanvoerder van de krijgers. Zij stormen aan om mij te breken, het doet ze plezier om in het geniep een arme stakker te verslinden. 15  U rijdt over de zee met uw paarden, door het schuim van grote wateren. 16 ¶  Ik hoorde dit alles en ik beefde vanbinnen, ik vernam het en mijn lippen trilden. Mijn botten werden aangevreten, ik stond te trillen op mijn benen, wachtend op de dag van het onheil, de dag dat u optrekt tegen het volk dat ons aanviel. 17  Al zal de vijgenboom niet bloeien, al zal de wijnstok niets voortbrengen, al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen, al zal er geen koren op de akkers staan, al zal er geen schaap meer in de kooien zijn en geen rund meer binnen de omheining- 18  toch zal ik juichen voor de HEER, jubelen voor de God die mij redt. 19  God, de HEER, is mijn kracht, hij maakt mijn voeten snel als hinden, hij laat mij over mijn bergen gaan. Voor de koorleider. Bij snarenspel. (NBV)

Vandaag zingen we een bijzondere Psalm mee. Deze Psalm staat niet in het boek van de Psalmen maar staat in het boek van de Twaalfprofeten als de Psalm van de profeet Habakuk. Een gebedslied. Habakuk had de vraag gesteld hoe het nu zat met het straffen van het ene Heidense onderdrukkende volk door het andere Heidense onderdrukkende volk. Het antwoord dat hij had gekregen is dat alle onderdrukkers eindelijk aan hun eigen misdaden ten onder zullen gaan. Een prachtig vooruitzicht voor de onderdrukten. Voor een volk Israël dat na de ballingschap door de Assyriërs, werd ingelijfd door de Chaldeeën van Babylon, en na hun terugkeer en wederopbouw van Jeruzalem veroverd werd door eerst de Grieken en daarna door de Romeinen. Geen wonder dat het lied van Habakuk waarin gebeden wordt om bevrijding van de onderdrukking en de hoop op bevrijding werd uitgezongen deel ging uitmaken van de liederen in de Tempel.

Habakuk wijst er op dat het volk die God van Israël heeft leren kennen in de woestijn, bij het land Edom het broedervolk dat zo vaak tegen Israël heeft gevochten. Teman en Paran zijn streken die voor de Sinaï en Edom staan. Daar bij de berg Horeb had de God van Israël beloofd met het volk mee te trekken zoals hij het volk uit de slavernij in Egypte had bevrijdt. Maar daar had het volk ook de richtlijnen voor een menselijke samenleving ontvangen. Richtlijnen die ze zouden moeten kunnen toepassen in het beloofde land, richtlijnen waardoor dat land een land zou blijven dat overvloeide van melk en honing, een land waar alle volken jaloers op zouden worden. Want dat zou een land zijn waar mensen recht betrachten, elkaar tot hun recht zouden laten komen en waar vrede zou heersen.

Die buurvolken hebben het ondanks hun lange geschiedenis met Israël nog steeds niet begrepen. Daar heerst nog steeds de afgoderij, daar worden de armen uitgebuit en onderdrukt, daar wordt steeds oorlog gezocht als oplossing voor de eigen binnenlandse problemen. De tegenstelling tussen de buurvolken die steeds opnieuw dezelfde niet werkende oplossingen kiezen en Israël dat steeds opnieuw de kans krijgt van de God van Israël maakt dat de profeet des te harder van de God van Israël gaat zingen. En al zal er in het land niets meer te eten zal zijn, dan nog zal hij jubelen voor de God die hem redt. Want ondanks alle problemen die je in het leven kan tegenkomen, het geloof in de God van Israël voorkomt geen problemen, lost zelfs de meeste problemen niet op, doet geen ziekte verdwijnen en zorgt niet dat geliefden niet dood gaan, ondanks dat, weet je dat de liefde voor de naaste een nieuwe toekomst geeft. Elke dag opnieuw, door die liefde mag elke dag nieuw zijn, ook de dag van vandaag weer. Een dag om een lied te zingen, bij snarenspel, als een singer-songwriter die over de liefde zingt, als wij die liefde ook maar in de praktijk brengen.

Reacties

Habakuk 2:5-20

5 Zo bedrieglijk als de wijn is, zo hoogmoedig is deze man, maar hij zal zijn doel niet bereiken. Net als het dodenrijk spert hij zijn keelgat open, net als de dood raakt ook hij niet verzadigd. Hij verzamelt alle volken om zich heen, haalt alle naties naar zich toe. 6  Iedereen zal spreuken op hem toepassen, spotliederen en raadsels. Ze zullen zeggen: ‘Wee hem die zich verrijkt met andermans goed en zo een steeds zwaardere schuld op zich laadt. Hoe lang gaat hij daar nog mee door?’ 7  Denk je niet dat je schuldeisers plotseling zullen opstaan, dat je bedreigers wakker zullen worden? Dan word jij hun prooi! 8  Je hebt vele volken geplunderd, andere volken zullen jou plunderen. Je hebt bloed vergoten, je hebt gewelddaden begaan tegen het land, de stad en haar bewoners. 9  ‘Wee hem die woekerwinsten maakt ten bate van zijn huis, zijn nest in de hoogte bouwt, om zo uit de greep van het onheil te blijven.’ 10  Wat je van plan bent is je huis tot schande, door vele volken te vernietigen verspeel je je leven. 11  Zelfs de stenen klagen je aan vanuit de muur, en de balken stemmen ermee in vanuit het gebinte. 12  ‘Wee hem die een stad bouwt op bloed en een vesting op onrecht.’ 13  Is dit niet de wil van de HEER van de hemelse machten: volken zwoegen voor een verslindend vuur, landen matten zich af voor niets? 14  Maar zoals de zee vol water is, zo zal de aarde vol kennis van de grootheid van de HEER zijn. 15 ¶  ‘Wee hem die iemand te drinken geeft en daar gif aan toevoegt, die iemand dronken voert om hem naakt te zien.’ 16  Vol van schande ben je, zonder eer; ook jij zult moeten drinken en je voorhuid laten zien. De rechterhand van de HEER reikt je de beker aan, schande over je eer! 17  Het geweld tegen de Libanon zal je achtervolgen, de slachting onder de dieren zal je verbijsteren, net als het bloed dat je vergoten hebt en de gewelddaden die je hebt begaan tegen het land, de stad en haar bewoners. 18  Wat heb je aan een godenbeeld, gebeeldhouwd door zijn maker? Aan een gegoten beeld dat leugens verkondigt? Wie vertrouwt zich nu toe aan wat hij zelf heeft gemaakt? Wat hij maakt zijn stomme afgoden! 19  ‘Wee hem die tegen een stuk hout zegt: “Word wakker!” en tegen een stomme steen: “Sta op!”’ Zal dat beeld iets verkondigen? Het is wel gevat in goud en zilver, maar er zit geen leven in. 20  De HEER troont in zijn heilig paleis. Aarde, wees stil voor hem! (NBV)

De vraag die in het boek Habakuk wordt gesteld is dus hoe het zit met afgodendienaars die zich lenen als instrument voor de God van Israël. Het antwoord lezen we vandaag. Dat zal niet anders gaan als met de andere afgodendienaars. Het zal slecht met ze aflopen. Het onrecht dat ze bedrijven zal zich tegen hen keren, het bloed dat ze vergieten zal op hen gewroken worden. Een heel stuk Bijbel waarin deze boodschap wordt onderstreept. Ze zullen vergaan als hun tijd om te vergaan gekomen is. Als de God van Israël geweld wil laten gebruiken tegen mensen om hun wandaden te bestraffen is dat dus ook niet zo heel erg moeilijk. Er zijn altijd mensen, groepen mensen, volken en groepen van volken die geweld tegen anderen willen gebruiken. Als er een sterk moreel verzet is, waarbij vooraf zorg is voor mogelijke slachtoffers, dan wordt geweld nog wel eens tegengehouden, maar anders is geweld de eerste manier om eigen gelijk te halen.

Het vraagstuk van de gerechtvaardigde oorlog heeft geleerden door de eeuwen heen bezig gehouden. Natuurlijk, het ligt voor de hand dat een onderdrukt volk, dat onrecht en geweld ondervindt van haar eigen heersers tegen die heersers in opstand komt. Vaak kan dat niet anders dan ook door gebruik van geweld. Maar heel vaak begint het geweldloos, met demonstraties, met geweldloos verzet tegen de onderdrukkers. Als dat geweldloos verzet wordt gesteund door volken die niet door eigen heersers worden onderdrukt dan kan het zijn dat het bij dat geweldloos verzet kan blijven, de geschiedenis leert dat ook. Maar als dat geweldloos verzet niet wordt gesteund of als die steun te weinig is of niet wordt gehoord dan is gebruik van geweld soms onvermijdelijk. Zo kan zelfs militair ingrijpen onvermijdelijk worden.

Als we het Bijbelgedeelte van vandaag nog eens op ons in laten werken dan zullen we zien dat ook al moet er worden ingegrepen, ook al moet er geweld worden gebruikt tegen onderdrukkers, altijd is er vervolgens de vraag hoe wordt omgegaan met de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Speelt het "Gij zult niet doden" op de een of andere manier ook een rol? Wordt gedeeld met de armsten in de samenleving, worden de zwaksten ontzien in de strijd? Is er hulp voor de slachtoffers van het geweld, wordt het uiterste gedaan om slachtoffers te voorkomen? Of gedraagt men zich zoals de onderdrukker zich gedroeg toen die het geweld uitlokte? De oproep aan de aarde om stil te zijn voor de God van Israël is een oproep om te blijven luisteren naar het Woord van die God. Om de vragen te blijven stellen naar de toepassing van zijn Woord. Aan hen die geloven in zijn trouw is het om de vragen te blijven stellen en zo trouw te blijven aan zijn Woord. Dat mag en dat moet soms elke dag opnieuw, ook vandaag weer dus.

 

Reacties

Habakuk 1:12–2:4

12 ¶  Bent u, HEER, niet altijd mijn God, mijn Heilige geweest? Wij zullen toch niet sterven? Om het vonnis te voltrekken, HEER, hebt u de Chaldeeër opgeroepen, u hebt hem ertoe bestemd, o Rots, om ons te straffen. 13  Uw ogen zijn te zuiver om het kwaad te kunnen aanzien, de ellende te kunnen verdragen. Waarom dan verdraagt u deze trouwelozen, zwijgt u, nu de wetteloze verslindt wie rechtvaardiger is dan hij? 14  Als vissen in de zee maakt u de mensen, als kruipende dieren zonder leider. 15  De Chaldeeër slaat ze allemaal aan de haak, sleept ze mee in zijn net, verzamelt ze in zijn fuik. Daarom is hij blij en vrolijk, 16  brengt hij offers aan zijn net, brandt hij wierook voor zijn fuik, alles voor een vette buit, een overvloedig maal. 17  Mag hij maar doorgaan zijn netten te legen, meedogenloos volken blijven vermoorden? 1 ¶  Ik ga nu op mijn wachtpost staan, betrek mijn post op het bolwerk, kijk uit om te zien wat de HEER mij zal zeggen, wat hij mij antwoordt op mijn verwijt. 2  Dit was het antwoord van de HEER. Schrijf dit visioen op, grif het duidelijk in platen, zodat het snel te lezen is. 3  Het visioen wacht tot zijn tijd gekomen is, het getuigt ervan, het liegt niet. Ook al is het nog niet vervuld, wacht maar, het komt zeker, het zal niet uitblijven. 4 Wie niet oprecht is kwijnt weg, maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw. (NBV)

Vandaag lezen we een stukje uit de Bijbel waar gelovigen niet zo heel erg van houden. Hier gaat een Profeet van de God van Israël openlijk in discussie met zijn God. Het gaat zelfs zo ver dat hij spreekt over het verwijt dat hij de God van Israël maakt. En dat verwijt is niet mis. God maakt gebruikt van de Heidense Chaldeeën, afgodendienaars, om de vijanden van Israël te straffen voor hun daden. Die Chaldeeën schrijven hun overwinning toe aan hun eigen afgoden die daardoor meer aanbeden worden. En aangezien de Israëlieten gevangen worden gehouden door de vijanden van de Chaldeeën de Assyriërs lijden de Israëlieten ook onder de oorlog die tussen die twee volken wordt gevoerd. De God van Israël lijkt er wel helemaal niet aan te pas te komen. Habakuk betrekt in zijn verwijt ook het lot van de andere volken. Of dat nu afgodendienaars zijn of niet, hun lot in de bestraffing door de God van Israël zal hen niet dichter bij die God brengen maar dichter bij de afgod van de Chaldeeën.

De profeet wordt er strijdvaardig van. Hij bouwt als het ware een muur om zich heen en gaat op een bolwerk staan om eens te horen wat de God van Israël. De Heer van de wereld, heeft te antwoorden op zijn verwijt. Dat is nogal wat een God ter verantwoording te roepen. Alsof jezelf altijd zo'n Heilig boontje bent. Maar de God van Israël laat zich ter verantwoording roepen. Die verschuilt zich niet achter zijn macht. Overal in de Bijbel kom je de roep tegen om toch vooral recht en gerechtigheid te betrachten en vrede te brengen. Daar waar onrecht heerst wordt God aangeroepen om recht te brengen, daar waar geweld en onderdrukking heersen wordt die God om vrede gesmeekt. In deze profetie antwoord de God van Israël dan ook. Niet in een donderslag die verkeerd verstaan kan worden of met een briefje dat vervalst kan worden. Er wordt gewezen op platen waarin het antwoord te lezen is. En een visioen dat op platen gegrift is doet ons denken aan de tien richtlijnen voor een menselijke samenleving die door Mozes gegrift in platen van de Berg Horeb naar het volk werden gebracht.

Daar staat hoe mensen samen moeten leven om te kunnen zeggen dat de God van Israël hen uit het land van de dood, uit Egypte, heeft geleid. Dat visioen wacht op die manier nog steeds op vervulling, want er wordt op aarde nog lang niet vanzelfsprekend geleefd volgens de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Er wordt gedood, er wordt gelogen, er wordt gestolen wat van een ander is. Er wordt gedaan of dat recht en gerechtigheid is en die onoprechtheid zal vergaan. Nee, de rechtvaardige zal leven. Later zal ook Paulus dit verzuchten als hij het heeft over de vraag waarom gelovigen vervolgd worden. Ze leven door hun trouw, vaak vertaald als geloof. Maar het is niet alleen trouw van mensen aan de God van Israël, maar ook de trouw van de God van Israël aan zijn Woord. Dat klinkt hier door. Daardoor is ook hier een oproep te horen te gaan leven volgens die richtlijnen voor een menselijke samenleving, met elkaar te delen, te zorgen voor de minsten, ook vandaag dus weer.

 

Reacties

Habakuk 1:1-11 

1 Profetie; visioen van de profeet Habakuk. 2  Hoe lang nog, HEER, moet ik om hulp roepen en luistert u niet, moet ik ‘Geweld!’ schreeuwen en brengt u geen redding? 3 Waarom toont u mij dit onheil en ziet u zelf de ellende aan? Ik zie slechts verwoesting en geweld, opkomende twist en groeiende tweedracht. 4  De wet wordt ondermijnd, het recht krijgt niet langer zijn loop, de wettelozen verdringen de rechtvaardigen, het recht wordt verdraaid. 5 Kijk naar de volken, let goed op, jullie zullen verbaasd zijn en verbijsterd! Er gebeurt iets, nog tijdens jullie leven, iets zo uitzonderlijks dat je het niet zult geloven als het je wordt verteld. 6  Ik laat de Chaldeeën komen, dat grimmige, onstuimige volk, dat de hele aarde doorkruist om andermans woonplaatsen te bezetten. 7  Geducht en gevreesd is het, het stelt zijn eigen wet, vertrouwt op eigen macht.8  Sneller dan panters zijn hun paarden, feller dan wolven in de avond. Hun ruiters komen aangestormd, van verre vliegen ze aan, als arenden duiken ze op hun prooi. 9  Dat hele volk komt aangestormd, met geweld rukt het op; onstuitbaar als de oostenwind maakt het gevangenen, als zandkorrels zo veel. 10  Met koningen drijft het de spot, met aanvoerders speelt het een spel, om vestingen lacht het: het werpt wat aarde op en neemt ze in. 11  Dan trekt de wind verder en waait voorbij. Boeten zal hij die van zijn kracht zijn god maakt. (NBV)

 Vandaag beginnen we te lezen in een bijzonder deel van het Twaalfprofetenboek, het deel van de profeet Habakuk. Wie die profeet was weten we niet. Zijn naam komt alleen in dit boek voor en over zijn persoon wordt niets verteld. Geleerden hebben wel gespeculeerd over de vraag wie hij was en wanneer hij geleefd heeft maar een sluitend antwoord blijkt niet te geven. Wel zijn er in het verleden legenden ontstaan over deze profeet. Op grond van zijn naam, die omhelzing zou kunnen betekenen, heeft men gewezen op de zoon van de weduwe van Sarfat die door Elia werd omhelst toen zijn moeder dacht dat hij gestorven was. Die omhelzing bracht de jongen weer tot leven. In het gedeelte van vandaag lezen we over de Chaldeeën en daar lezen we ook over in het boek Daniël. Sommigen denken daarom dat Habakuk samen met Daniël tegen de ongelovigen heeft gestreden. En het was Abraham die uittrok uit het Ur der Chaldeeën. Het bijzondere van dit boekje maakt een strijd samen met Daniël echter onwaarschijnlijk.  Het volk Israël was in ballingschap gevoerd door de wereldmacht Assyrië. De reden van die ballingschap was duidelijk. Het volk had de afgoden van Kanaän gediend in plaats van de God van Israël.

De Koningen van Israël en Juda hadden bondgenootschappen gesloten met Heidense volken, zelfs met Egypte, in plaats van te vertrouwen op de macht van de God van Israël. Die verkeerde keuzes hadden uiteindelijk tot de ballingschap geleid. Dat was nog duidelijk. Maar dan ontstaat er een probleem. Tijdens de ballingschap had een groot deel van het volk zich bekeerd tot de dienst aan de God van Israël. De leer van Mozes en de geschiedenis waren weer opgeschreven en werden breed bestudeerd. De boeken en geschriften van profeten werden gelezen en gehoord. De liederen en verhalen van het volk die hoorden bij de godsdienst van de God van Israël waren verzameld, geordend en toegankelijk gemaakt. Kortom, van afgodendienst was geen sprake meer, het volk had ervan geleerd en zich bekeerd. En dan? Bracht God de ballingen terug? Wat Habakuk zag was wat anders. Was wat we vandaag lezen. Wat Habakuk zag was dat het machtige rijk Assyrië, dienaar van machtige afgoden, omver geworpen werd door de Chaldeeën, door het rijk van Babel.

Die Chaldeeën waren net zulke afgodendienaars als de Assyriërs en de Egyptenaren. Het is voor de gelovige in de God van Israël duidelijk dat wie van zijn eigen kracht een god maakt uiteindelijk zal moeten verliezen. Maar verliezen van wie? Van anderen die van hun eigen kracht een god maken? Volgt het ene rijk van afgodendienaars het andere op? Waar blijft dan de God van Israël? Dat is de vraag die Habakuk stelt. Net als Job dat in het leven van individuen stelde: waarom overkomt goede mensen het kwade? Waarom overkomt een volk van gelovigen het kwade van geregeerd te worden door afgodendienaars? Het antwoord is niet eenvoudig. Centraal in het boek van Habakuk staat de stelling dat de Rechtvaardige zal leven. En de Rechtvaardige is de gelovige in de God van Israël, die de minsten recht zal doen. Ook in onze dagen van geweld, onderdrukking en onrecht zullen we ons daaraan moeten vasthouden en blijven roepen om recht en gerechtigheid voor onderdrukten en slachtoffers van geweld. Alleen voor je zelf geloven kan niet, het gaat altijd om de anderen. Elke dag opnieuw, ook vandaag.

Reacties

Psalm 1 

1 Gelukkig de mens die niet meegaat met wie kwaad doen, die de weg van zondaars niet betreedt, bij spotters niet aan tafel zit, 2  maar vreugde vindt in de wet van de HEER en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht. 3  Hij zal zijn als een boom, geplant aan stromend water. Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren niet. Alles wat hij doet komt tot bloei. 4 Zo niet de wettelozen! Zij zijn als kaf dat verwaait in de wind. 5  Wettelozen houden niet stand waar recht heerst, zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen. 6  De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen, de weg van de wettelozen loopt dood. (NBV)

Op de eerste dag van het nieuwe jaar openen wij het boek van de psalmen, en komen dan natuurlijk terecht bij de eerste psalm. We spreken wel over het boek van de psalmen maar als je dit boek nauwkeurig bestudeerd zul je merken dat er eigenlijk meerdere boeken zijn. Geleerden onderscheiden vijf verschillende boeken. Vijf psalmboeken lijken dan ook op de vijf boeken van Mozes waar de Bijbel mee begint. Bij al die boeken van Mozes kun je dus uitbundig zingen. Deze eerste psalm hoort overigens niet bij een van die boeken maar is speciaal vooraan de hele verzameling gezet. En deze psalm wijst speciaal naar de eerste vijf boeken van de Bijbel want in goed Joods gebruik worden die boeken de leer van Mozes genoemd, oude vertalers noemen dit wet. Ze vertellen het verhaal van de geschiedenis van God met de wereld, de mensen en het volk Israël. Met als hoogtepunt de tocht door de woestijn waar de mens bevrijd werd van slavernij en te horen kreeg wat nu de bedoeling was van God met de mensen, God dienen boven al en je naaste liefhebben als jezelf.

Er zijn 150 Psalmen. Vroeger deed men of koning David ze allemaal had geschreven maar dat is natuurlijk onzin. Sommige Psalmen bezingen het leed van de ballingschap en die kwam pas eeuwen na koning David. Maar vandaag zingen we mee met de eerste psalm en die bezingt het volgen van de goddelijke richtlijnen uit de woestijn. Het houden van je naaste als van jezelf is niet zo eenvoudig als het klinkt en je bent gelukkig als je niet meegaat met hen die het kwaad doen, niet de weg van de egoïsten, de hebberts en de graaiers gaat, niet bij de spotters aan tafel zit. Die spotters kennen we allemaal , het zijn de mensen die het helpen van anderen belachelijk proberen te maken, die het hebben over de softies als je problemen zonder geweld wil oplossen, die alleen trots willen zijn op ziczelf en met vreemden niets te maken willen hebben.

Nee volgens deze psalm zijn die mensen gelukkig, die vreugde vinden in de richtlijnen van God, die kunnen genieten van de vreugde in de ogen van de hongerige die gevoed is, van de bedroefde die getroost wordt, van het kind dat eindelijk naar school mag, van de gevangene die ook eens bezoek krijgt. Dat is een mens die lijkt op een vruchtbare boom, daar komt het goede uit voort. De leer van Mozes is voor die mens als een beek met fris stromend water, daar kun je je dorst stillen, daar zit groeikracht in. Als je alleen voor jezelf wil zorgen dan zit er dood in de pot, dan ga je door de wereld met ruzie en geweld, dan ben je dag en nacht bang voor vreemdelingen en voor het vreemde dat andere mensen je bieden. Als je alle mensen tot hun recht wil laten komen dan is er geen plaats voor mensen die zich meer achten dan een ander. Die opscheppers vinden ook geen plaats in de kring van mensen die iets over hebben voor een ander. De eerste psalm daagt uit, Want als we dit lied willen meezingen, als we deze verzameling liederen willen meezingen, dan moeten we kiezen, waar willen we bij horen, bij de wettelozen of bij de rechtvaardigen. Aan u de keus, elke dag van dit nieuwe jaar weer, veel heil en zegen.

Reacties

Jeremia 33:12-26

12  Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Er zullen in dit verwoeste land, waar mens noch dier meer leeft, rond alle steden weiden zijn, waar de herders hun schapen en geiten zullen laten rusten. 13  In de steden van het bergland, het heuvelland en de Negev, in het gebied van Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem en rond de steden van Juda zullen de schapen onder de tellende hand van de herder doorgaan-zegt de HEER. 14  De dag zal komen-spreekt de HEER dat ik de belofte die ik het volk van Israël en Juda heb gedaan, gestand zal doen. 15  Op die dag, in die tijd, zal ik aan Davids stam een rechtmatige telg laten ontspruiten, die recht en gerechtigheid in het land zal handhaven. 16  Dan wordt Juda verlost en de inwoners van Jeruzalem zullen in vrede leven. En de naam van de stad zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid.” 17 ¶  Want dit zegt de HEER: Er zal altijd een nakomeling van David op de troon van Israël zitten 18  en er zullen altijd Levitische priesters zijn die mij dienen, die brandoffers zullen brengen, graanoffers zullen opdragen en vredeoffers zullen bereiden.’ 19  De HEER richtte zich tot Jeremia: 20  ‘Dit zegt de HEER: Als mijn verbond met de dag en de nacht kon worden tenietgedaan, zodat de dag en de nacht niet meer op tijd zouden aanbreken, 21  dan zou ook mijn verbond met mijn dienaar David kunnen worden tenietgedaan. Dan zou er geen nakomeling van David op zijn troon zitten. Dan zou ook mijn verbond met mijn dienaren de Levitische priesters kunnen worden verbroken. 22  Ontelbaar zijn de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan de zee, even ontelbaar zal ik de nakomelingen maken van mijn dienaar David en van de Levieten die mij dienen.’ 23  De HEER richtte zich tot Jeremia: 24  ‘Heb je gehoord wat de mensen zeggen? “De HEER heeft de twee volken die hij had uitgekozen, verworpen.” Ze schrijven mijn volk af en zien het niet langer als een volk. 25  Maar dit zegt de HEER: Ik heb een verbond met de dag en de nacht gesloten en de hemel en de aarde aan vaste wetten onderworpen. 26  Zomin als ik die zal verwerpen, zal ik het nageslacht van Jakob en van mijn dienaar David verwerpen. Ik zal altijd een van zijn nakomelingen laten heersen over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Ik zal hun lot ten goede keren en mij over hen ontfermen.’ (NBV)

Geleerden vragen zich af of het gedeelte dat we vandaag lezen eigenlijk wel in de Bijbel thuishoort. Toen namelijk de Bijbel in het Grieks werd vertaald, de vertaling van de 70, de Septuagint, is het gedeelte dat we vandaag lezen vanaf vers 14 daar niet in opgenomen. De ballingen die de Bijbel, of delen van de Bijbel, uit hun hoofd leerden kenden dit gedeelte wel en aangezien men later zo dicht mogelijk bij de Hebreeuwse Bijbel van de ballingen wilde komen is het gedeelte van vandaag toch in de Bijbel terechtgekomen. Maar tot op de dag van vandaag is er discussie over welke tekst je nu als uitgangspunt moet nemen om de Bijbel in je eigen taal te vertalen. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben bijvoorbeeld een andere tekst tot uitgangspunt genomen dan de vertalers van de Herstelde Statenvertaling en soms kan dat tot verhitte discussies leiden over wat er nu eigenlijk in de Bijbel staat.

De tekst vanaf vers 14 gaat over het herstel van de Tempel in Jeruzalem en vooral van de dienst in de Tempel. In de eerste twee verzen van het gedeelte van vandaag lijkt het er juist op dat die Tempeldienst voortaan geen rol meer zou spelen. De Wet van Israël bepaalde namelijk dat er een belasting van een tiende van de opbrengst van het werk zou moeten worden betaald. Voor het innen van de belasting op schaapskudden waren daarvoor tellers aangesteld. Zij telden de schapen op hun vingers en elk tiende schaap was voor de Tempel. In de tekst van vandaag worden de schapen door de herders geteld. Om misverstanden te voorkomen moet er dus aan toegevoegd worden dat de Tempeldienst wel degelijk in ere hersteld zal worden. Zeker als de beloofde Koning uit het geslacht van David weer op de troon van Israël zal komen.

Er is in dit Bijbelgedeelte dus al een begin van een andere manier van denken te bespeuren. Niet langer is de Tempeldienst alleen afhankelijk van Priesters en Levieten, maar het volk zelf speelt er een beslissende rol in. Kunnen zij het verbond met de God van Israël houden? Net als bij het bouwen van de muren om de vijand tegen te houden zullen ze ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor het onderhoud van de Tempel en het houden van de Wet die daar werd bewaard. Na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zal de gedachte opkomen dat de richtlijnen van God in ieders hart geschreven zal moeten zijn en dat ieder persoon een Tempel voor God zou moeten zijn. Bedoeld wordt dat in iedere gelovige de Geest van God moet wonen die iedere gelovige op het spoor zet van de dienst aan de minsten, aan het houden van maaltijd met de armen en de vreemdelingen, want uiteindelijk ook volgens de profeet Jeremia brengt dat ons tot een land dat echt overvloeit van melk en honing. Ook in onze dagen kunnen we er nog elke dag opnieuw mee beginnen, ook in het komende nieuwe jaar.

Reacties

Jeremia 33:1-11

1 ¶  De HEER richtte zich voor de tweede maal tot Jeremia, die nog steeds in het kwartier van de paleiswacht gevangen zat: 2  ‘Dit zegt de HEER, die de aarde heeft gemaakt, die haar heeft gevormd en gegrondvest, wiens naam is HEER: 3  Roep mij aan, en ik zal je antwoorden, ik zal je grote, wonderlijke dingen bekendmaken, dingen die je volkomen onbekend zijn. 4  Dit zegt de HEER, de God van Israël, over de huizen van deze stad en het paleis van de koningen van Juda, die worden afgebroken om een bolwerk op te werpen tegen de belegeringswallen en het aanvalsgeweld, 5  maar waarvan de stenen in de strijd tegen de Chaldeeën de lijken bedekken van hen die ik in mijn grote woede heb gedood, omdat ik mij van deze stad heb afgewend vanwege al het kwaad dat de inwoners hebben gedaan 6  dit zegt de HEER: Ik zal de wonden van de stad verbinden en haar herstellen, ik geef de inwoners blijvende vrede en voorspoed. 7  Ik breng een keer in het lot van Juda en Israël en maak ze weer tot het volk van vroeger. 8  Ik zal het volk reinigen van alle wandaden waarmee het tegen mij gezondigd heeft. Ik zal het alle wandaden vergeven waarmee het willens en wetens tegen mij gezondigd heeft. 9  Jeruzalem zal mij weer vreugde geven en mij lof en roem brengen bij alle volken op aarde. Die zullen horen hoeveel geluk en voorspoed ik Jeruzalem schenk, en huiveren van ontzag. 10 ¶  Dit zegt de HEER: Jullie zeggen over dit land dat het een woestenij is, dat er mens noch dier meer leeft. Maar in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem, die nu verwoest zijn, waar mens noch dier meer leeft, 11  zullen vreugdezangen klinken, zullen bruid en bruidegom van blijdschap zingen, zal te horen zijn: “Loof de HEER van de hemelse machten, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.” Er zullen dankoffers worden gebracht naar de tempel van de HEER, want ik keer het lot van Juda ten goede en maak het weer als vroeger-zegt de HEER. (NBV)

Toen in Augustus 1573 de Spaanse troepen op Alkmaar aan trokken waren de muren rond de stad nog niet helemaal klaar. Onder leiding van de Alkmaarsche ingenieur Adriaan Antonisz. werden in allerijl de muren rond de stad versterkt met bouwmateriaal afkomstig van de afbraak van Rooms Katholieke kloosters en andere gebouwen. De ingenieur had zich laten inspireren door het verhaal uit Jeremia dat we vandaag lezen. Ook daar werden de muren van de stad versterkt door de afbraak van belangrijke gebouwen en paleizen. In Alkmaar leidde dat tot het ontzet van 8 oktober 1573. In Jeruzalem uiteindelijk tot de herbouw van de stad. Vanuit zijn gevangenschap ziet Jeremia hoe de reactie van de stad zal leiden tot herstel van de onafhankelijkheid en het verdwijnen van de bedreiging die de stad ondervindt. Jeremia was een ras optimist. Hij had al een stuk akker in bezet gebied gekocht als teken van vertrouwen in bevrijding van de bezetting. Een vertrouwen waartoe sommige  Palestijnse Christenen in Israël ook vandaag oproepen. De onwettige bezetting van hun land kan niet eeuwig duren, ook aan hen zal de God van Israël recht verschaffen.

Nu ziet Jeremia hoe rijke huizenbezitters, akkoord gingen met het gebruik van het bouwmateriaal van hun huizen voor de afwenteling van de bedreiging, voor de versterking van de muren rond de stad. Die eigen inzet van mensen was veel belangrijker dan de bondgenootschappen met buurvolken en wereldmachten die koning Sedekia sloot en waarmee hij dacht de bedreiging te kunnen afwenden. Voor Jeremia is er maar één verbond en dat is met de God van Israël, die moet je lief hebben boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. In onze dagen zijn het de superrijken die aanbieden om iets meer belasting te betalen zodat de koopkracht van de grote massa van de mensen op peil kan blijven en de dreiging van een nieuwe economische crisis kan worden afgewend. Ook de politieke vertegenwoordigers van de rijken hebben het nu over stijging van lonen, uiteindelijk moeten de allerzwaksten, de Wajongers fors inleveren.

Maar mensen die zich maar net aan de armoede hebben ontworsteld zijn altijd bang weer tot armoede te vervallen. Zij zijn het die het oplossen van problemen bij anderen proberen te leggen, de zieken kunnen zichzelf ook best verzorgen, de werklozen kunnen ook als zelfstandigen aan de slag als er geen banen meer zijn, de armen moeten de buikriem maar aantrekken en als armen buiten je gezichtsveld vallen hoef je er al helemaal niets meer aan te doen. De Bijbel wijst die angst af. Niet het krampachtig vasthouden aan eigen bezit, aan eigen inkomen en maatschappelijke positie zal je verrijken, maar delen met de armsten. Jeremia ziet daarvoor de eredienst in de Tempel weer in ere komen. De citaten die hij geeft van "Loof de HEER van de hemelse machten" en zo zijn gebruikelijk formuleringen uit de Tempeldienst. Daar wordt de leer bewaard van heb uw naaste lief als uzelf. Om die dienst zal ons leven moeten draaien, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Reacties

Jeremia 32:26-44

26 Hierop richtte de HEER zich tot Jeremia: 27  ‘Ik ben de HEER, de God van al wat leeft. Is er ook maar iets dat voor mij onmogelijk is? 28  Dit zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de Chaldeeën, koning Nebukadnessar van Babylonië zal haar innemen. 29  De Chaldeeën, die de stad bestormen, zullen haar binnendringen en haar platbranden: alle huizen waar de Israëlieten op de daken voor Baäl wierook hebben gebrand en aan andere goden wijnoffers hebben gebracht. Ze hebben me daarmee gekrenkt. 30  Israël en Juda hebben van meet af aan gedaan wat slecht is in mijn ogen. Israël heeft mij voortdurend gekrenkt met wat het zelf gemaakt heeft-spreekt de HEER. 31  Jeruzalem heeft, vanaf de dag dat het werd gebouwd tot op de dag van vandaag, voortdurend mijn toorn gewekt. Daarom vaag ik het weg. 32  Israël en Juda, de koningen, leiders, priesters en profeten, alle inwoners van Juda en Jeruzalem, hebben al het mogelijke kwaad gedaan en mij daarmee gekrenkt. 33  Ze hebben mij niet gehoorzaamd, maar mij de rug toegekeerd. Hoewel ik hen telkens weer onderwees, luisterden ze niet naar mijn terechtwijzingen. 34  Ze hebben de tempel waaraan mijn naam verbonden is met gruwelijke afgodsbeelden ontwijd, 35  en in het Hinnomdal offerhoogten voor Baäl gebouwd om er hun zonen en dochters aan Moloch aan te bieden. Ze hebben Juda met die gruweldaad tot zonde aangezet. Ik heb dat nooit geboden, ik heb dat nooit gewild. 36  Maar toch-dit zegt de HEER, de God van Israël, over deze stad, waarover jullie zeggen: “Door het zwaard, de honger en de pest valt ze de koning van Babylonië in handen”: 37  Ik zal de inwoners samenbrengen uit alle landen waarheen ik ze in mijn grote woede en toorn verdreven heb, ze terugbrengen naar deze stad en ze er in vrede laten wonen. 38  Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 39  Ik zal hen één van hart en één van zin maken, zodat ze altijd ontzag voor mij zullen hebben en het hun en hun nageslacht goed zal gaan. 40  Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, ik keer mij nooit meer van hen af en zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag voor mij vervullen, zodat zij zich nooit meer van mij zullen afkeren. 41  Ik zal er weer vreugde in vinden hen te zegenen en zal hen voorgoed in dit land planten. Met hart en ziel zal ik dat doen. 42  Dit zegt de HEER: Zoals ik over dit volk al dit grote onheil heb gebracht, zo zal ik het al het goede brengen dat ik hun beloof. 43  Jullie zeggen dat dit land een woestenij is, zonder mens of dier, en dat het in handen van de Chaldeeën gegeven is, maar er zullen weer akkers worden gekocht. 44  Men zal ervoor betalen en in aanwezigheid van getuigen koopcontracten opstellen en verzegelen, in het gebied van Benjamin, in het gebied rond Jeruzalem, in de steden van Juda, van het bergland, het heuvelland en de Negev. Want ik zal hun lot ten goede keren-spreekt de HEER.’ (NBV)

We kunnen in het Evangelie naar Marcus gelezen hoe Johannes de doper een massabeweging ontketende. Jezus van Nazareth had die overgenomen nadat Johannes was gearresteerd. De druk van de massa was zo erg dat hij nauwelijks nog tijd had om te eten. Die massabeweging liep uit op een triomftocht op weg naar Jeruzalem. Een paar van de zendelingen die waren aangesteld haalden een veulen en daar ging het. De mensen rukten de takken van de palmbomen en legden die op de grond. Daarom heet de zondag waarop dit verhaal in de kerk wordt herdacht Palmzondag. De feestelijkheid die uit dit verhaal spreekt doet je bijna vergeten dat het volk zuchtte onder de zware bezetting van de Romeinen. De godsdienstige  en bestuurlijke elite van het land had zich wel aangepast. Het tempelbestuur, het Sanhedrin, keek wel uit de Romeinen tegen de haren in te strijken, en de koning van Judea, Herodes was een vazal van de Keizer.

De situatie in het land in de tijd van Johannes en Jezus verschilde niet erg veel van die in de tijd van Jeremia. Toen was er een belegering van Jeruzalem, stond de verwoesting voor de deur. De godsdienstige en bestuurlijke elite reageerde zoals zoveel belegerde elites doen, ze willen oorlog voeren ook al kost dat alleen maar veel levens. De eer is in zulke gevallen altijd een goede smoes. In Jezus tijd noch in de tijd van Jeremia werden de levens geteld die de houding van de elite kostte. Jeremia verwierp de zinloze oorlog, Jezus verwierp de opstand, zoals ook hij het gewelddadige verzet van de Zeloten had verworpen. Jeremia wilde terug naar de goddelijke richtlijnen uit de Woestijn. Jezus wilde naar de herdenking van de uittocht uit Egypte, naar de bevrijding uit de slavernij.

Die bevrijding zou uiteindelijk ook de bevrijding van de bezetting in de tijd van Jeremia betekenen en voor Jezus ook de bevrijding van de Romeinen betekenen. Voor ons betekent het op weg gaan met die richtlijnen dat niemand ons kan afhouden van het verspreiden van liefde. In onze eigen buurt, in ons eigen dorp of stad en in ons land en de wereld. Armen, zwakken, zieken en vreemdelingen genoeg. Wat de politiek of de publieke opinie ook zegt, wij kunnen onze eigen weg gaan. We hebben de belofte waarop ook Jeremia zich verlaat. Eens worden er weer akkers gekocht en verkocht, eens is er een samenleving van recht en gerechtigheid waarin iedereen mee mag doen en niemand tekort komt. Al moeten de stenen in de straat er van getuigen zei Jezus.

 

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl